Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH4675

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-02-2009
Datum publicatie
04-03-2009
Zaaknummer
207629 / HA ZA 03-2984
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade. Beoordeling deskundigenrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 207629 / HA ZA 03-2984

Uitspraak: 11 februari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser sub 1] en [eiser sub 2],

in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige [minderjarige],

beide wonende te Gouda,

eisers,

advocaat mr. A.J.G. Jukema,

- tegen -

het rechtspersoonlijkheid bezittende Universitair Medisch Centrum Rotterdam

ERASMUS MEDISCH CENTRUM,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Partijen blijven verder aangeduid als "[eisers]" respectievelijk "Erasmus MC".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 4 oktober 2006 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

deskundigenbericht, ingekomen ter griffie op 26 april 2007;

conclusie na deskundigenbericht van [eisers];

antwoordconclusie na deskundigenbericht van Erasmus MC, met producties;

akte houdende uitlaten, tevens overleggen productie met bijlagen van [eisers];

akte houdende uitlaten productie van Erasmus MC;

bevelschrift d.d. 18 juni 2007, waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundigen zijn begroot op € 2.400,--.

2 De verdere beoordeling

2.1 Bij voormeld tussenvonnis is een deskundigenonderzoek gelast. Door prof. dr. M.D. de Smet, prof. dr. L.A.A. Kollée en prof. dr. H.A. Heij is een rapport opgesteld dat is gedateerd op 11 april 2007 en is binnengekomen bij de rechtbank op 26 april 2007.

2.2 De deskundigen hebben de aan hen voorgelegde vragen als volgt beantwoord:

“1. Hebben de behandelende artsen van [minderjarige] bij (het tijdstip van de) controle en de behandeling van de ROP bij [minderjarige] gehandeld zoals van redelijk handelende en redelijk bekwame vakgenoten in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht?

Antwoord:

Het antwoord op deze vraag dient te worden genuanceerd. Het eerste oogheelkundig onderzoek werd aangevraagd op de leeftijd van zes weken. Dit was in 1996 en is ook nu nog conform de internationaal geaccepteerde standaard en de literatuur over screening voor ROP na premature geboorte (1,2). Zeer recent wordt wel aanbevolen vóór 6 weken te screenen (3) maar dit is hier niet opportuun. De neonatale afdeling is verantwoordelijk voor het maken van een tijdige afspraak voor de eerste oogheelkundige screening op ROP bij prematuur geboren kinderen.(3,6) De vervolgafspraken komen tot stand op advies van de oogarts die het onderzoek heeft verricht.

De eerste screening bij [minderjarige] kon op 25 juni niet daadwerkelijk plaatsvinden omdat de pupillen niet voldoende wijd (meer?) waren. Dit logistieke probleem komt in de universitaire medische centra wel vaker voor. De screening is erop gericht om vast te stellen of er veranderingen in de retina (netvlies) aanwezig zijn zoals die optreden bij ROP en die daarna te vervolgen om tijdig in te kunnen grijpen wanneer het komt tot afwijkingen die cryocoagulatie of laserbehandeling nodig maken. De intervallen tussen de verschillende oogheelkundige onderzoeken zijn afhankelijk van het beeld van het netvlies dat de oogarts aantreft. Ze zijn meestal één of twee weken, of korter wanneer de oogarts het netvlies niet vertrouwt.(1,4) Toen daadwerkelijk onderzoek op 25 juni niet mogelijk bleek zou herhaling van het onderzoek op kortere termijn, bijv. binnen één week, in de rede hebben gelegen. Bij [minderjarige] heeft het tweede, maar feitelijk eerste succesvolle, onderzoek pas twee weken later, op 9 juli, plaatsgevonden. Een eerste screening op de leeftijd van 8 weken is aan de late kant. Hoewel Prof. [X] daarbij vastgestelde dat er strikt genomen sprake was van een ROP stadium 2 (omdat er nog geen vaatwoekeringen waren), hield hij er rekening mee dat spoedig stadium 3 zou worden bereikt, omdat er reeds een wal op het netvlies zichtbaar was. Daarom heeft Prof. [X] in het dossier genoteerd dat er sprake was van stadium 3b. De toevoeging b duidt op een minder gunstige prognose vanwege de aanwezige andere complicerende bevindingen bij [minderjarige]. Daarom vond al de volgende dag cryocoagulatie plaats. Gesteld moet dan ook worden dat door de oogarts, vanaf het moment dat hij de ogen van [minderjarige] daadwerkelijk kon onderzoeken, adequaat is gehandeld. Dat de behandeling uiteindelijk niet succesvol was, is heel jammer maar niet ongebruikelijk. Immers, gerapporteerd is dat 14% van de kinderen een slechte visus had op de leeftijd van 9 maanden, ondanks tijdige behandeling met cryocoagulatie (4).

Ons antwoord op de vraag of de behandelende artsen van [minderjarige] bij (het tijdstip van de) controle en de behandeling van de ROP zorgvuldig gehandeld hebben luidt dus positief. Immers, de eerste afspraak voor screening werd tijdig gemaakt en bij het vaststellen van stadium 3b, 2 weken later, heeft ook de juiste behandeling plaatsgevonden. Wij maken echter wel de aantekening dat, wanneer de tweede controle eerder dan op 9 juli zou zijn uitgevoerd, de behandeling mogelijk eerder zou hebben plaatsgevonden en de afloop wellicht beter zou zijn geweest. Exacte kanspercentages zijn daarbij niet te geven.

Wij zijn dus van mening dat het delay in het onderzoek een factor is geweest in het ontstaan van deze ernstige vorm van ROP bij [minderjarige]. Benadrukt moet daarbij worden dat cryocoagulatie of laserbehandeling de kans op ernstige schade kan reduceren maar niet elimineren.

3. Is redelijkerwijs aannemelijk dat er een verband bestaat tussen de necrose aan het rechterbeentje van [minderjarige] en het ontstaan van een ernstige vorm van ROP bij [minderjarige]?

a. Is redelijkerwijs aannemelijk dat de necrose aan het rechterbeentje van [minderjarige] heeft geleid tot een slechtere lichamelijke conditie van [minderjarige] dan het geval zou zijn geweest als deze necrose wordt weggedacht?

b. Is redelijkerwijs aannemelijk dat [minderjarige] (uitsluitend) als gevolg van de necrose aan het rechterbeentje zuurstof morfine en vaatverwijdende medicijnen heeft toegediend gekregen in de mate waarin deze thans aan haar zijn toegediend?

c. Als het antwoord op vraag 3c bevestigend luidt: Wordt de kans op het ontstaan van een ernstige vorm van ROP vergroot door de toediening van zuurstof, morfine en vaatverwijdende medicijnen?

Antwoord:

De indirect gestelde vraag of de ROP ook ontstaan zou zijn als het been niet necrotisch zou zijn geworden is natuurlijk niet met zekerheid te beantwoorden. Wij kennen geen literatuur over het verband tussen necrose van een been en ontstaan van ROP. Het is echter niet aannemelijk dat er een verband bestaat tussen de necrose aan het rechterbeentje van [minderjarige] en het ontstaan van een ernstige vorm van ROP. Er zijn een aantal risicofactoren voor het ontstaan van ROP. De allerbelangrijkste daarvan is zeer korte zwangerschapsduur, onder 30 weken. Daarbij is de kans op ROP hij kinderen die werden geboren tussen 26 en 28 weken ruim driemaal hoger dan die bij kinderen die werden geboren vanaf 29 weken. De toxiciteit van zuurstof speelt een zeer belangrijke, maar niet allesbepalende rol. Het gaat overigens niet alleen om de hoeveelheid in de inademingslucht toegediende zuurstof maar ook om de daarmee bereikte zuurstofspanning in het bloed. De zuurstofspanning wordt niet continu gemeten, maar de zuurstof verzadiging wel en op geleide daarvan wordt de hoeveelheid toe te dienen zuurstof bepaald. Dit is ook bij [minderjarige] gebeurd. Enkele andere risicofactoren voor het ontstaan van ROP die zijn beschreven zijn meerlinggeboorte, necrotiserende enterocolitis en kunstmatige beademing. (7, 8, 9,10) Van deze drie risicofactoren was bij [minderjarige] sprake. Dat de algemene conditie van een zeer kleine vroeggeborene in de eerste fase na de geboorte goed is zodat er aanvankelijk geen kunstmatige beademing nodig is, terwijl daarna toch de noodzaak tot kunstmatige beademing ontstaat, is niet ongebruikelijk. Bij [minderjarige] was er daarvoor bovendien een extra reden. Immers, er ontstond een verdenking op een necrotiserende enterocolitis (NEC), waarvoor ze geopereerd moest worden. De operatie indicatie was faecale peritonitis (buikvliesontsteking door darminhoud). Bij de operatie werd inderdaad een faecale peritonitis gevonden, tengevolge van een geïsoleerde perforatie van het ileum. Het onderscheid tussen NEC en geïsoleerde darmperforatie is bij prematuur geborenen niet eenduidig. Mogelijk zijn het twee manifestaties van eenzelfde, nog onopgehelderd, ziekteproces. Belangrijk is hier het effect, nl. faecale peritonitis. Dat het binnendringen van buikholte bij het inbrengen van een navelvenelijn zou kunnen plaatsvinden, zoals in het operatieverslag gesuggereerd, is onwaarschijnlijk en het perforeren van een niet-gefixeerde darmlis, zoals het ileum, is daarbij vrijwel onmogelijk.

De noodzaak tot beademing werd gevormd door de respiratoire insufficiëntie die werd veroorzaakt door de mechanische belemmering van de ademhaling door de uitgezette darmen en de hoogstand van het middenrif. Pasgeborenen zijn voor de ademhaling afhankelijk van de buikspieren en het middenrif en moeten vrijwel altijd nabeademd worden na een buikoperatie. Daarnaast spelen daarbij ook de toegenomen metabole behoeften (postoperatief en door sepsis) een rol. De noodzaak tot beademing is dus voldoende aangetoond door de faecale peritonitis, ongeacht de oorzaak van de perforatie. De perforatie kan zeer goed een geïsoleerde, spontane perforatie zijn geweest.

Men mag inderdaad aannemen dat het feit dat bij [minderjarige] bovendien necrose ontstond van de rechtervoet heeft bijgedragen aan haar labiele conditie. Echter, ook indien geen necrose zou zijn opgetreden zou [minderjarige] vrijwel zeker met zuurstof behandeld hebben moeten worden. Morfine wordt in de neonatologie veel gebruikt ter bestrijding van pijn en onrust, en vrijwel altijd na een operatieve ingreep. Het is goed mogelijk dat de pijn in het rechterbeen de belangrijkste indicatie is geweest voor het continueren of aanpassen van de dosis van morfine. Vaatverwijdende middelen, zoals dopamine, worden eveneens veel gebruikt vanwege de bij zeer kleine vroeggeborenen dikwijls labiele circulatie, ook zonder dat necrose aanwezig is. Het is dus niet aannemelijk dat [minderjarige] uitsluitend als gevolg van de necrose aan het rechterbeentje zuurstof, morfine en vaatverwijdende medicijnen heeft toegediend gekregen. Alleen van zuurstof is onomstotelijk aangetoond dat het ROP kan veroorzaken.

4. Zijn er nog feiten en/of omstandigheden waarover tussen partijen discussie bestaat, die van belang zijn voor het eindoordeel van de deskundigen, en zo ja, welke zijn dat? Onder verwijzing naar overweging 5.9 van het tussenvonnis, wijst de rechtbank er op dat partijen met name van mening verschillen over de vraag of [minderjarige] op 25 juni 1996 daadwerkelijk door de oogarts is gecontroleerd (maar controle niet mogelijk bleek), in welk stadium de ROP van [minderjarige] zich bevond ten tijde van de oogcontrole op 9 juli 1996 en hoeveel zuurstof er in de dagen na de operatie op 20 mei 1996 aan [minderjarige] is toegediend. De rechtbank vraagt de deskundigen om bij de beantwoording van deze vraag in ieder geval aandacht te besteden aan deze geschilpunten.

Antwoord:

Er bestaat een discrepantie in de stukken over het exacte stadium waarin de ROP bij [minderjarige] zich bevond tijdens het onderzoek van Prof. [X] op 9 juli. Uit het feit dat hij heeft besloten om de volgende dag cryocoagulatie toe te passen leiden wij af dat er op dat moment feitelijk sprake was van stadium 3, zoals ook door hem genoteerd in het dossier en bevestigd in het commentaar op onze concept-rapportage.

Uit de als productie 7 en 8 bijgevoegde afschriften uit het verpleegkundig dossier van 20 en 21 mei 1996 blijkt dat [minderjarige] in de postoperatieve periode aanvankelijk beademd is geweest met een laag zuurstofpercentage in de inademingslucht (op 20 mei tot 40% met daarbij zuurstofsaturaties van 87%-98%, hetgeen normaal is), maar op 21 mei was [minderjarige] labieler en bedroeg de zuurstofbehoefte tussen 70% en 100%. Daarbij waren de bij de routinecontrole genoteerde zuurstofsaturaties meestal hoog en in de avond zelfs 100%, waarop de zuurstofconcentratie in de inademingslucht dan steeds weer tijdelijk moest worden verlaagd. Daarbij moet ook worden aangetekend dat [minderjarige] tussen de controles door vaak diepe saturatiedalingen vertoonde waarvoor het dan steeds weer noodzakelijk was om de zuurstofconcentratie in de inademingslucht op te voeren tot 100%. De zuurstofbehandeling is bewaakt door middel van meting van de zuurstofsaturaties, omdat ongecontroleerde toediening van zuurstof aan premature kinderen ernstige gevolgen kan hebben (5).

Er was in de postoperatieve periode dus sprake van sterke wisselingen van de zuurstofbehoefte, samenhangend met de labiele conditie van [minderjarige]. Dat die labiele conditie uitsluitend samenhing met de verminderde circulatie van het rechteronderbeen (de necrose ontstond pas daarna) is, zo kort na een grote chirurgische ingreep, niet aannemelijk. Dat de daarbij optredende wisselingen van de zuurstofsaturatie hebben bijgedragen aan het ontstaan van ROP is mogelijk, maar niet bewijsbaar.

5. Welke omstandigheden zijn naar het oordeel van de deskundigen verder van belang ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?

Antwoord:

Wij willen nog benadrukken dat het bij de behandeling van [minderjarige], geboren na 28 weken zwangerschap met een gewicht van 770 gram, ging om een behandeling in de marge van het bestaan, waarin elke (be)handeling of het nalaten daarvan grote gevolgen kan hebben, die echter niet altijd goed in te schatten zijn. Behoudens de discussie over de timing van het oogheelkundig onderzoek zijn wij van mening dat in het onderhavige geval naar beste weten en inzicht is gehandeld.”

2.3 De door de deskundigen op basis van het door hen verrichte onderzoek getrokken conclusies zijn gebaseerd op hun kennis en ervaring en het is de rechtbank niet gebleken dat zij daarbij van onjuiste uitgangspunten zijn uitgegaan. De deskundigen hebben een zorgvuldig eigen onderzoek verricht en hun conclusies vloeien logisch voort uit hun bevindingen. Met inachtneming van het hierna volgende zal de rechtbank de inhoud van het deskundigenrapport tot uitgangspunt nemen.

2.4 De rechtbank leidt uit het deskundigenrapport af dat de deskundigen van oordeel zijn dat er geen verband bestaat tussen de necrose aan het rechterbeentje van [minderjarige] en het ontstaan van een ernstige vorm van ROP bij haar. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en mede in aanmerking nemende dat partijen geen kanttekeningen hebben geplaatst bij dit onderdeel van het deskundigenrapport, maakt de rechtbank dit oordeel van de deskundigen tot het hare.

2.5 De deskundigen hebben in hun antwoord op vraag 5 op basis van hun antwoorden op de andere vragen geconcludeerd dat naar hun mening de behandelend artsen naar beste weten en inzicht hebben gehandeld, behoudens de discussie over de timing van het oogheelkundig onderzoek. Ter zake hadden zij reeds in hun antwoord op vraag 1 overwogen dat indien de tweede controle eerder dan op 9 juli 1996 zou zijn uitgevoerd, de behandeling mogelijk eerder zou hebben plaatsgevonden en de afloop wellicht beter zou zijn geweest. Hierbij hebben zij aangegeven dat exacte kanspercentages niet te geven zijn. De deskundigen zijn aldus van mening dat het delay in het onderzoek een factor is geweest in het ontstaan van de ernstige vorm van ROP bij [minderjarige].

2.6 [eisers] stellen naar aanleiding van deze conclusies van de deskundigen dat uit het deskundigenrapport expliciet blijkt dat het ontstaan van een ernstige vorm van ROP bij [minderjarige] het gevolg is van het nalaten van de oogarts om haar eerder dan 9 juli 1996 te controleren, waardoor door middel van cryocoagulatie of laserbehandeling de kans op ernstige schade gereduceerd had kunnen worden. Voorts wijzen zij erop dat uit het deskundigenrapport volgt dat 14% van de kinderen een slechte visus had op de leeftijd van 9 maanden, ondanks tijdige behandeling met cryocoagulatie. Op basis hiervan concluderen [eisers] dat het delay en de daaruit voortvloeiende schade volledig aan Erasmus MC dient te worden toegerekend, in aanmerking nemende dat slechts 14% van de kinderen een slechte visus had na behandeling en [minderjarige] door het delay de kans is ontnomen om te behoren tot de 86% kinderen met wel een goed gezichtsvermogen, althans een zodanig gezichtsvermogen waarmee zij zonder noemenswaardige beperkingen en aanpassingen aan het maatschappelijk leven zou kunnen deelnemen.

2.7 Erasmus MC stelt zich op het standpunt dat uit het deskundigenonderzoek niet volgt dat Erasmus MC onzorgvuldig heeft gehandeld jegens [minderjarige] door eerst op 9 juli 1996 een eerste (geslaagd) onderzoek te doen. Indien aangenomen zou moeten worden dat het eerste (geslaagde) onderzoek had moeten plaatsvinden op 2 juli 1996 in plaats van 9 juli 1996, zodat het uitvoeren van het onderzoek op 9 juli 1996 onzorgvuldig is geweest, ontbreekt het causaal verband tussen dat onzorgvuldig handelen en de schade bij [minderjarige], aldus Erasmus MC. Erasmus MC voert in dit verband aan dat eerst bij stadium 3 (vaatwoekering) tot behandeling (in dit geval cryocoagulatie) wordt overgegaan. Aangezien daarvan op 9 juli 1996 nog (net) geen sprake was, zou daarvan op 2 juli 1996 in ieder geval (althans evenmin) sprake zijn geweest zodat eerdere behandeling dan op 9 of 10 juli 1996 niet zou hebben plaatsgevonden. Zelfs al zou [minderjarige] eerder zijn behandeld dan op 10 juli 1996, zou dat voor het uiteindelijke resultaat naar alle waarschijnlijkheid geen verschil hebben gemaakt, aldus Erasmus MC.

In dit verband voert Erasmus MC aan dat de door de deskundigen genoemde 14% niet juist is, althans niet representatief is voor de omstandigheden die in het onderhavige geval een rol spelen en dat, mocht dit al juist zijn, hieruit niet (zonder meer), zoals [eisers] doen, de conclusie kan worden getrokken dat in geval van een tijdige behandeling met cryocoagulatie 86% van de kinderen wel een goed gezichtsvermogen zou hebben gehad, althans een zodanig gezichtsvermogen waarmee zij zonder noemenswaardige beperkingen en aanpassingen aan het maatschappelijk leven zou kunnen deelnemen. Wegens de complicerende factoren die bij [minderjarige] een rol speelden, was de kans zeer groot dat [minderjarige] toch blind zou zijn geworden.

2.8 De rechtbank stelt voorop dat zij - anders dan Erasmus MC - van oordeel is dat uit het deskundigenrapport volgt dat de behandelend artsen van [minderjarige] onzorgvuldig hebben gehandeld door pas op 9 juli 1996 een eerste (geslaagd) oogheelkundig onderzoek bij [minderjarige] uit te voeren en dat Erasmus MC derhalve in zoverre toerekenbaar tekort is geschoten jegens [minderjarige]. De rechtbank wijst in dit verband in het bijzonder naar de conclusies van de deskundigen zoals hiervoor weergegeven onder 2.5.

2.9 De rechtbank stelt voorts vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in 1996 eerst tot behandeling van ROP werd overgegaan indien sprake was van stadium 3. Dit brengt mee dat indien, zoals Erasmus MC stelt, op 9 juli 1996 nog geen sprake was van stadium 3 waaruit volgt dat op een eerder moment hiervan ook nog geen sprake zou zijn geweest, er ook bij een eerdere controle dan op 9 juli 1996, geen eerdere behandeling had plaatsgevonden dan thans het geval is geweest. In dat geval kan Erasmus MC niet aansprakelijk worden gehouden voor de door [minderjarige] geleden schade wegens het ontbreken van causaal verband tussen de toerekenbare tekortkoming en de schade.

2.10 Bij tussenvonnis van 28 september 2005 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 5.9 reeds onder meer overwogen dat partijen van mening verschillen over het antwoord op de vraag in welk stadium de ROP zich bevond ten tijde van de oogcontrole op 9 juli 1996 en dat het oordeel van de deskundigen zou worden afgewacht alvorens te bezien of het nodig was om ten aanzien van (onder meer) dit feit over te gaan tot nadere bewijslevering.

2.11 Onder verwijzing naar hetgeen zij heeft overwogen onder 2.9, is de rechtbank thans van oordeel dat van belang is dat komt vast te staan in welk stadium de ROP zich bevond ten tijde van de oogcontrole op 9 juli 1996. [eisers] stellen onder verwijzing naar het verslag van het door de oogarts van [minderjarige] op 9 juli 1996 verrichte onderzoek (tweede bijlage bij “repliek op antwoordconclusie van deskundigenbericht” die als productie 10 is gevoegd bij akte houdende uitlaten, tevens overleggen productie met bijlagen van [eisers]) dat de ROP van [minderjarige] zich op 9 juli 1996 in stadium 3B bevond in beide ogen, nu dit in het verslag is genoteerd en ook is getekend en daarnaar is gehandeld door met spoed op 10 juli 1996 een cryocoagulatie uit te voeren. Ook in het verslag van het vervolgconsult op 12 juli 1996 wordt door dezelfde oogarts als reden voor consult aangegeven: ROP 3B, cryo 10-7-1996, aldus [eisers]

Erasmus MC stelt zich op het standpunt dat weliswaar in het verslag van de oogarts is vermeld dat op 9 juli 1996 sprake was van ROP stadium 3, maar dat in werkelijkheid op die datum sprake was van stadium 2 waarbij spoedige overgang naar stadium 3 te verwachten was, in aanmerking nemende dat op 9 juli 1996 nog geen vaatwoekering te zien was in het glasvocht, doch slechts een geringe wal rondom. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Erasmus MC bij akte houdende uitlating productie de reactie van professor [X], de destijds behandelend oogarts van [minderjarige], weergegeven. Deze reactie luidt onder meer als volgt:

“Op 9-7-1996 (zie copie van mijn consult) was er wel een netvlies wal, ridge (stadium 2), er was wel vaatverwijdering, vasodilatation (stadium 2b = 2+), maar er waren geen vaatwoekeringen, “extraretinal vessels protrude from the ridge”, een condition sine qua non voor stadium 3. In 1996 gold de richtlijn (CRYO-ROP studie) dat “Treshold ROP” behandeld moest worden, na de ETROP studie geldt dat “Pre-threshhold ROP” behandeld moet worden.

Dat ik op het consult heb genoteerd “3B/3B”, overwegend dat binnen enkele dagen vaatwoekeringen te zien zouden zijn, dat ik de dag daarna behandeld heb en dat tegenwoordig zulk een “Pre-threshold ROP” ook behandeld moet worden, doet geen afbreuk aan het feit dat er op het moment van onderzoek geen vaatwoekeringen waren, dat er dus, strict genomen, op dat moment geen stadium 3 bestond, en niet meer dan een spoedige overgang naar stadium 3/3 te verwachten was, en dat er dus niet van een vertraging bij het opsporen van stadium 3b = 3+, en daarmee dus van vertraging bij de behandeling volgens de op dat moment geldende inzichten, sprake was.”

2.12 In aanmerking nemende dat partijen nog altijd van mening verschillen over het stadium waarin de ROP zich bevond ten tijde van de oogcontrole op 9 juli 1996, en de deskundigen in hun rapport op dit punt ook geen duidelijkheid verschaffen (vergelijk hun antwoorden op vraag 1 en op vraag 4), is naar het oordeel van de rechtbank bewijslevering op dit punt noodzakelijk. [eisers] zijn als de partij die zich op het rechtsgevolg beroept, belast met het bewijs van hun stelling dat de ROP van [minderjarige] zich tijdens de controle op 9 juli 1996 in stadium 3 bevond.

2.13 De rechtbank is van oordeel dat [eisers] het bewijs voor hun stelling voorshands hebben geleverd doordat in het verslag van het consult van 9 juli 1996 is vermeld dat sprake is van ROP stadium 3B in beide ogen, alsmede dat in het vervolgconsult op 12 juli 1996 is vermeld als reden voor consult “ROP 3B, cryo 10-7-‘96”. Erasmus MC zal (zonodig, zie hierna onder 2.16) in de gelegenheid worden gesteld om hiertegen tegenbewijs te leveren.

2.14 Indien niet komt vast te staan dat op 9 juli 1996 sprake was van ROP stadium 3, gaat de rechtbank er onder verwijzing naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen onder 2.9 vanuit dat eerdere controle dan op 9 juli 1996 niet tot eerdere behandeling van de ROP van [minderjarige] zou hebben geleid, zodat Erasmus MC niet aansprakelijk is voor de door [minderjarige] geleden schade wegens het ontbreken van causaal verband tussen de gestelde te late controle en de schade.

2.15 Indien komt vast te staan dat op 9 juli 1996 sprake was van ROP stadium 3 valt, gelet op hetgeen de deskundigen ter zake hebben gerapporteerd, niet uit te sluiten dat bij eerdere controle dan op 9 juli 1996, er eerder behandeling had plaatsgevonden met mogelijk een beter resultaat. De vraag waar de rechtbank zich in dat geval - met partijen - voor ziet gesteld, is of in dat geval gelet op alle relevante feiten en omstandigheden in deze zaak eerdere behandeling zou hebben plaatsgevonden en zo ja, wat de (globale) kans (uitgedrukt in procenten) is dat bij eerdere behandeling een beter behandelingsresultaat bij [minderjarige] was bereikt. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de deskundigen reeds hebben overwogen dat exacte kanspercentages daarbij niet te geven zijn en dat behandeling van de ROP de kans op ernstige schade kan reduceren maar niet elimineren. Naar verwachting zal de rechtbank in dat geval genoodzaakt zijn om de deskundigen om een aanvulling op hun rapport te vragen zodat zij zich alsnog over voormelde vraagpunten kunnen uitlaten, mede met inachtneming van hetgeen partijen ter zake hebben aangevoerd in hun conclusies en akten na deskundigenbericht.

2.16 Gelet op het voorgaande, hebben partijen mogelijk nog een lange weg van bewijslevering en (aanvullend) deskundigenonderzoek te gaan, waarbij het nog maar de vraag is of de deskundigen een (bevredigend) antwoord kunnen geven op de vraag wat de kans is dat bij eerdere behandeling van de ROP van [minderjarige] een beter behandelingsresultaat zou zijn bereikt. Onder deze omstandigheden ligt het naar het oordeel van de rechtbank in de rede om de mogelijkheden te onderzoeken of partijen middels minnelijk overleg tot een afronding van het onderhavige geschil kunnen komen. Teneinde een versnelling van de afronding van het geschil te bevorderen, zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten. Ter comparitie van partijen wenst de rechtbank de mogelijkheden voor het treffen van een regeling in der minne te onderzoeken en - zo nodig - met partijen overleggen over hun mogelijkheden om het hiervoor aangekondigde (tegen)bewijs te leveren en over het eventueel door de rechtbank te gelasten (aanvullend) deskundigenonderzoek.

2.17 De rechtbank verzoekt Erasmus MC om voorafgaand aan de comparitie van partijen aan de rechtbank en aan de wederpartij een beter leesbaar exemplaar van het verslag van professor [X] van 9 en 12 juli 1996 te overleggen en dit verslag te voorzien van een uitleg als er dan nog altijd aantekeningen niet goed leesbaar zijn.

2.18 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, [eisers] in persoon en Erasmus MC deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. J.F. Koekebakker, op dinsdag 21 april 2009 van 9.30 tot 11.30 uur teneinde inlichtingen te verstrekken en een regeling in der minne te beproeven;

bepaalt dat bescheiden die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk vier weken vóór de zitting aan de rechter en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden;

beveelt dat Erasmus MC de onder 2.17 hiervoor bedoelde bescheiden uiterlijk vier weken vóór de zitting aan de rechter en aan de wederpartij zal toezenden.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker.

Uitgesproken in het openbaar.

1582