Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2009:BH1162

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-01-2009
Datum publicatie
28-01-2009
Zaaknummer
314759 / HA ZA 08-2207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Waar tussen Nederlandse verkoper en Cypriotische koper van roerende lichamelijke zaken een plaats van aflevering van de zaken niet aannemelijk is geworden, geldt als plaats van aflevering de plaats waar verkoper de zaken aan de eerst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010, 35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 314759 / HA ZA 08-2207

Uitspraak: 21 januari 2009

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROBICO INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident

advocaat: mr. J. Kneppelhout te Rotterdam,

- tegen -

de vennootschap naar buitenlands recht

COSTAS HADJIANDREOU & SON CO LTD.,

gevestigd te Pallouraotissa, Nicosia, Cyprus,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in de incidenten,

advocaat: mr. J.J.M. Pater te Emmeloord.

Eiseres in de hoofdzaak tevens verweerster in het incident wordt hierna aangeduid als "Robico", gedaagde in de hoofdzaak tevens eiseres in het incident wordt aangeduid als "CHSCL".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 14 augustus 2008 met acht producties;

- “incidentele conclusie betreffende de exceptie van de relatieve onbevoegdheid”;

conclusie van antwoord in incident.

2 De vorderingen in de hoofdzaak en het incident en het verweer in het incident

2.1

Robico vordert in de hoofdzaak – verkort weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad CHSCL zal veroordelen tot betaling van € 10.488,00 te vermeerderen met contractuele rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

Robico legt aan haar vordering – voor zover thans van belang – de volgende stellingen ten grondslag.

2.2

Medio augustus 2007 heeft Robico een partij tomaten verkocht en afgeleverd aan CHSCL.

2.3

Op die koopovereenkomst zijn de algemene verkoopvoorwaarden van Robico van toepassing.

2.4

CHSCL heeft een bedrag van € 10.488,- van de koopprijs onbetaald gelaten. Robico vordert betaling van dat bedrag, alsmede betaling van ingevolge de algemene verkoopvoorwaarden verschuldigd geworden contractuele vertragingsrente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.5

Bij dagvaarding stelt Robico dat zij de partij tomaten in Piraeus, Griekenland heeft afgeleverd, bij conclusie van antwoord in incident stelt zij dat zij deze ingevolge artikel 31 van het Verdrag der Verenigde Naties inzake internationale koopovereenkomsten betreffende roerende zaken van 11 april 1980 (Trb. 1986, 61) (hierna: WKV) binnen het arrondissement Rotterdam heeft afgeleverd door de partij tomaten aldaar aan de eerste vervoerder af te geven, die deze in haar opdracht naar Griekenland zou vervoeren.

2.6

Ingevolge het forumkeuzebeding van artikel 15.2 van de algemene verkoopvoorwaarden in samenhang met artikel 23 van de Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PbEG L 12 en L 307), laatstelijk gewijzigd 20 november 2006 (PbEU L 363) (hierna: EEX-Vo), subsidiair op grond van artikel 5 aanhef en sub 1 onder a) en onder b) eerste gedachtestreepje EEX-Vo is de rechtbank Rotterdam bevoegd om van de vordering kennis te nemen. Aldus Robico.

2.7

De incidentele conclusie van CHSCL strekt ertoe dat de rechtbank zich bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vordering van Robico en de zaak zal verwijzen naar het bevoegde gerecht op Cyprus, met veroordeling van Robico in de proceskosten.

Voorts vordert CHSCL om voor zover van toepassing de overeenkomst tussen partijen niet te laten beheersen door Nederlands recht.

CHSCL legt aan deze vorderingen – in het kort – het volgende ten grondslag.

2.8

CHSCL erkent medio augustus 2007 een partij tomaten van Robico te hebben gekocht. Die overeenkomst is telefonisch tot stand gekomen. Voorts erkent CHSCL dat Robico de partij tomaten heeft afgeleverd, echter in beschadigde toestand.

2.9

CHSCL betwist dat aflevering in Piraeus, dan wel binnen het arrondissement Rotterdam diende plaats te vinden. De partij tomaten diende op Cyprus te worden afgeleverd.

2.10

CHSCL betwist dat de algemene verkoopvoorwaarden van Robico van toepassing zijn. Robico heeft de algemene verkoopvoorwaarden niet bij de totstandkoming van de koopovereenkomst van toepassing verklaard. Robico heeft vóór noch bij het sluiten van de koopovereenkomst aan CHSCL een redelijke mogelijkheid geboden om van de algemene verkoopvoorwaarden kennis te nemen. CHSCL heeft, echter, tijdens het telefoongesprek waarbij de koopovereenkomst werd gesloten haar algemene voorwaarden van toepassing verklaard.

2.11

Op de rechtsverhouding tussen partijen is het recht van Cyprus van toepassing.

2.12

Omdat CHSCL op Cyprus is gevestigd en Robico de partij tomaten op Cyprus diende af te leveren is het gerecht aldaar bij uitsluiting bevoegd.

2.13

De conclusie van antwoord in incident van Robico strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van CHSCL in de proceskosten, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Robico vordert tevens een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen beheerst wordt door het WKV.

3 De beoordeling

in het bevoegdheidsincident

3.1

Hoewel in de kop van de conclusie gesproken wordt over “relatieve onbevoegdheid”, strekt de incidentele conclusie van CHSCL ertoe dat de rechtbank zich wegens gebrek aan rechtsmacht (absoluut) onbevoegd zal verklaren om kennis te nemen van de vordering van Robico en de zaak zal verwijzen naar het bevoegde gerecht op Cyprus. Uit haar conclusie van antwoord in incident blijkt dat Robico de incidentele vordering dienovereenkomstig heeft opgevat.

3.2

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomst tussen hen valt aan te merken als een overeenkomst van koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken en dat de verweerder CHSCL is gevestigd op het grondgebied van de Europese Unie. Daarom dient de vraag of deze rechtbank bevoegd is om van de vordering van Robico kennis te nemen aan de hand van de EEX-Vo te worden beantwoord.

3.3

Ingevolge de hoofdregel van artikel 2 in samenhang met artikel 60 EEX-Vo is het gerecht van Nicosia, Cyprus, als de plaats van vestiging (woonplaats) van de verweerder CHSCL bevoegd.

Voorts is ingevolge artikel 5 aanhef en sub 1 onder a) en onder b) eerste gedachtestreepje EEX-Vo ten aanzien van verbintenissen uit een overeenkomst van koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken bevoegd de rechter van de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden, tenzij anders is overeengekomen. Zijn de zaken op een bepaalde plaats feitelijk geleverd dan is ingevolge dit artikel de rechter van die plaats bevoegd om van alle geschillen omtrent verbintenissen uit de koopovereenkomst kennis te nemen, ook die tot betaling van de koopprijs.

Verder is ingevolge artikel 23 EEX-Vo bevoegd een gerecht dat bij schriftelijke of schriftelijk bevestigde overeenkomst tussen partijen bevoegd is verklaard.

3.4

Tussen partijen staat niet ter discussie dat Robico de partij tomaten aan CHSCL heeft afgeleverd. Wel is tussen partijen in geschil op welke plaats Robico de partij tomaten aan CHSCL heeft afgeleverd en wat daarover is afgesproken. Robico stelt bij dagvaarding dat overeengekomen is dat zij de partij tomaten diende af te leveren in Piraeus. Bij conclusie van antwoord in incident stelt Robico dat zij ingevolge artikel 31 WKV heeft afgeleverd door de partij tomaten in het arrondissement Rotterdam mee te geven aan de eerste vervoerder. CHSCL betwist die stellingen en stelt dat Robico op Cyprus diende af te leveren. Afgezien van de door Robico ontvouwen redenering over aflevering door de partij tomaten mee te geven aan de eerste vervoerder, heeft geen van partijen de betreffende stelling feitelijk onderbouwd.

Kennelijk is de onderhavige overeenkomst mondeling, telefonisch tot stand gekomen. Gesteld noch gebleken is dat de koopovereenkomst schriftelijk is bevestigd. Kennelijk was deze de eerste overeenkomst die partijen met elkaar hebben gesloten.

Waar de overeenkomst de internationale koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken betreft en ieder van partijen is gevestigd in een staat die partij is bij het WKV is, ingevolge artikel 1 lid 1 aanhef en onder a WKV, dat verdrag op de rechtsverhouding tussen partijen van toepassing. Ingevolge artikel 31 WKV dient de verkoper de zaken af te leveren, voor zover in dit geval van belang: op de overeengekomen plaats, of, indien de overeenkomst mede het vervoer van de zaken omvat, op de plaats waar hij de zaken aan de eerste vervoerder afgeeft ter verzending aan de koper, en in alle andere gevallen op de plaats waar de verkoper is gevestigd.

Is een plaats voor aflevering overeengekomen? Uit de factuur van Robico van 17 augustus 2007 (productie 5 zijdens Robico) blijkt niet van enige voor de aflevering overeengekomen plaats, evenmin van een leveringsbeding. Daargelaten enige in de algemene verkoopvoorwaarden bepaalde plaats van aflevering, concludeert de rechtbank daarom dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen een plaats voor de aflevering van de partij tomaten is overeengekomen.

Tussen partijen is niet in geschil dat Robico aan een vervoerder opdracht heeft gegeven om de partij tomaten (naar Piraeus of Nicosia) te vervoeren ter aflevering aan (een vervoerder die in opdracht van) CHSCL (de partij verder zou vervoeren). Uit de kennelijk ter zake van het vervoer van de partij tomaten opgemaakte vrachtbrief (productie 3 zijdens Robico) blijkt dat Robico als “afzender” op 15 augustus 2007 in Barendrecht (“[..] Plaats en dat. v. inontvangstneming der goederen [..]”Barendrecht NL 15-08-07”) de partij tomaten aan een vervoerder heeft meegegeven om deze in Nicosia (“3. [..] Plaats bestemd voor de aflevering der goederen [..] Nicosia”) aan de “geadresseerde” CHSCL af te leveren. Zonder meer blijkt uit die vrachtbrief niet welke plaats tussen partijen is overeengekomen waar Robico de partij tomaten diende af te leveren. Wel kan uit die vrachtbrief in samenhang met de onbetwiste stelling dat Robico de vervoerder opdracht had gegeven worden afgeleid dat de koopovereenkomst tevens het vervoer van de zaken omvat en dat Robico de partij tomaten in Barendrecht aan de eerste vervoerder heeft meegegeven ter verzending aan de koper, in de zin van artikel 31 aanhef en onder a WKV. Daarom heeft tussen partijen Barendrecht als de plaats van aflevering onder de koopovereenkomst te gelden.

Zodanige plaats van aflevering geldt tevens als de plaats in een EU lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden in de zin van artikel 5 aanhef en sub 1 onder a) en onder b) eerste gedachtestreepje EEX-Vo.

Nu Barendrecht gelegen is binnen het rechtsgebied van de rechtbank Rotterdam, is deze rechtbank als gerecht van zodanige plaats bevoegd om van de vordering van Robico kennis te nemen.

3.5

Nu volgens de stellingen van Robico – welke stellingen CHSCL betwist – de toepasselijkheid van de algemene verkoopvoorwaarden niet tot een ander resultaat leidt, laat de rechtbank in het midden of de algemene verkoopvoorwaarden tussen partijen van toepassing zijn geworden.

3.6

Derhalve is deze rechtbank bevoegd om kennis te nemen van de vordering van Robico.

Daarop stuit toewijzing van de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af.

De rechtbank zal CHSCL als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van Robico in dit incident gevallen proceskosten veroordelen.

3.7

De vordering van CHSCL om voor zover van toepassing de overeenkomst tussen partijen niet te laten beheersen door Nederlands recht, beschouwt de rechtbank als een voor de hoofdzaak bestemd verweer behoudens voor zover de rechtbank in het kader van het bevoegdheidsincident het toepasselijke recht diende te bepalen. In laatstbedoeld geval komt aan deze vordering geen zelfstandige betekenis toe.

3.8

De vordering van Robico tot een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen wordt beheerst door het WKV is kennelijk door CHSCL noch door de rolrechter als een incidentele vordering in de zin van artikel 208 e.v. Rv aangemerkt. Ook deze vordering is voor de hoofdzaak bestemd behoudens voor zover de rechtbank in het kader van het bevoegdheidsincident het toepasselijke recht diende te bepalen, in welk geval aan deze vordering geen zelfstandige betekenis toekomt.

in de hoofdzaak

3.9

De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rolzitting voor het nemen van een conclusie van antwoord.

4 De beslissing

De rechtbank,

in het bevoegdheidsincident

verklaart zich bevoegd om van de vordering van Robico in de hoofdzaak kennis te nemen;

veroordeelt CHSCL in de aan de zijde van Robico gevallen proceskosten, tot en met deze uitspraak bepaald op nihil aan griffierecht en overige verschotten en op € 452,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 18 februari 2009 voor een door CHSCL te nemen conclusie van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1928