Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH3368

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
19-02-2009
Zaaknummer
272345 / HA ZA 06-3089
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wegvervoer. CMR. Verjaring vrachtvordering o.g.v. artikel 32 lid 1 aanhef en sub c CMR. De vraag of een vervoerder een retentierecht toekomt en wat de omvang daarvan is, dient uitsluitend aan de hand van artikel 1131 lid 2 BW te worden bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 272345 / HA ZA 06-3089

Uitspraak: 28 januari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. R.L.P.H. Burger,

- tegen -

[gedaagde]

gevestigd te Breendonk (te België),

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.G.M. Roijers.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 28 september 2006, met producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in

reconventie, met producties;

- conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte overlegging producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 28 maart 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de bij brief van 27 juni 2007 zijdens [eiseres] ten behoeve van de comparitie van partijen overgelegde producties;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 3 juli 2007;

- conclusie van repliek in conventie, met producties;

- conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in

reconventie, met producties;

- conclusie van dupliek in reconventie, met producties;

- akte uitlating producties aan de zijde van [gedaagde].

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

in conventie en in reconventie

2.1

[gedaagde] drijft een logistieke onderneming en verzorgt onder meer het vervoer van containers met chemische producten voor Lyondell Chemie Nederland B.V. (verder: Lyondell).

2.2

[pe[persoon 1] (hierna: [persoon 1]) heeft vanaf ongeveer 2003, handelend onder de naam [bedrijf 1]hierna: [bedrijf 1]), vervoerswerkzaamheden verricht in opdracht van [gedaagde]. [bedrijf 1] heeft deze werkzaamheden feitelijk in maart dan wel vanaf 1 april 2005 gestaakt.

2.3

Vanaf maart dan wel 1 april 2005 heeft [gedaagde] de vervoerswerkzaamheden uitbesteed aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]). In een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel d.d. 21 juni 2006 staat als datum van vestiging 15 februari 2005 en als bevoegd functionaris [bedrijf 3] vermeld. In een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel d.d. 12 september 2006 ter zake van deze laatste onderneming staat [eiseres] vermeld als de bevoegde functionaris daarvan.

in conventie voorts

2.4

Ter zake van de door [bedrijf 2] verrichte werkzaamheden over de periode maart 2005 - april 2006 zijn diverse facturen en e-mails aan [gedaagde] verstuurd waarop als afzender is vermeld “[bedrijf 4]”

2.5

Op 13 juli 2006 heeft de raadsman van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd tot betaling van openstaande facturen aan hoofdsom totaal ten bedrage van € 80.184,68 aan “[bedrijf 4]”

2.6

Bij schrijven van 20 juli 2006 is namens [gedaagde] gesteld dat “[bedrijf 4]” niet bestaat en voor zover vereist gesteld dat [gedaagde] niets meer verschuldigd is aan [bedrijf 2] in verband met een tegenvordering.

2.7

Op 21 september 2006 is [eiseres] enig aandeelhouder en enig bestuurder geworden [bedrijf 5], in welke vennootschap zij de onderneming van [bedrijf 2] heeft ingebracht.

De statuten van deze vennootschap zijn op voornoemde datum gewijzigd en de naam Marendam is gewijzigd in [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]). Het kantoor, telefoon- en faxnummer, werknemers e.d. zijn gelijk gebleven als onder [bedrijf 2]

2.8

Met ingang van 29 november 2006 is [bedrijf 2] opgeheven.

in reconventie voorts

2.9

[eiseres], althans medewerkers van [bedrijf 2], heeft op 27 april 2006 negen containers toebehorende aan [gedaagde] en/of Lyondell meegenomen, waarvan een aantal beladen met het ontvlambare product “styreen” afkomstig van Lyondell. Acht containers en de oplegger waren opgeslagen bij Chassis Verhuur Rotterdam en één container was opgeslagen bij Tankcleaning Europoort B.V.

Het gaat om containers met de volgende nummers: RYCU 801439-1, RYCU 801437-0, RYCU 801483-2, RYCU 801469-0, RYCU 801440-5, RYCU 801425-7, RYCU 801454-0, RYCU 801447-3 en RYCU 801420-0.

2.10

Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d. 16 mei 2006 is [eiseres] onder meer veroordeeld om de containers met lading en de oplegger aan [gedaagde] en Lyondell ter beschikking te stellen.

2.11

[gedaagde] heeft bij factuur van 30 juni 2006 aan [bedrijf 4] een bedrag van € 75.342,00 in rekening gebracht “inzake de kosten als gevolg van de ontvreemding van 9 stuks Lyondell tankcontainers (waarvan 5 beladen met Styreen UN 20550) en 1 stuk chassis nr. 80 – QCU 625.”

3. Het geschil in conventie

3.1

De vordering van [eiseres] luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] veroordeelt tot betaling, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan [eiseres] van de navolgende bedragen:

a. € 80.184,68 in hoofdsom;

b. € 1.832,60 aan buitengerechtelijke kosten;

c. de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen vanaf de vervaldatum van de facturen, subsidiair vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. [gedaagde] veroordeelt in de kosten van deze procedure;

3. dit vonnis voorziet van een Europese executoriale titel in de zin van de EG-verordening nr. 805/2004 van de Raad van de Europese Unie van 21 april 2004 (EET-verordening).

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- [bedrijf 2] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] werkzaamheden verricht, voor welke werkzaamheden zij facturen heeft gestuurd voor een totaalbedrag van € 80.184,68;

- [gedaagde] heeft deze facturen ook na sommatie onbetaald gelaten.

3.3

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van dit geding in conventie. Dit verweer zal hierna - voor zover van belang - onder 5 worden weergegeven en besproken.

4. Het geschil in reconventie

4.1

De vordering van [gedaagde] luidt dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair

[eiseres], na verrekening in conventie, veroordeelt tot betaling van € 34.147,18 als schadevergoeding in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend vanaf de factuurdatum van [gedaagde], althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, almede met de buitengerechtelijke incassokosten conform het Rapport voorwerk II begroot op € 1.158,00;

subsidiair

indien en voorzover het beroep op verrekening in conventie niet wordt toegelaten, [eiseres] veroordeelt tot betaling aan [gedaagde] van schadevergoeding ter grootte van € 75.342,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag, berekend vanaf de factuurdatum van [gedaagde], althans vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening, almede met de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.788,00;

met veroordeling van [eiseres] in de kosten van het geding.

4.2

Aan deze vordering heeft [gedaagde] de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- [eiseres] heeft eind april 2006 negen containers en een oplegger ontvreemd;

- [gedaagde] heeft hierdoor schade geleden ten bedrage van € 75.342,-- voor welke schade [eiseres] aansprakelijk is.

4.3

Het verweer van [eiseres] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde] in de kosten van de procedure in reconventie. Dit verweer zal hierna - voor zover van belang - onder 5 worden weergegeven en besproken.

5. De beoordeling

in conventie en in reconventie

bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat [bedrijf 2] in opdracht en voor rekening van [gedaagde] in de periode april 2005 - april 2006 goederen heeft vervoerd over de weg, naast een beperkt aantal grensoverschrijdende transporten van of naar Nederland - waarop van rechtswege de CMR van toepassing is - voornamelijk bestaande uit vervoer van en naar de Maasvlakte binnen Nederland. Uit de in het geding gebrachte stukken blijkt dat ter zake van dit nationale vervoer steeds CMR vrachtbrieven zijn afgegeven, waarop in het merendeel uitdrukkelijk is aangegeven dat de CMR van toepassing is met doorhaling van de verwijzing naar de AVC 2000. Gelet hierop gaat de rechtbank - voor zover relevant - uit van een rechtskeuze voor de CMR.

Aanvullend is het Nederlands recht als neergelegd in het BW van toepassing. Voor zover relevant volgt dit uit artikel 4 lid 4 EVO, nu de vestigingsplaats van de vervoerder [bedrijf 2] in Nederland ligt en zij de goederen in Nederland ten vervoer in ontvangst heeft genomen, althans zo blijkt uit de vrachtbrieven die zijn overgelegd, terwijl geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit valt af te leiden dat de vervoerovereenkomst nauwer met een ander land is verbonden. Dit maakt dat ook op de in reconventie voorliggende vraag of [eiseres] een retentierecht toekomt en wat de inhoud daarvan is, nu gesteld noch gebleken is dat zij dit recht buiten Nederland heeft uitgeoefend, naar Nederlands recht dient te worden beantwoord (HR 07-01-2000, NJ 2000/406).

5.2

De rechtbank is op grond van artikel 31 lid 1 aanhef en onder b) CMR bevoegd van het geschil in conventie kennis te nemen, nu uit voornoemde vrachtbrieven blijkt dat de inontvangstname en/of de destinatie van de goederen Rotterdam was. De bevoegdheid van deze rechtbank in reconventie volgt uit artikel 2 EEX-Vo.

in conventie voorts

vorderingsrecht [eiseres]

5.3

[gedaagde] heeft erkend in beginsel gehouden te zijn tot betaling voor de door [bedrijf 2] verrichte vervoerswerkzaamheden en in eerste instantie de vorderingsgerechtigdheid van [eiseres] ter zake niet betwist. Na de gehouden comparitie van partijen heeft zij zich echter op het standpunt gesteld dat [eiseres] niet vorderingsgerechtigd is, althans dat niet vaststelbaar is aan wie nu moet worden betaald, omdat de rechtsgeldigheid van de tijdens deze comparitie door [eiseres] meegedeelde cessie van de vordering aan [bedrijf 4] en retrocessie door laatstgenoemde daarvan niet is komen vast te staan, hetgeen naar haar mening tot niet-ontvankelijkheid moet leiden.

5.4

Bij de beoordeling hiervan is relevant dat de vordering van [eiseres] namens [bedrijf 2] - nu de B.V. nooit is opgericht en bekrachtiging in de zin van artikel 2:203 lid 1 BW dus niet heeft plaatsgevonden, terwijl gesteld noch gebleken is dat de vordering op [gedaagde] is ingebracht in [bedrijf 5] - eerst dan op [bedrijf 4] (de nieuwe naam van [bedrijf 5]) is overgegaan, indien sprake is geweest van contractsovername als bedoeld in artikel 6:159 BW dan wel van een cessie van deze vordering als bedoeld in artikel 3:94 BW, waarvoor een akte plus medewerking van respectievelijk mededeling aan [gedaagde] was vereist. Indien aan deze vereisten niet is voldaan, is de vordering bij [eiseres] gebleven.

5.5

Naar de rechtbank begrijpt uit de bij conclusie van repliek in conventie door [eiseres] in het geding gebrachte (niet gedateerde) akte van retrocessie zijn de vorderingen van [eiseres] handelende onder de naam [bedrijf 2], waaronder die op [gedaagde], na de inbreng van de onderneming van haar in [bedrijf 5] en de wijziging van de naam in [bedrijf 4], gecedeerd aan [bedrijf 4], van welke cessie op 26 september 2006 mededeling is gedaan aan [gedaagde]. Deze mededeling heeft [gedaagde] echter kennelijk niet ontvangen, zodat deze cessie jegens haar niet rechtsgeldig is. Derhalve was, ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding d.d. 28 september 2006, [eiseres] vorderingsgerechtigd. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen heeft [eiseres] meegedeeld dat de vordering op [gedaagde] op 4 juni 2007 (opnieuw) is gecedeerd aan [bedrijf 4], maar met het oog op deze procedure bij voornoemde akte op 2 juli 2007 is (terug) gecedeerd aan [eiseres]. Of de gestelde cessie en retrocessie rechtsgeldig zijn, is vooralsnog niet vast komen te staan: van de cessie d.d. 4 juni 2006 is geen akte in het geding gebracht, zodat niet vaststaat dat retrocessie mogelijk was en de wel in het geding gebrachte akte van retrocessie is niet gedateerd, zodat niet vast is komen te staan of (indien deze retrocessie mogelijk was) daarvan al mededeling ter comparitie van partijen d.d. 3 juli 2007 kon worden gedaan. Deze rechtsgeldigheid kan echter in het midden blijven, omdat - voor zover geen sprake is geweest van een cessie en retrocessie, de vordering bij [eiseres] is gebleven.

5.6

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat de stapel facturen als in het geding gebracht bij akte overlegging producties ten behoeve van de comparitie van partijen, waarop staat aangegeven dat zij afkomstig zijn van [bedrijf 2], valselijk zijn opgesteld kennelijk door het bijplakken van de letters “i.o.”, omdat zij deze facturen van deze afzender nooit heeft ontvangen. Naar zij stelt, heeft zij uitsluitend facturen van [bedrijf 4] ontvangen, met welke partij zij echter nooit zaken heeft gedaan. Van haar kan niet worden verwacht aan een ‘spookpartij’ te betalen. Nu zij ook nimmer namens [bedrijf 2] is gemaand, is de vordering volgens haar bovendien verjaard op grond van artikel 32 CMR.

5.7

Uit de over en weer in het geding gebrachte stukken blijkt dat [bedrijf 2] vrijwel vanaf het begin - en dus nog voordat formeel sprake was van een B.V. met deze naam - naar buiten toe is opgetreden onder de naam [bedrijf 4] Dit blijkt onder meer uit de vele e-mails die in de jaren 2005 en 2006 door de heer J. [persoon 1] naar [gedaagde] zijn verstuurd in verband met de openstaande facturen, waarbij altijd onderaan de naam [bedrijf 4] is vermeld. Daar is door [gedaagde] nimmer tegen geprotesteerd. Sterker nog, ook [gedaagde] stuurde haar brieven naar [bedrijf 4] en niet naar [bedrijf 2], hetgeen onder meer blijkt uit haar schrijven van 29 juni 2006 (ook toen was formeel nog geen sprake van een B.V. met deze naam) waarin [gedaagde] toezegt de facturen met voorrang te zullen laten passeren. Met de hier genoemde facturen doelt [gedaagde] kennelijk op facturen eveneens gestuurd op naam van [bedrijf 4] waarvan ook nog een groot aantal door [eiseres] is overgelegd bij conclusie van repliek in conventie. Deze laatste facturen zijn met uitzondering van het ontbreken van de toevoeging “i.o.” in de aanhef identiek aan de eerder bij akte door [eiseres] overgelegde facturen met dezelfde nummers. Gelet op het voorafgaande moet er in rechte vanuit worden gegaan dat het [gedaagde] steeds duidelijk is geweest dat de wel door haar ontvangen facturen van [bedrijf 4] - hetgeen, nu zij de ontvangst daarvan van deze afzender niet heeft betwist, geldt voor alle aan de vordering ten grondslag liggende facturen - alsmede de sommatie d.d. 13 juli 2006 zijn verstuurd namens [bedrijf 2] Het verweer dat sprake is van een ‘spookpartij’ dient dan ook te worden verworpen.

5.8

Het beroep op verjaring treft ten dele doel. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 32 lid 1 aanhef en onder c CMR verjaart de vrachtvordering door verloop van 15 maanden na het sluiten van de vervoerovereenkomst. Of de verjaring is gestuit, wordt ingevolge het derde lid beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is, derhalve door de bepalingen ter zake als opgenomen in het BW. Uit hoofde van het bepaalde in artikel 3:317 lid 1 BW heeft te gelden dat de verjaring wordt gestuit door een schriftelijke aanmaning. Vaststaat dat in casu een schriftelijke aanmaning is verstuurd op 13 juli 2006, zodat daarmee de verjaring is gestuit van alle vorderingen betrekking hebbende op het vervoer van na 13 april 2006. Nu vervolgens een dagvaarding is uitgebracht op 28 september 2006 is van verjaring van deze vorderingen geen sprake. Dit is echter anders voor zover de vordering betrekking heeft op het vervoer waartoe opdracht is gegeven vóór 13 april 2006. Hierop hebben (uitsluitend) de facturen met de nummers 9, 10 en 11 totaal ten bedrage van € 23.792,43 betrekking. Wat er zij van de vraag door wie de opdracht tot dit vervoer is gegeven, partijen zijn het erover eens dat het vervoer waarop deze facturen zien heeft plaatsgevonden in maart 2005, zodat de vorderingen ter zake in beginsel reeds in juni 2006 waren verjaard. Ter stuiting daarvan kan voornoemde sommatie dan ook niet dienen. Nu gesteld noch gebleken is dat de verjaring van deze vorderingen op andere wijze zou zijn gestuit, heeft met betrekking hiertoe te gelden dat het beroep op verjaring slaagt, zodat de vordering voor zover hierop betrekking hebbende zal worden afgewezen.

omvang vordering

5.9

[gedaagde] heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen erkend ter zake van vervoerswerkzaamheden door [bedrijf 2] een bedrag van € 41.194,82 verschuldigd te zijn.

5.10

De vordering is voor het meerdere door [gedaagde] betwist. Haar commentaar op de gevorderde deelbedragen heeft zij per factuur kort aangegeven op het door [eiseres] opgestelde debiteurenoverzicht. [eiseres] heeft vervolgens daar haar reactie aan toegevoegd en overgelegd als productie 2 bij conclusie van repliek in conventie. Hierna zal worden ingegaan op de naar aanleiding hiervan ter discussie staande deelbedragen onder verwijzing naar de op deze overzichten genoemde factuurnummers.

5.11

Het verweer van [gedaagde] met betrekking tot de facturen met de nummers 9,10 en 11 met factuurdatum 5 april 2005, totaal ten bedrage van € 23.792,43 kan buiten bespreking blijven, nu - zoals hiervoor onder 5.8 reeds is overwogen - de vordering voor zover hierop betrekking hebbende is verjaard.

5.12

Het verweer van [gedaagde] dat zij de factuur met nummer 242 ten bedrage van € 1.977,68 nimmer heeft ontvangen, wordt verworpen op grond van hetgeen hiervoor onder 5.7 reeds is overwogen.

5.13

[gedaagde] heeft bij een aantal facturen aangegeven dat deze dubbel zijn gefactureerd. In reactie daarop heeft [eiseres] op het overzicht opgemerkt te erkennen dat in totaal ter zake van de facturen met de nummers 243, 244, 245, 258, 262, 263, 274, 280, 282, 282 en 284 een bedrag van € 2.417,40 te veel is gefactureerd. Dit bedrag strekt dan ook in mindering op het door haar totaal gevorderde bedrag aan hoofdsom.

Dat de facturen met de nummers 285, 286 en 287 reeds volledig zijn gefactureerd bij factuur 245 respectievelijk 235 heeft [eiseres] niet meer weersproken, terwijl de door [gedaagde] genoemde ordernummers inderdaad op genoemde eerdere facturen in rekening lijken te zijn gebracht. De vordering voor zover hierop betrekking hebbende, derhalve tot een bedrag van ( € 129,50 + € 263,85 + € 388,50=) € 781,94, zal dan ook worden afgewezen.

Het om voornoemde reden totaal af te wijzen deel van de vordering komt daarmee op (€ 2.417,40 + € 781,94 =) € 3.199,34.

5.14

[gedaagde] stelt dat de op factuur met nummer 256 bedoelde transportkosten volgens ‘co-maker’ 48787 waren voorzien op een bedrag van € 1.081,70 en niet op het gevorderde bedrag van € 1.325,18. Volgens [eiseres] betreft het bedrag van € 243,48 extra kosten, hetwelk [gedaagde] op haar beurt heeft betwist.

Op [eiseres] rust, gelet op de betwisting door [gedaagde], de bewijslast van haar stelling dat deze extra kosten ten bedrage van € 243,48 voor rekening van [gedaagde] komen. Zij zal worden toegelaten tot het bewijs daarvan.

5.15

Het bedrag van € 3.950,- als in rekening gebracht bij factuur met nummer 259 betreffende de administratiekosten voor de heer Leirissa stelt [gedaagde] niet verschuldigd te zijn, omdat Leirissa in april 2006 de containers heeft gestolen.

Dit verweer faalt, nu [gedaagde] niet heeft betwist dat zij in beginsel gehouden is deze kosten te voldoen en de omstandigheid dat Leirissa mogelijk de containers onrechtmatig onder zich heeft gehouden (waarover nader in reconventie) op zichzelf niet kan leiden tot de conclusie dat [gedaagde] van haar betalingsverplichting ter zake is ontslagen.

5.16

Partijen twisten voorts nog over het op de facturen met de nummers 264 t/m 273, 274 t/m 278, 283 en 285 t/m 290 in rekening gebrachte bedrag van € 125,- . Naar [eiseres] heeft gesteld, is [gedaagde] ter zake van de aldaar bedoelde order € 125, - in plaats van het gebruikelijke tarief van € 51,- voor overlaadwerkzaamheden verschuldigd, omdat in deze gevallen geen sprake was van ‘aanvullende’ transporten volgend op die binnen de Maasvlakte. [gedaagde] heeft echter betwist dat tussen partijen is overeengekomen dat zij in die situatie een bedrag van € 125,- diende te betalen.

Nu - zoals hiervoor onder 5.13 reeds is overwogen - de gevorderde bedragen bij facturen met de nummers 285, 286 en 287 in zijn geheel dienen te worden afgewezen, ziet het geschil hier nog op totaal 18 facturen.

5.17

Nu op [eiseres] de bewijslast rust van de door haar gestelde afspraak dat zij € 125,- in rekening mocht brengen voor transporten binnen de Maasvlakte waarbij geen sprake was van zogenoemde ‘aanvullende’ ritten zal zij worden toegelaten tot het bewijs daarvan.

5.18

Voor het overige acht de rechtbank de door [gedaagde] gemaakte korte kanttekeningen bij het overzicht van [eiseres] zonder nadere toelichting daarop niet begrijpelijk, zodat

de vordering voor het overige als onvoldoende gemotiveerd betwist voor toewijzing gereed ligt.

5.19

De rechtbank overweegt reeds thans dat de deelvorderingen tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom en buitengerechtelijke kosten te begroten op basis van Voorwerk II, als onbetwist voor toewijzing gereed liggen, althans voor zover de hoofdvordering toewijsbaar zal blijken te zijn.

beroep verrekening

5.20

[gedaagde] komt geen beroep op verrekening toe, nu de vordering in reconventie - zoals hierna zal blijken - niet voor toewijzing vatbaar is.

5.21

Houdt iedere verdere beslissing aan.

in reconventie voorts

5.22

De conclusie van antwoord in reconventie die [eiseres] bij schrijven van 22 juni 2007 in het geding heeft gebracht, is - naar de rechtbank begrijpt - met het oog op de hiervoor onder 5.4 reeds aan de orde gekomen (gestelde) cessie van 7 juni 2007 genomen namens [bedrijf 4], die echter formeel geen procespartij was. Bij conclusie van dupliek in reconventie heeft zij deze conclusie nogmaals integraal overgelegd namens [bedrijf 2] Op de inhoud daarvan heeft [gedaagde] bij conclusie van repliek in reconventie reeds kunnen reageren, hetgeen zij ook heeft gedaan. Aan het betoog van [gedaagde] dat de inhoud daarvan buiten beschouwing dient te blijven en zij in de gelegenheid zou moeten worden gesteld daarop alsnog inhoudelijk te reageren, gaat de rechtbank dan ook voorbij.

5.23

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] , althans werknemers van [bedrijf 2], een oplegger en de hiervoor onder 2.7 genoemde negen containers van Lyondell, waarvan vijf beladen met styreen, op 27 april 2006 heeft opgeslagen en weigerde af te geven in afwachting van betaling door [gedaagde]. Partijen verschillen van mening over de vraag of dit rechtens was toegestaan.

5.24

[gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat sprake is van onrechtmatig handelen welk handelen [eiseres] is toe te rekenen, omdat zij direct en bewust opdracht zou hebben gegeven aan de medewerkers van [bedrijf 2] om de containers en oplegger te ontvreemden. Nu de B.V. i.o. niet meer bestaat, is [eiseres] volgens [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk voor de door haar en door Lyondell geleden schade.

[eiseres] heeft betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld. [eiseres] had de containers en oplegger onder zich op grond van vervoersovereenkomsten met [gedaagde]. Omdat [gedaagde] weigerde openstaande facturen in verband met eerdere door [eiseres] uitgevoerde vervoerswerkzaamheden te betalen, was zij gerechtigd haar verplichting tot afgifte van de containers op te schorten totdat haar vorderingen zouden zijn voldaan op grond van de algemene bepaling van artikel 3:291 lid 2 BW.

Dit laatste is door [gedaagde] weersproken, onder verwijzing naar artikel 8:1131 lid 2 BW. Volgens haar is een beroep op het retentierecht niet mogelijk omdat tussen partijen geen vervoerovereenkomst bestond ter zake van de litigieuze containers en de oplegger en zo dit wel het geval is geweest, geldt dat de facturen daarvoor nog niet waren verstuurd.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

5.25

Op [gedaagde] rust de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat [eiseres] de containers en oplegger heeft ontvreemd. Nu dit door [eiseres] gemotiveerd is betwist, had het op de weg van [gedaagde] gelegen haar stellingen op dit punt nader feitelijk te onderbouwen. Het uitspreken van een enkel vermoeden dat bedrog is gepleegd door het aanmaken van opdrachten, is daartoe onvoldoende. Nu [gedaagde] haar stellingen niet feitelijk heeft onderbouwd, heeft zij niet voldaan aan haar stelplicht en is bewijslevering op dit punt niet aan de orde. Daarop strandt diefstal als grondslag van de vordering.

5.26

De vraag of [eiseres] ter zake van de containers en de oplegger een retentierecht toekomt, moet - nu gesteld noch gebleken is dat partijen contractuele regeling ter zake zijn overeengekomen - worden beantwoord uitsluitend aan de hand van artikel 8:1131 lid 2 BW, nu deze bepaling als ‘lex specialis’ voor het vervoer met een beperktere strekking een beroep op het algemene retentierecht als neergelegd in artikel 3:291 BW uitsluit. Op grond hiervan kan de vervoerder het retentierecht slechts inroepen voor hetgeen hem verschuldigd is of zal worden ter zake van het vervoer van die zaken die zijn vervoerd onder de vervoerovereenkomst waaruit de vordering voortvloeit.

5.27

[eiseres] heeft ter nadere onderbouwing van haar stelling dat zij de zaken onder zich hield uit hoofde van een vervoerovereenkomst een aantal vrachtbrieven in het geding gebracht, waarvan vijf betrekking hebben op vervoer binnen de Maasvlakte van de litigieuze containers met styreen voor Lyondell, die kort tevoren, namelijk op 25 dan wel 26 april 2006 afgeleverd hadden moeten worden (met de nrs. 801439-1, 801437-0, 801469-0, 801440-5 en 801425-7). Een vrachtbrief van een zesde container met nummer 801483-2 is niet in het geding gebracht, maar uit de bij deze kennelijk laatste opdrachten behorende factuur met nummer 290 staat het vervoer van deze container wel genoemd. Op de vrachtbrieven staat [bedrijf 2] niet vermeld als vervoerder; uitsluitend [gedaagde] staat als zodanig aangeduid. Dat het vervoer ter zake wel is uitbesteed aan [bedrijf 2] acht de rechtbank - anders dan [gedaagde] - wel aannemelijk geworden nu partijen een duurzame relatie hadden betreffende het (onder)vervoer van de Lyondell containers en [gedaagde] de bij deze vrachtbrieven behorende factuur met nummer 290 niet heeft betwist om reden dat zij deze werkzaamheden niet zou hebben opgedragen. Bovendien valt het feit dat [bedrijf 2] niet is ingevuld op de vrachtbrief niet aan [eiseres] te verwijten, nu gesteld noch gebleken is dat laatstgenoemde de vrachtbrief met de aflader heeft opgemaakt, terwijl uit de vrachtbrieven lijkt af te leiden dat deze door [gedaagde] en Lyondell zijn opgemaakt. Nu bovendien onvoldoende is gesteld en niet is gebleken dat [eiseres] de overige zaken op niet legitieme wijze onder zich heeft verkregen (zie ook r.o. 5.25), gaat de rechtbank ervan uit dat [eiseres] alle teruggehouden zaken krachtens vervoerovereenkomst onder zich had.

Het voorafgaande leidt er toe dat [eiseres] wel een retentierecht toekwam, zij het uitsluitend met betrekking tot het door [gedaagde] verschuldigde uit hoofde van voornoemde transporten op 25 en 26 april 2006. Dat de factuur ter zake nog niet was verstuurd, kan daaraan niet afdoen nu - gelet op de in artikel 8: 1131 lid 2 BW opgenomen bewoordingen “verschuldigd is of zal worden”- niet is vereist dat de vordering uit de vervoerovereenkomst opeisbaar moet zijn. Aangenomen moet worden dat [eiseres] het retentierecht ook ter zake hiervan en dus niet alleen ter zake van de openstaande vorderingen uit het verleden heeft ingeroepen, nu [gedaagde] het door [eiseres] gestelde dat zij het retentierecht destijds heeft ingeroepen en de zaken had opgeslagen “in afwachting van hetgeen door [gedaagde] aan haar verschuldigd was of zou worden ter zake van het vervoer van deze zaken” onweersproken heeft gelaten.

5.28

Een en ander leidt tot de slotsom dat [eiseres] op 27 april 2006 gerechtigd was de negen containers en oplegger onder zich te houden, zodat de vordering als ongegrond zal worden afgewezen.

5.29

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij bij eindvonnis worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie.

6. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

alvorens verder te beslissen,

draagt [eiseres] op het bewijs van haar stellingen:

- dat een bedrag van € 243,48 op factuurnummer 256 ziet op extra kosten die voor rekening van [gedaagde] komen;

- dat partijen zijn overeengekomen dat zij [gedaagde] € 125,- in rekening mocht brengen voor transporten binnen de Maasvlakte waarbij geen sprake was van zogenoemde ‘aanvullende’ ritten als bedoeld in r.o. 5.16.

bepaalt dat indien [eiseres] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. G.J. Heevel;

bepaalt dat de advocaat van [eiseres] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden maart, april en mei 2009 en dat de advocaat van [gedaagde] binnen dezelfde termijn opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

in reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel.

Uitgesproken in het openbaar.

1295/1515/1928