Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH3569

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-01-2009
Datum publicatie
24-07-2009
Zaaknummer
319247-J2 RK 08-1617
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

machtiging tot plaatsing van een minderjarige in een pleeggezin

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 januari 2009

Zaak-/rekestnummer: 319247 / J2 RK 08-1617

Beschikking in de zaak van:

de stichting bureau jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

gevestigd te Rotterdam,

hierna: de stichting,

met betrekking tot de minderjarige:

[kind], geboren op 24 juni 1997 te Spijkenisse,

kind van dhr. [vader] en van de met het gezag belaste ouder,

mw. [moeder], wonende te 3206 SE Spijkenisse, Buntgras 60.

Het verloop van de procedure

Bij beschikking van 9 mei 2008 zijn de ondertoezichtstelling en de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin verlengd tot 10 mei 2009.

De stichting heeft op 29 augustus 2008 bij de rechtbank Middelburg een verzoekschrift ingediend tot vervanging van haar als stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg door Bureau Jeugdzorg Zeeland.

Het plan van aanpak en het verslag van het verloop van de ondertoezichtstelling zijn daarbij gevoegd.

Bij beschikking van 9 oktober 2008 heeft de rechtbank Middelburg zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en is de behandeling van de zaak doorverwezen naar deze rechtbank.

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg Zeeland is op 27 januari 2009 een bericht van verhindering ingekomen.

De zaak is behandeld op 27 januari 2009.

Van de zijde van de stichting is op 28 januari 2009 een afschrift van het protocol externe overdracht ondertoezichtstelling MO- groep/vastgesteld m.i.v. 1-10-2006/versie 2.0 april 2006 ingekomen.

De beoordeling

Uit het dossier blijkt dat Bureau Jeugdzorg Zeeland niet instemt met het onderhavige verzoek. Zij heeft erop gewezen dat Brouwershaven, de woonplaats van de minderjarige en Spijkenisse, de woonplaats van de moeder, ten opzichte van Middelburg aanzienlijk dichter bij Rotterdam liggen. De overdracht brengt voorts discontinuïteit van de zorg met zich mee en overdrachtskosten, hetgeen niet in het belang van een goed verloop van de maatregel is. Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam heeft tegenover deze nadelen geen voordelen voor de overdracht kunnen benoemen. Voor Bureau Jeugdzorg Zeeland is er gezien het vorenstaande geen reden om de overdracht van de zaak te accepteren.

Ter zitting heeft de moeder kenbaar gemaakt dat Middelburg voor haar verder reizen is dan naar Rotterdam.

De pleegouders hebben kenbaar gemaakt dat de afstand tussen Brouwershaven en Rotterdam groter is dan naar Middelburg. Zij hebben geen bezwaar tegen de overdracht van de zaak naar Middelburg. De pleegouders hopen dat de beslissing van de rechtbank zich niet tegen hun pupil zal keren en rekenen op de professionaliteit van de beide jeugdzorginstanties.

De stichting heeft ter zitting verklaard dat indien de zaak niet wordt overgedragen, er binnenkort als gevolg van interne reorganisatie een andere gezinswerker in de zaak komt. De belanghebbenden zullen dus in ieder geval met discontinuïteit worden geconfronteerd. Daarnaast volgt de stichting het protocol externe overdracht ondertoezichtstelling zoals hierboven vermeld, dat overdracht in het onderhavige geval voorschrijft.

De kinderrechter overweegt als volgt:

Het eerder genoemde protocol is vastgesteld op 1 oktober 2006. Het bevat, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, de volgende criteria voor overdracht:

-De uitvoering van de ondertoezichtstelling moet worden overgedragen indien de

onder toezicht gestelde minderjarige duurzaam verblijft in een andere provincie,

bijvoorbeeld als gevolg van een pleeggezinplaatsing. Met duurzaam verblijf wordt

bedoeld dat de minderjarige ten minste 18 maanden in een andere provincie

verblijft.

Instemming van een ander bureau jeugdzorg is niet vereist.

-Een uitzondering op de plicht om de zaak over te dragen betreft de situatie waarin

de gezinsvoogdijmedewerker gemotiveerd kan aangeven dat er, gezien het belang

van continuïteit in de hulpverlening ernstige bezwaren zijn tegen directe overdracht

en de teamleider op grond hiervan beslist dat directe overdracht niet wenselijk is

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de bovengenoemde criteria, de uitvoering van de ondertoezichtstelling moet worden overgedragen aan Bureau Jeugdzorg Zeeland. Immers, de minderjarige verblijft – in verband met een pleegzorgplaatsing – reeds langer dan 18 maanden in Zeeland.

Weliswaar zal door de overdracht discontinuïteit in de uitvoering plaatsvinden, bij de overdracht zal immers een andere gezinsvoogdijmedewerker aan de zaak worden toegevoegd. Nu evenwel ook sprake zal zijn van discontinuïteit indien de uitvoering van de ondertoezichtstelling niet wordt overgedragen ( wegens reorganisatie bij Bureau jeugdzorg Rotterdam), kan daaraan geen doorslaggevend gewicht worden toegekend.

Reisafstand speelt gelet op de criteria in het protocol geen rol bij de vraag welke gezinsvoogdijinstelling de uitvoering op zich dient te nemen. De rechtbank merkt daarbij nog op dat niet aannemelijk is geworden dat de reis naar Brouwershaven, waar de minderjarige en zijn pleegouders wonen, vanuit Middelburg langer duurt dan vanuit Rotterdam. Zij verwijst daartoe naar de verklaring van de pleegouders daaromtrent.

Duidelijk is dat de afstand vanaf de woonplaats van de moeder groter is naar Middelburg dan naar Rotterdam. Evenwel is niet gebleken dat contacten tussen moeder en Bureau jeugdzorg in Middelburg dan wel Spijkenisse zo frequent zullen plaatsvinden dat de reistijd die daarmee gemoeid is, onoverkomelijk moet worden geacht.

Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek toewijzen.

De beslissing

Vervangt met ingang van heden de met de uitvoering van de ondertoezichtstelling belaste stichting door Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland, gevestigd te Middelburg.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. Engbers, kinderrechter, in bijzijn van Van Balen, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.