Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH3162

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-01-2009
Datum publicatie
17-02-2009
Zaaknummer
AWB 08/1817 WRO-T1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tijdelijke vrijstelling verleend voor plaatsen bibliotheek. Verweerder is zorgvuldig te werk gegaan en heeft er blijk van gegeven de belangen op evenwichtige wijze te hebben afgewogen. Maatschappelijk belang weegt niet ten onrechte voor verweerder zwaarder dan de tijdelijke aantasting van de belangen van omwonenden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/1817 WRO-T1

Uitspraak in het geding tussen

de vereniging Huurders Platform Lombardijen, gevestigd te Rotterdam, eiseres,

gemachtigde [naam], voorzitter,

en

het dagelijks bestuur van de deelgemeente IJsselmonde, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 19 oktober 2007 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder aan Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam (hierna: vergunninghouder) met toepassing van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verder: WRO), in samenhang met artikel 45 van de Woningwet, vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het tijdelijk plaatsen van een bibliotheek aan de Guido Gezelleweg 22 te Rotterdam, voor een termijn van drie jaar.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 november 2007 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 16 januari 2008 heeft verweerder het primaire besluit nagenoeg herhaald, doch in die zin aangepast dat daarin wordt vermeld dat de zienswijzen van eiseres ongegrond zijn verklaard.

Bij besluit van 4 maart 2008, verzonden op 13 maart 2008, heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken, het besluit van 16 januari 2008, met aanpassing van de motivering, in stand gelaten en de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 22 april 2008 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 3 juni 2008 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 november 2008. Voor eiseres is haar secretaris [naam] verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.A. Karreman.

2 Overwegingen

Per 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.5.1 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: Invoeringswet Wro) blijft de Woningwet zoals die gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een besluit omtrent een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet waarvan de aanvraag is ingekomen voor dat tijdstip.

Ingevolge artikel 9.1.9, tweede lid, van de Invoeringswet Wro blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van toepassing ten aanzien van een vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO, waarvan het verzoek is ingediend vóór dat tijdstip.

De onderhavige aanvraag om bouwvergunning (en vrijstelling) is bij verweerder in april 2007 ingekomen, zodat in het onderhavige geval, voor zover het de Woningwet en de WRO betreft, het recht van toepassing is zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Wro. In het navolgende wordt dan ook uitgegaan van de wettelijke bepalingen ten tijde hier van belang.

Ingevolge artikel 40 van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, mag en moet een reguliere bouwvergunning alleen worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na een mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaar belopen.

Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan artikel 17 van de WRO wordt toegepast, een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.

Krachtens artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 kan vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de wet slechts worden verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven.

De raad van de gemeente Rotterdam heeft in artikel 30, tweede lid, van de Verordening op de deelgemeenten juncto onderdeel VI van de lijst van bevoegdheden behorende bij deze Verordening, de bevoegdheden van burgemeester en wethouders van Rotterdam met betrekking tot artikel 17 van de WRO alsmede tot artikel 40, juncto artikel 44 van de Woningwet toegekend aan verweerder.

Op de locatie van de (wijk)bibliotheek Lombardijen (Dantestraat/Catallusweg) zal het Educatief Centrum Lombardijen (ECL) worden gerealiseerd, waarin onder meer ook de wijkbibliotheek zal worden gehuisvest. Om de bouw van het ECL mogelijk te maken dient de wijkbibliotheek tijdelijk elders te worden gehuisvest. Verweerder heeft daarbij het perceel achter de Catamaranschool gelegen aan de Guido Gazelleweg 22 op het oog. Vergunninghouder heeft daartoe een bouwaanvraag ingediend. Deze ziet op een bibliotheek van 1 bouwlaag, met een instandhoudingstermijn voor drie jaren. De gronden waarop het bouwplan rust zijn gelegen in het bestemmingsplan “Lombardijen, eerste herziening” en hebben daarin de bestemming “park en plantsoen”. Het bouwplan is in strijd met artikel 35, tweede lid, van de bij dit bestemmingsplan behorende bebouwingsvoorschriften, omdat uitsluitend in de bestemming passende bouwwerken, geen gebouw zijnde, mogen worden gebouwd. Omdat het bouwplan een tijdelijk karakter heeft, heeft verweerder, ten einde het bouwplan toch te kunnen realiseren, besloten aan het bouwplan medewerking te verlenen door middel van een vrijstellingsprocedure met toepassing van artikel 17 van de WRO. Het bouwplan heeft hiertoe gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn heeft eiseres zienswijzen ingediend.

Na ontvangst van een zienswijzenrapportage van de dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting heeft verweerder het primaire besluit genomen. Bij brief van 26 november 2007 heeft eiseres hiertegen bezwaar gemaakt, waarin zij onder meer heeft aangegeven het zeer te betreuren dat verweerder heeft verzuimd te reageren op haar zienswijzen. Hangende dit bezwaar heeft verweerder bij besluit van 16 januari 2008 zijn eerdergenoemde primaire besluit aangepast, in die zin dat er nu wel melding wordt gemaakt van het feit dat er een zienswijze kenbaar is gemaakt. Op 4 september 2007 was besloten om deze ongegrond te verklaren zodat medewerking aan het bouwplan kon worden verleend. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Algemene Bezwarencommissie van 4 februari 2008, het primaire besluit ingetrokken, de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard en het besluit van 16 januari 2008 gehandhaafd.

Verweerder stelt zich bij het bestreden besluit op het standpunt dat de bibliotheek onderdeel uitmaakt van het plan voor het ECL. De bouwvergunning voor dit plan kon toen ieder moment afgegeven worden. Dit gebouw komt op de plek waar de bibliotheek staat. Daarom moet de bibliotheek wijken naar een tijdelijke locatie. Na de bouw van het ECL worden onder andere de bibliotheek en de Catamaranschool hierin gehuisvest en kan de plek van de tijdelijke bibliotheek weer aan het Spinozapark toegevoegd worden. Gelet hierop acht verweerder de tijdelijkheid van het bouwplan voldoende aannemelijk gemaakt. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat aan het belang van de aanwezigheid van een bibliotheek in de wijk Lombardijen groter gewicht dient te worden toegekend dan aan de tijdelijke aantasting van het Spinozapark. Na de bouw van het ECL wordt de situatie weer in overeenstemming met het bestemmingsplan gebracht.

Eiseres betoogt in de eerste plaats dat verweerder ernstig te kort is geschoten nu eerst op 16 januari 2008 haar zienswijze in de besluitvorming is betrokken. De bouw van de tijdelijke bibliotheek was toen al nagenoeg een feit.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat verweerder ingevolge artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) bevoegd is een primair besluit, ondanks een ingediend bezwaar, te wijzigen dan wel in te trekken. Die mogelijkheid staat ook open wanneer de wijziging of intrekking, zoals in dit geval, plaatsvindt naar aanleiding van de constatering dat ten onrechte zienswijzen niet bij het primaire besluit zijn betrokken. Gelet op zowel hetgeen ter zitting door de gemachtigde van verweerder desgevraagd is medegedeeld als de bewoordingen van het besluit van 16 januari 2008 staat naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate vast dat verweerder bij het laatstgenoemde besluit heeft beoogd het primaire besluit te vervangen door een nieuw besluit. Dit wordt bevestigd door het bestreden besluit. Nu ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit geacht wordt (mede) te zijn gericht tegen het nieuwe besluit van 16 januari 2008, heeft het bestreden besluit (mede) daarop betrekking. Bij het (nieuwe (primaire) besluit van 16 januari 2008 heeft verweerder het gebrek ter zake van het niet melden van de ingediende zienswijzen hersteld en is hij inhoudelijk op de zienswijzen van eiseres ingegaan. Aangezien ingevolge artikel 6:16 van de Awb het maken van bezwaar in het onderhavige geschil de werking van het primaire besluit niet heeft geschorst, kan het verweerder niet toegerekend worden dat de bouw van de tijdelijke bibliotheek ten tijde van het besluit van 16 januari 2008 nagenoeg een voldongen feit was. De eventuele negatieve gevolgen, in die zin dat indien er sprake is van een onrechtmatig genomen besluit het inmiddels gerealiseerde bouwwerk moet worden afgebroken, zijn alsdan voor risico van de vergunninghouder.

Tussen partijen is niet in geschil dat het oprichten van de tijdelijke bibliotheek in strijd is met het geldende bestemmingsplan. Teneinde realisering van bedoeld bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft verweerder bij het (nieuwe) ((primaire)) besluit van 16 januari 2008, zoals gehandhaafd bij het bestreden besluit, een (tijdelijke) bouwvergunning, voor een termijn van maximaal drie jaar, verleend met toepassing van de zogeheten vrijstellingsprocedure als bedoeld in artikel 17 van de WRO.

Eiseres betoogt dat door het bouwplan de leefbaarheid en leefkwaliteit in de wijk Lombardijen wordt aangetast. Zij wijst daarbij op de aanbevelingen van de Denktank Lombardijen (verder: Denktank), die een verdere verrommeling van het Spinozapark wil voorkomen en het park en plantsoen wil handhaven.

Dit betoog snijdt naar het oordeel van de rechtbank geen hout. De Denktank is een platform van vertegenwoordigers uit de wijk en is tijdens de voorbereiding van het Masterplan Lombardijen (verder: Masterplan) geconsulteerd. In dat kader heeft de Denktank een integraal advies op het concept-Masterplan uitgebracht, welk advies, zoals verweerder terecht heeft gesteld, niet als een bestuurlijk vastgesteld ruimtelijk document is aan te merken. In het Masterplan, dat door de deelraad is vastgesteld op 21 februari 2008, wordt de planvorming tot 2015 op hoofdlijnen beschreven en wordt een doorkijk gegeven in de gewenste ontwikkelingsrichting tot 2030. Daarbij is onder meer de realisering van het ECL vastgesteld en is uitgesproken dat verregaande bebouwing van het Spinozapark onacceptabel is.

In het licht van het geplande wooncomplex in het Spinozapark met een bouwhoogte van zes lagen, waarin het Masterplan op termijn voorziet, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in dit geval van verregaande bebouwing (dan wel verrommeling) in het park geen sprake is. In dit kader heeft verweerder er ter zitting terecht op gewezen dat de tijdelijke bibliotheek, die achter een reeds bestaande school is geplaatst, een bouwwerk omvat van één bouwlaag met een oppervlakte van circa 320 m2, hetgeen in verhouding tot de oppervlakte van het park, dat circa 70 hectare omvat, een relatief geringe inbreuk is. Daarnaast gaat het hierbij uitdrukkelijk om een als tijdelijk bedoelde afwijking van het bestemmingplan, waarbij het op basis van de gedingstukken vast staat dat bij het gereedkomen van het ECL medio 2010, er geen noodzaak meer is voor de tijdelijke huisvesting van de bibliotheek en het bouwwerk verdwijnt. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard dat de bouw van het ECL nog steeds volgens schema verloopt.

Eiseres betoogt daarnaast dat er sprake is van een onevenwichtige en onzorgvuldige belangenafweging. Verweerders argumentatie, dat aan de aanwezigheid van een bibliotheek in de wijk een groter gewicht moet worden toegekend dan aan de tijdelijke aantasting van het Spinozapark, acht eiseres niet steekhoudend. Immers, binnen de wijk Lombardijen bestaan volgens haar buiten het Spinozapark nog andere opties voor een zodanige tijdelijke voorziening.

Ook dit betoog kan niet slagen. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 juli 2007 in zaak nr. 200607908/1, te vinden op www.raadvanstate.nl) verweerder eerst en vooral heeft te beslissen omtrent het bouwplan zoals dat is ingediend. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank is voorts van oordeel dat in het kader van de belangenafweging meegewogen dient te worden dat er sprake is van een tijdelijke afwijking van het bestemmingsplan. Zowel in het verweerschrift als ter zitting heeft (de gemachtigde van) verweerder op overtuigende wijze de opvatting van eiseres dat er nog andere opties zijn voor een tijdelijke voorziening weersproken. Verweerder kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid betogen dat het belangrijk is dat de bibliotheek wordt gehuisvest op een centrale plaats, zo dicht mogelijk bij de locatie aan de Dantestraat. Dit mede in het belang van het handhaven van de samenwerking met de scholen in Lombardijen. Zeven scholen waar primair onderwijs wordt gegeven bevinden zich op loopafstand van de Dantestaat. Daarnaast heeft verweerder een duidelijke verklaring verstrekt waarom diverse opties niet haalbaar waren voor een tijdelijke vestiging van de bibliotheek. Bezien is onder meer of de bibliotheek gehuisvest kon worden in het voormalige pand van SoZaWe aan de De Mussetstraat, doch daartoe diende dit pand een bovenmatige verbouwing te ondergaan. Het Woonpunt Com.Wonen aan de Dantestraat bleek te klein, terwijl de Goede Herderkerk aan de Guido Gezelleweg geen medewerking wenste te verlenen aan huisvesting van een bibliotheek in haar pand. Andere serieuze opties buiten het park zijn er volgens verweerder niet, hetgeen niet door eiseres is betwist.

Verweerder heeft vervolgens gesteld een drietal locaties in het Spinozapark te hebben onderzocht, waarop door middel van systeembouw in de tijdelijke huisvesting kon worden voorzien. De locatie aan de Spinozaweg, nabij Openbaar Jongerencentrum “Baroeg” bleek geen haalbare kaart, omdat de kosten voor het aanbrengen van de nutsvoorzieningen in geen verhouding staan tot de kosten van de tijdelijke huisvesting en de duur daarvan. Daarnaast is het basketbalveld in het oostelijk gedeelte van het park aan de Catullusweg als mogelijke locatie overwogen, doch vanwege de omstandigheid dat dit terrein zeer regelmatig wordt gebruikt in georganiseerd en ongeorganiseerd verband en verweerder dit terrein niet voor de duur van drie jaar aan de doelgroep wilde onttrekken is van deze locatie afgezien. Uiteindelijk heeft verweerder gekozen voor de locatie van de zogenaamde “paardenbak”. Dit omdat de laatste jaren hiervan door paardenbezitters nog maar sporadisch gebruik wordt gemaakt. Bovendien verzamelde zich hangjeugd op deze plaats en was het mede door de wat weggestopte ligging in het park een enigszins onveilige plek. Voorts had deze locatie het voordeel dat ze strategisch was gelegen ten opzichte van de onderwijsvoorzieningen in de wijk.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat, hoewel tijdig overleg met eiseres er wellicht toe had geleid dat eiseres verweerders keuze meer acceptabel zou hebben gevonden, verweerder zorgvuldig te werk is gegaan en daarbij blijk heeft gegeven op evenwichtige wijze de belangen te hebben afgewogen. Daarbij is tevens van belang dat verweerder zich er rekenschap van heeft gegeven dat het kiezen van deze optie ten koste ging van een viertal bomen en een gedeelte van het bosplantsoen. De rechtbank is verder van oordeel dat het maatschappelijk belang bij het instandhouden van een bibliotheek voor verweerder niet ten onrechte zwaarder weegt dan de tijdelijke aantasting van (het Spinozapark alsmede) de belangen van omwonenden.

Verweerder heeft derhalve na afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid bedoelde vrijstelling kunnen verlenen. In hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat er onvoldoende basis is voor toepassing van artikel 17 van de WRO.

Gegeven de rechtmatigheid van de vrijstelling, diende verweerder - nu van andere in artikel 44 van de Woningwet opgesomde weigeringsgronden niet is gebleken - de gevraagde (tijdelijke) bouwvergunning te verlenen.

Uit het bovenstaande volgt dat het beroep van eiseres ongegrond is.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.I. van Strien, voorzitter, en mr. R.H.L. Dallinga en mr. J.E. Hoitink, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Vermaat, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift is zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: