Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH1782

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-01-2009
Datum publicatie
04-02-2009
Zaaknummer
281273 / HA ZA 07-843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

in conventie: is voldaan aan de vereisten van cessie van de vorderingen van (de inmiddels gefailleerde vennootschap) Qualitax B.V. op Taxilease Rijnmond B.V. ten aanzien van de uitgekeerde schadepenningen uit hoofde van de verzekeringsovereenkomsten voor een aantal van de door Qualitax B.V. van Taxilease Rijnmond B.V. geleasde auto's?

in reconventie: vormen schades aan een aantal andere door Qualitax B.V. bij Taxilease Rijnmond B.V. ingeleverde auto's, die niet door de verzekering zijn gedekt, een boedelschuld in het faillissement van Qualitax B.V.?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 281273 / HA ZA 07-843

Uitspraak: 14 januari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[de curator],

handelend in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap QUALITAX B.V.,

woonplaats kiezende te [woonplaats],

eiser (jegens gedaagde sub 2 in conventie),

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie jegens gedaagde sub 2,

advocaat: [de curator] te Rotterdam,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

V.D.V. VERZEKERING B.V., h.o.d.n. [bedrijf 1],

gedaagde,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TAXILEASE RIJNMOND B.V.,

gedaagde in conventie,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

beide gevestigd te Rotterdam,

advocaat: mr. M.P.G. Rietbergen te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als “de curator” respectievelijk “VDV” en “TLR”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding van 26 maart 2007 met producties;

- de conclusie van antwoord (van gedaagde sub 2 in conventie), tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- het tussenvonnis van deze rechtbank van 1 augustus 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 september 2007;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen genomen conclusie van antwoord in reconventie met één productie;

- de conclusie van repliek met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Bij vonnis van 12 september 2006 is Qualitax B.V. (verder: Qualitax) in staat van faillissement gesteld, met aanstelling van [de curator] tot curator.

2.2 Op de faillissementsdatum bestonden tussen Qualitax en TLR zeven leaseovereenkomsten met betrekking tot de auto’s met kentekens [kenteken 1], [kenteken 2], [kenteken 3], [kenteken 4], [kenteken 5], [kenteken 6] en [kenteken 7].

2.3 Tussen Qualitax en Centraal Beheer Achmea (verder: Achmea) bestonden met betrekking tot de auto’s verzekeringsovereenkomsten. Tussenpersoon bij deze overeenkomsten is VDV. Bij het aangaan van de leaseovereenkomsten is met betrekking tot de auto’s met kentekens [kenteken 2], [kenteken 3] en [kenteken 7] een akte van cessie opgemaakt, waarin alle schadepenningen tijdens de leaseperiode door Qualitax zijn overgedragen aan TLR.

2.4 Op 3 oktober 2006 zijn de leaseovereenkomsten met betrekking tot de auto’s met kentekens [kenteken 2], [kenteken 3] en [kenteken 7] beëindigd. De auto’s zijn ingeleverd bij [bedrijf 2] (verder: [bedrijf 2]), waar de auto’s zijn aangeschaft en tevens in onderhoud waren.

2.5 Na inlevering van de drie in rechtsoverweging 2.4 bedoelde auto’s heeft [persoon 1] namens Qualitax 12 schadeformulieren ondertekend. Bij facturen van 27 oktober 2006 (zes stuks) respectievelijk 31 oktober 2006 (twee stuks) is ter zake van schade aan deze auto’s door [bedrijf 2] een totaalbedrag van € 20.933,31 aan Qualitax in rekening gebracht. Dit bedrag is door Achmea via VDV uitbetaald aan TLR.

2.6 Op 1 december 2006 zijn de leaseovereenkomsten met betrekking tot de vier andere auto’s beëindigd. [bedrijf 2] heeft ook aan deze auto’s schade geconstateerd. Namens de curator zijn door [persoon 2] innameformulieren ondertekend, die een geschat totaalbedrag aan schade van € 17.300,00 vermelden. Deze schade is niet aan een incident toe te rekenen of valt onder het eigen risico en zal daarom niet door Achmea worden vergoed.

3 De stellingen van partijen in conventie

3.1 De gewijzigde vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat de schadepenningen in verband met schade aan door Qualitax verzekerde taxi’s ex artikel 3:287 BW aan de boedel toekomen;

- VDV en TLR hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan de curator van een bedrag van

€ 20.933,31, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente over dit bedrag vanaf

6 november 2006, althans vanaf de eerst mogelijke datum, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, eveneens te vermeerderen met een bedrag van € 1.158,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

met hoofdelijke veroordeling van VDV en TLR in de kosten en de nakosten van het geding.

3.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft de curator aan de vordering - zakelijk weergegeven - de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

3.2.1 Qualitax heeft als verzekerde een aanspraak op Achmea in verband met de schade aan de drie op 3 oktober 2006 ingeleverde auto’s. Deze schade ad € 20.933,31 moet aan de boedel worden betaald, waarna TLR als benadeelde partij op grond van artikel 3:287 BW een voorrecht op de opbrengst heeft.

3.2.2 Anticiperend op het door VDV en TLR te voeren verweer heeft de curator het volgende aangevoerd. Van een afspraak tussen de curator en [persoon 3] namens VDV en TLR, die inhield dat de schade door Achmea aan [bedrijf 2] moest worden betaald, is geen sprake. De wettelijke rangorde van schuldeisers bij een faillissement kan niet op grond van de redelijkheid en billijkheid opzijgezet worden. Van een rechtsgeldige cessie is ingevolge artikel 35 Faillissementswet (verder: Fw) geen sprake, nu op de faillissementsdatum niet aan alle vormvereisten voor een geldige cessie is voldaan. Immers, de aktes van cessie dateren van 1 augustus 2005 terwijl Qualitax eerst op 31 maart 2006 is opgericht, de formulering van het object van de cessie is gebrekkig en van de cessie heeft geen mededeling aan Achmea plaatsgevonden.

3.3 Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

3.4 VDV en TLR hebben daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd.

3.4.1 Naar aanleiding van de ingeleverde schadeformulieren heeft Achmea TLR schadeloos gesteld. Daartoe was Achmea gerechtigd ingevolge de cessie, die wel degelijk rechtsgeldig is. Dat in de aktes van cessie is weggevallen dat het om Qualitax in oprichting ging, doet niet af aan het feit dat duidelijk is om welke partij het gaat. De tekst van de cessie is helder en duidelijk en de cessie is aan Achmea medegedeeld. In deze geldt elke mededeling aan VDV als een mededeling aan Achmea. Achmea heeft bovendien conform de cessie eerdere schadegevallen afgehandeld.

3.4.2 De curator heeft geen recht op de verzekeringspenningen omdat hij, na inlevering van de auto’s, geen verzekerbaar belang meer had. Uitkering van de schade aan de curator zou ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn. De curator heeft bovendien één van de directeuren van Qualitax naar TLR toegestuurd voor het regelen van de schade, de reparatie daaronder begrepen.

4 De stellingen van partijen in reconventie

In voorwaardelijke reconventie

4.1 In geval van toewijzing van de vordering in conventie vordert TLR veroordeling van de curator tot betaling van een bedrag van € 20.933,31 te vermeerderen met de rente en kosten zoals toegewezen in conventie, met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

4.2 Aan deze vordering heeft TLR - zakelijk weergegeven - naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd. Qualitax en - na faillissement - de curator hebben zich niet gehouden aan de verplichting op grond van de leaseovereenkomsten schade terstond te melden en per direct te laten herstellen. Nu de schade aan de drie op 3 oktober 2006 ingeleverde auto’s niet eerder is gemeld, is deze kennelijk veroorzaakt na de faillissementsdatum. Het schadebedrag van € 20.933,31 is daarom boedelschuld.

4.3 De curator heeft de vordering in voorwaardelijke reconventie gemotiveerd weersproken en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling van TLR in de kosten van het geding.

4.4 Naast hetgeen de curator in conventie heeft betoogd, heeft hij daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd. De schade aan de auto’s is, met wellicht één enkele uitzondering, ontstaan vóór de faillissementsdatum. Zelfs al zou de schade na 12 september 2006 zijn ontstaan, dan nog rustte er op de curator geen contractuele plicht om die schade te melden. Van een boedelschuld is in dat geval ook geen sprake, nu een wettelijke voorziening daartoe ontbreekt en de schade niet voortvloeit uit handelen van de curator. Zelfs al zou echter sprake zijn van een boedelschuld, dan nog moet de uitkering via de boedel lopen en moet de onderlinge rangorde tussen de boedelschuldeisers worden gevolgd.

In onvoorwaardelijke reconventie

4.5 De vordering luidt om de curator te veroordelen tot betaling aan TLR van een bedrag van € 17.300,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 november 2006 en met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

4.6 Aan deze vordering heeft TLR - zakelijk weergegeven - naast hetgeen zij wat betreft de vordering in voorwaardelijke reconventie heeft aangevoerd ten grondslag gelegd dat ook de schade ter zake van de vier op 1 december 2006 ingeleverde auto’s boedelschuld is.

4.7 Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van TLR in de kosten van het geding.

4.8 Naast hetgeen de curator in conventie en als verweer in voorwaardelijke reconventie heeft betoogd, heeft hij daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - aangevoerd dat ook in dit kader van een boedelschuld geen sprake is.

5 De beoordeling

de vordering van de curator (in conventie)

5.1 Grondslag van de vordering van de curator is de verzekeringsovereenkomst tussen Qualitax en Achmea, waarbij VDV als tussenpersoon heeft gefungeerd. De rechtbank stelt voorop dat de rechten en verplichtingen van Qualitax en Achmea door het faillissement van Qualitax niet zijn gewijzigd. Uitgangspunt is dan ook dat ingevolge de verzekeringsovereenkomst door Achmea uit te keren schadepenningen aan Qualitax toekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de schade aan de drie op 3 oktober 2006 door Qualitax bij TLR ingeleverde auto’s € 20.933,31 bedraagt. VDV heeft dit bedrag van Achmea ontvangen en aan TLR betaald. Uitgangspunt is dat VDV dit bedrag ingevolge de verzekeringsovereenkomst - behoudens cessie - aan Qualitax had moeten betalen.

5.2 Het hiervoor in rechtsoverweging 5.1 besproken uitgangspunt gaat niet op, indien Qualitax haar vorderingen op Achmea uit de verzekeringsovereenkomst rechtsgeldig aan TLR heeft gecedeerd. Partijen twisten over de rechtsgeldigheid van de cessie. Ingevolge artikel 35 Fw kan, indien op de dag van de faillietverklaring nog niet alle handelingen die voor een levering door de schuldenaar nodig zijn, hebben plaatsgevonden, de levering niet geldig meer geschieden. Het beroep van VDV en TLR op de cessie kan dus alleen slagen, indien op de dag van de faillietverklaring aan de voor cessie geldende vereisten ex artikel 3:94 lid 1 BW is voldaan.

5.2.1 Voor zover de curator heeft gesteld dat de formulering van het object gebrekkig is en daarmee heeft bedoeld dat de vordering in onvoldoende mate door de aktes van cessie wordt bepaald, gaat zijn stelling niet op. In de aktes staat vermeld dat de cessie ziet op alle schadepenningen tijdens de leaseperiode. Daarmee kan, eventueel achteraf, worden vastgesteld om welke vordering het gaat.

5.2.2 De curator heeft ten tweede aangevoerd dat Qualitax eerst op 31 maart 2006 is opgericht, terwijl de aktes van cessie dateren van 1 december 2006. Bij de oprichting van Qualitax heeft geen bekrachtiging van de cessie plaatsgevonden, aldus de curator. Dat in de aktes van cessie niet staat vermeld dat de cedent Qualitax in oprichting is, kan naar het oordeel van de rechtbank aan de rechtsgeldigheid van de cessie niet afdoen. Immers, nu Qualitax ten tijde van het aangaan van de leaseovereenkomsten nog niet was opgericht en in de leaseovereenkomsten wel “Qualitax i.o.” staat vermeld, kon er bij TLR redelijkerwijs geen onduidelijkheid bestaan over de hoedanigheid van de cedent. Uit een rechtshandeling verricht namens een op te richten besloten vennootschap ontstaan echter slechts rechten en verplichtingen voor de vennootschap wanneer zij die rechtshandelingen na haar oprichting uitdrukkelijk of stilzwijgend bekrachtigt (artikel 2:203 lid 1 BW). Stilzwijgende bekrachtiging kan bijvoorbeeld plaatsvinden door uitvoering te geven aan de cessie. VDV en TLR hebben op dit punt aangevoerd dat eerdere schadegevallen middels de cessie zijn afgehandeld. Als dat in rechte vast komt te staan, is daarin naar het oordeel van de rechtbank een bekrachtiging van de cessie door Qualitax gelegen. De curator heeft echter - hoewel eerst bij dupliek in reconventie - betwist dat eerdere schades conform de cessie zijn afgehandeld. Bij dupliek in conventie hebben VDV en TLR op dit punt aangevoerd als bewijs voor de eerdere schadeafhandelingen brieven over te leggen. Deze brieven zijn echter niet als productie overgelegd. De rechtbank zal VDV en TLR daartoe alsnog in de gelegenheid stellen. De zaak wordt daartoe op na te melden wijze verwezen naar de rol voor akte aan de zijde van VDV en TLR. De curator zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld bij antwoordakte te reageren.

5.2.3 Ten derde heeft de curator aangevoerd dat van mededeling van de cessie aan Achmea niet is gebleken. De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:94 lid 1 BW geen bijzondere vereisten stelt aan de vorm van de mededeling en dat de mededeling ingevolge artikel 3:37 lid 1 BW in iedere vorm kan geschieden. Zij kan ook in een of meer gedragingen besloten liggen, bijvoorbeeld in de omstandigheid dat de cessionaris tot het innen van de vordering overgaat. Naar het oordeel van de rechtbank ligt, indien TLR eerder conform de cessie schades heeft geïnd (via VDV) bij Achmea, daarin de mededeling besloten. De hiervoor genoemde rolverwijzing voor het in het geding brengen van brieven zal mede voor dit doel dienen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient in deze een mededeling aan VDV te worden beschouwd als een mededeling aan Achmea, nu VDV in deze te beschouwen is als de hulppersoon van Achmea gelet op de intermediairovereenkomst die tussen hen gesloten is (ref. productie 28 bij de dagvaarding).

5.3 De overige door VDV en TLR aangevoerde verweren zullen eerst besproken worden, indien in rechte vast komt te staan dat aan hen geen beroep op de cessie toekomt. Iedere verdere beslissing zal dan ook worden aangehouden.

In voorwaardelijke reconventie

5.4 Gelet op het hiervoor onder rechtsoverweging 5.2.2 en 5.2.3 overwogene is nog niet duidelijk of aan de vordering in voorwaardelijke reconventie wordt toegekomen. Iedere beslissing op dit punt wordt daarom aangehouden totdat in conventie zal zijn beslist.

In onvoorwaardelijke reconventie

5.5 Op grond van artikel 25 lid 1 Fw worden rechtsvorderingen, welke rechten of verplichtingen tot de failliete boedel behorende ten onderwerp hebben, tegen de curator ingesteld. TLR heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat de schade ter zake van de vier op 1 december 2006 ingeleverde auto’s een boedelschuld is. Boedelschulden zijn verbintenissen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een rechtsverhouding, eerst ontstaan door of na het uitspreken van het faillissement. Zij kunnen dus eerst ontstaan door of na de uitspraak van het faillissement.

5.6 Partijen twisten over de vraag wanneer de schade aan de vier auto’s is ontstaan. De curator heeft de stelling van TLR, dat de schade na faillissement is ontstaan, gemotiveerd betwist, zodat daarvan in rechte niet kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende. Boedelschulden kunnen ontstaan ofwel uit de wet, ofwel ten gevolge van het toedoen van de curator. Tussen partijen is niet in geschil dat in het onderhavige geval van een boedelschuld ontstaan uit de wet geen sprake is. De vraag of sprake is van een boedelschuld ontstaan ten gevolge van het toedoen van de curator, dient naar het oordeel van de rechtbank eveneens ontkennend worden beantwoord. De faillissementsmedewerker van de curator, [persoon 2], heeft de innameformulieren weliswaar ondertekend, maar daarmee is nog geen aansprakelijkheid erkend voor de op de innameformulieren vermelde geschatte schades aan de ingeleverde auto’s. Uit de tekst van het innameformulier blijkt immers dat [persoon 2] met ondertekening daarvan akkoord gaat met de op het formulier vermelde omschrijving van de conditie van de ingeleverde auto. Dat de ondertekening een verdergaande strekking heeft, is gesteld noch gebleken. Ook overigens is het de rechtbank niet gebleken dat door toedoen van de curator een verbintenis tot betaling van de schade is ontstaan. Dit brengt met zich dat van een boedelschuld geen sprake is en de vordering in onvoorwaardelijke reconventie dus niet toewijsbaar is.

5.7 Als de in het ongelijk gestelde partij dient TLR te worden veroordeeld in kosten van de procedure in onvoorwaardelijke reconventie. De beslissing op dit punt zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.

6 De beslissing

De rechtbank:

in de zaak tegen VDV en in conventie tegen TLR:

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 11 februari 2009 voor het nemen van een akte door - eerst - VDV en TLR met betrekking tot het hiervoor onder rechtsoverweging 5.2.2 en 5.2.3 genoemde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in voorwaardelijke reconventie:

houdt iedere beslissing aan;

in onvoorwaardelijke reconventie:

wijst de vordering van TLR af;

reserveert de beslissing over de proceskosten tot de einduitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken in het openbaar.

1977