Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH2256

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-01-2009
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
314980 / HA ZA 08-2232
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak, vraag of dekking van de polis geschorst is in verband met niet betaling premie; opdragen van tegenbewijs aan verzekerde terzake ontvangst van de aanmaning door verzekeraar. Het artikel waarop verzekeraar de schorsing baseert kan niet worden beschouwd als een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:236 sub c BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 314980 / HA ZA 08-2232

Uitspraak: 28 januari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.J. Noteboom,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS B.V. in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van de risicodrager SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ ERASMUS N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. de Lange.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "Erasmus".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 4 september 2008 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 12 november 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 10 december 2008;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [eiser] overgelegde

producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiser] heeft in 2003 een motorboot gekocht waarvoor hij een pleziervaartuigenverzekering (hierna: de verzekering) heeft afgesloten bij Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V.

2.2 De bij de verzekering horende polisvoorwaarden luiden, voor zover van belang, als volgt:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze voorwaarden wordt verstaan onder:

1.1 Verzekeraar

Schadeverzekering Maatschappij Erasmus B.V. als gevolmachtigde van de risicodrager Schadeverzekering Maatschappij Erasmus N.V.

1.10 Vaartuig

Onder het vaartuig wordt verstaan het in het polisblad omschreven vaartuig met de gehele daarbij behorende standaarduitrusting en verdere toebehoren en, indien medeverzekerd, de motor en/of de bij het vaartuig behorende volgboot. (…)

Artikel 5 Premie

5.1 Premiebetaling

Verzekeringnemer dient de premie (…) vooruit te betalen op de premievervaldatum.

5.2 Niet tijdig betalen van premie en kosten:

5.2.3 indien verzekeringnemer de vervolgpremie niet tijdig betaalt, wordt geen dekking verleend ten aanzien van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vanaf de vijftiende dag nadat verzekeraar verzekeringnemer na de vervaldag schriftelijk heeft aangemaand en betaling is uitgebleven;

2.3 [eiser] had de premie voor 2007/2008 niet op de premievervaldatum, te weten 29 mei 2007, betaald. Op 8 augustus 2007 heeft [eiser] de premie alsnog voldaan.

2.4 Op of vlak voor 9 augustus 2007 is de motorboot gestolen, evenals de inboedel, accessoires en de trailer.

2.5 Volgens het verkort expertiserapport (pleziervaart) d.d. 15 oktober 2007 (hierna: het expertiserapport) is de dagwaarde van de motorboot € 17.540,-, de dagwaarde van de ski’s, zwemvesten, slider, sliderlijn en slider driehoek € 549,-, de dagwaarde van de inboedel

€ 479,-, de dagwaarde van de overige inboedel € 975,- en de dagwaarde van de trailer

€ 2.290,-.

2.6 [eiser] heeft Erasmus tevergeefs verzocht zijn in verband met de diefstal geleden schade te vergoeden op grond van de verzekering.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Erasmus te veroordelen om aan [eiser] te betalen € 28.500,-, althans een door de rechtbank vast te stellen schadebedrag, althans de zaak te verwijzen naar een schadestaatprocedure voor de nadere vaststelling van de schade, met rente en (buitengerechtelijke) kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiser] heeft recht op uitkering onder de verzekering nu hij in verband met de diefstal van de motorboot, trailer, inboedel en accessoires schade heeft geleden.

3.2 De hoogte van de door [eiser] geleden schade volgt uit het expertiserapport. De totale schade moet worden vermeerderd met de wettelijke rente. De redelijke kosten die [eiser] ter voldoening buiten rechte heeft moeten maken, moeten worden begroot op het bedrag van € 3.000,-.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] bij vonnis in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Erasmus daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Erasmus heeft in verband met het feit dat [eiser] op de premievervaldatum zijn premie voor 2007/2008 niet had voldaan [eiser] op 18 juni 2007 schriftelijk aangemaand. Toen betaling uitbleef is de dekking met ingang van vijftien dagen na aanmaning opgeschort, te weten vanaf 3 juli 2007. De dekking van de verzekering herleefde pas weer een dag na ontvangst van de betaling van de premie en dat was in casu 10 augustus 2007. Ten tijde van de diefstal van de motorboot bood de verzekering [eiser] mitsdien geen dekking.

4.2 De schade is in overleg tussen partijen, onder voorbehoud van dekking, vastgesteld op

€ 19.543,- zoals blijkt uit het expertiserapport. De trailer is niet meeverzekerd zodat de diefstal daarvan niet onder de dekking van de verzekering valt. Voorts worden de door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten betwist evenals de ingangsdatum van de wettelijke rente.

5 De beoordeling

5.1 Tussen partijen is in geschil of Erasmus terecht de dekking van de verzekering op grond van artikel 5.2.3 van de polisvoorwaarden heeft geschorst vanaf 3 juli 2007 tot 10 augustus 2007. In dit kader is allereerst van belang of en, zo ja wanneer, de aanmaningsbrief die Erasmus in verband met de niet tijdig betaalde premie op 18 juni 2007 naar [eiser] stelt te hebben gestuurd, [eiser] heeft bereikt.

5.2 Erasmus, op wie ingevolge artikel 3:37 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) de stelplicht en bewijslast van de ontvangst van de aanmaningsbrief door [eiser] ligt, heeft daartoe in haar conclusie van antwoord uiteengezet hoe haar automatische premie-incassosysteem werkt. Volgens Erasmus wordt, bij niet tijdige betaling van de premie, automatisch na een vaste periode, te weten twintig dagen na de premievervaldatum, de eerste aanmaning verzonden, waarin tevens op de consequenties van niet tijdige betaling van de premie wordt gewezen. De eerste aanmaning aan [eiser] moet mitsdien op 18 juni 2007 zijn verzonden, aldus Erasmus. Dit volgt ook uit de door [eiser] tijdens de comparitie van partijen overgelegde brief die hij naar eigen zeggen eerst begin augustus 2007 heeft ontvangen van Erasmus. Deze brief was gedateerd op 18 juni 2007. Naar aanleiding van de door [eiser] overgelegde brief heeft Erasmus ter comparitie aangevoerd dat een eenmaal aangemaakte brief direct wordt verzonden en, zo begrijpt de rechtbank de stelling van Erasmus, kort nadien door [eiser] moet zijn ontvangen. Van antidatering van de brief kan volgens Erasmus geen sprake zijn. Haar premie-incassosysteem is een waterdicht systeem, aldus nog steeds Erasmus.

5.3 Ter betwisting van de werking van het premie-incassosysteem van Erasmus heeft [eiser] aangevoerd dat een automatisch sommeringssysteem niet heilig is en ook fouten maakt, alsmede dat hij de aanmaning eerst begin augustus 2007 heeft ontvangen, waarvan hij bewijs heeft aangedragen.

5.4 In aanmerking nemende dat [eiser] een aanmaningsbrief van Erasmus heeft kunnen overleggen die is gedateerd op 18 juni 2007 alsmede gelet op de wijze waarop de posbezorging in Nederland normaliter plaatsvindt, acht de rechtbank voorshands bewezen de stelling van Erasmus dat zij de brief op 18 juni 2007 heeft verzonden en dat deze brief [eiser] één of enkele dagen daarna heeft bereikt. [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs te leveren tegen voormelde voorshands als bewezen aangenomen stelling.

5.5 Indien [eiser] slaagt in het leveren van tegenbewijs kan niet worden vastgesteld dat [eiser] is aangemaand tot betaling van de premie, en op of omstreeks 18 juni 2007 is gewezen op de consequenties van het achterwege blijven van die betaling, zodat Erasmus in dat geval in casu geen beroep toekomt op artikel 5.2.3 van de polisvoorwaarden. Het verweer van Erasmus, dat [eiser] aan de verzekering geen rechten kan ontlenen omdat ten tijde van de diefstal de dekking geschorst was, nu [eiser] de door hem verschuldigde premie niet tijdig had betaald, zal in dat geval dan ook falen. [eiser] heeft mitsdien in die situatie recht op vergoeding van de schade die hij in verband met de diefstal heeft geleden.

5.6 Tussen partijen is terzake de uitkering van de schade in geschil of de diefstal van de trailer eveneens onder de dekking van de verzekering valt. Nu de stellingen van partijen op dit punt nog niet voldoende uitgekristalliseerd zijn zal de rechtbank eerst [eiser] en vervolgens Erasmus de gelegenheid geven hun terzake ingenomen stellingen nader toe te lichten en te onderbouwen bij (antwoord)conclusie na enquête.

5.7 Indien [eiser] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs geldt dat de stelling van Erasmus, dat zij [eiser] op 18 juni 2007 een aanmaning tot betaling van de premie voor 2007/2008 heeft gestuurd, hem daarbij heeft gewezen op de consequenties van het achterwegen blijven van premiebetaling en deze aanmaning [eiser] één dag of enkele dagen na 18 juni 2007 heeft bereikt, komt vast te staan. Erasmus heeft in dat geval terecht de dekking van de verzekering geschorst ingevolge artikel 5.2.3 van de polisvoorwaarden nu vast staat dat [eiser] niet binnen 15 dagen na aanmaning op of omstreeks 18 juni 2007 de premie had voldaan. Vervolgens zal de stelling van [eiser] aan de orde komen dat Erasmus geen beroep mag doen op voornoemd artikel. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

5.8 [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling, dat artikel 5.2.3 op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten toepassing moet blijven, als omstandigheid aangevoerd dat hij enkel begin augustus 2007 een brief heeft ontvangen van Erasmus. Wanneer [eiser] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs kan hij niet in deze stelling worden gevolgd. Voorts voert [eiser] in dit verband als omstandigheid aan dat Erasmus hem een termijn had moeten geven om zijn verplichtingen na te komen en dat Erasmus [eiser] had moeten wijzen op de gevolgen van te late betaling. Uit de door [eiser] ter comparitie overgelegde aanmaningsbrief blijkt duidelijk dat Erasmus dat wel gedaan heeft. Immers vermeldt deze brief dat indien [eiser] niet binnen veertien dagen na dagtekening van de aanmaning alsnog tot betaling van de verschuldigde premie is overgegaan, de verzekeringsdekking zal worden opgeschort en dat dit tot gevolg heeft dat de verzekering geen dekking geeft.

Voorts heeft [eiser] als omstandigheid aangevoerd dat de premie is betaald alvorens hij van de diefstal van de motorboot op de hoogte raakte. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze omstandigheid, zelfs indien dit het geval zou zijn, niet tot het oordeel leiden dat een beroep van Erasmus op artikel 5.2.3 voor [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Hetzelfde geldt voor hetgeen [eiser] heeft aangevoerd over het feit dat hij reeds twintig jaar een pleziervaartuigenverzekering heeft en daar reeds twintig jaar voor heeft betaald. Om recht op verzekeringsdekking te hebben, dient [eiser] als verzekeringnemer zich ieder jaar opnieuw aan de polisvoorwaarden te houden. De rechtbank passeert dan ook deze stelling van [eiser].

5.9 Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of artikel 5.2.3 een onredelijk bezwarend beding is, zoals [eiser] heeft gesteld en Erasmus heeft betwist. De rechtbank begrijpt de stelling van [eiser], dat Erasmus op grond daarvan geen beroep op het artikel mag doen, als een beroep op vernietiging van dit artikel op grond van artikel 6:236 sub c juncto artikel 6:233 sub a BW.

5.10 Artikel 5.2.3 van de polisvoorwaarden zou enkel ingevolge artikel 6:236 sub c BW als een onredelijk bezwarend beding kunnen worden beschouwd indien het artikel een aan [eiser] volgens de wet toekomende bevoegdheid tot opschorting van de nakoming uitsluit of beperkt of Erasmus een verdergaande bevoegdheid tot opschorting verleent dan haar volgens de wet toekomt. Tussen partijen is in geschil is of deze laatste situatie zich voordoet.

5.11 Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 7:934 BW vloeit de toelaatbaarheid van bepalingen als het onderhavige artikel 5.2.3 namelijk voort uit voornoemd wetsartikel. De Minister van Justitie heeft hieromtrent het volgende gezegd: “om een (…) effectief wapen tegen premiewanbetaling te hebben, plegen verzekeraars (…) in plaats van een recht tot opschorting een bevoegdheid tot schorsing van de dekking in de polis op te nemen. Dergelijke clausules strekken ertoe dat wanneer de dekking is geschorst, het nadien voldoen van de premie de dekking niet met terugwerkende kracht doet herleven. De dekking herleeft dan eerst vanaf het moment dat de premie wordt voldaan. Artikel 7.17.1.10 (het huidige artikel 7:934 BW, toevoeging rechtbank) is (mede) met het oog op dergelijke clausules geschreven, en reguleert een aldus aan de verzekeraar toekomende bevoegdheid tot schorsing, waarbij ook recht is gedaan aan het belang van de prikkel tot tijdige betaling die met dergelijke clausules wordt beoogd.”

5.12 Op grond van het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 5.2.3 niet is te beschouwen als een clausule die op grond van artikel 6:236 sub c BW als onredelijk bezwarend kan worden beschouwd. Dit leidt tot het oordeel dat, indien [eiser] niet slaagt in het leveren van tegenbewijs, Erasmus zich met succes op artikel 5.2.3 van de polisvoorwaarden kan beroepen en de verzekering van [eiser] van 3 juli 2007 tot 10 augustus 2007 terecht heeft geschorst. [eiser] heeft in dat geval geen recht op schade-uitkering onder de verzekering als gevolg van de diefstal van zijn motorboot omdat de diefstal van de motorboot viel binnen de periode waarin de verzekering was geschorst.

5.13 In afwachting van de levering van tegenbewijs zal de rechtbank iedere nadere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt [eiser] op het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands als bewezen aangenomen stelling van Erasmus dat zij op 18 juni 2007 aan [eiser] een aanmaning heeft verzonden die hem één dag of enkele dagen na voormelde datum heeft bereikt;

bepaalt dat indien [eiser] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. M. Witkamp;

bepaalt dat de advocaat van [eiser] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden februari tot en met mei 2009 en dat de advocaat van Erasmus binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Witkamp.

Uitgesproken in het openbaar.

2054/1582