Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BO6104

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-03-2008
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
796090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tweede van zes vonnissen in een procedure tussen een werknemer (een taxichauffeur) en een werkgever (een taxibedrijf). De werknemer heeft een auto-ongeluk tijdens werktijd gehad, als gevolg waarvan hij enige tijd in het ziekenhuis gelegen heeft. De werkgever stelt dat werknemer ontslag genomen heeft. De werknemer vordert voorrechtverklaring dat de arbeidsovereenkomst nog voortduurt, alsmede betaling van achterstallig loon. De werkgever vordert van werknemer vergoeding van de aan de taxi veroorzaakte schade wegens roekeloos rijgedrag van werknemer.

Werkgever beroep zich op een door werkgever ondertekende verklaring waarin deze ontslag neemt. Ter comparitie heeft de werkgever bewezen dat de betreffende handtekening van werknemer is. Werknemer wordt in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

Locatie Rotterdam

vonnis

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 23 maart 2007,

verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. E.H.P. Dingenouts, advocaat te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. (eenmanszaak) [Taxibedrijf],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde mr. L.J. van Rooijen, advocaat te Rotterdam.

Partijen blijven hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1. Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure in conventie blijkt uit de processtukken waarvan de kantonrechter heeft kennisgenomen:

- het tussenvonnis van 6 december 2007 en de daaraan ten grondslag liggende

processtukken;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 12 februari 2008 en de

door [eiser] toegezonden stukken, zoals vermeld in het proces-verbaal.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling in conventie

de loonvordering

2.1 In voormeld tussenvonnis is overwogen dat op [gedaagde], die zich op de rechtsgevolgen van zijn verweer beroept, de bewijslast rust dat het dienstverband tussen partijen met wederzijds goedvinden is geëindigd.

Ter zitting heeft [gedaagde] de originele verklaring van 8 augustus 2006 (in kopie overgelegd als productie 6 bij de dagvaarding) getoond.

Het verweer van [eiser] luidt primair dat hij de handtekening op die verklaring niet heeft gezet en subsidiair - voor zover blijkt dat die handtekening wel door hem gezet is - dat het een handtekening betreft die hij anderhalf à twee maanden eerder op een blanco A4-vel heeft gezet, en meer subsidiair - voor zover zou blijken dat hij wel zijn handtekening onder de verklaring heeft gezet - dat hij dat gedaan heeft in een psychisch labiele toestand, zodat sprake is van een wilsgebrek.

2.2 Wat het primaire verweer betreft: [eiser] heeft ter zitting verklaard dat de handtekening onder de verklaring wel op zijn handtekening lijkt. Dit levert, mede in samenhang met het gevoerde subsidiaire en meer subsidiaire verweer, geen stellige ontkenning op van de ondertekening in de zin van artikel 159 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wat overigens niet wegneemt dat de bewijslast van de echtheid van de handtekening op [gedaagde] rust, nu hij zich op de desbetreffende verklaring beroept. De kantonrechter overweegt dat deze handtekening een duidelijke gelijkenis vertoont met de vele handtekeningen op stukken in het dossier waarvan vast staat dat deze door [eiser] zijn gezet. [eiser] heeft ter zitting bovendien verklaard dat zijn handtekening niet vast is en per keer verschillen kan vertonen.

De kantonrechter acht met het vorenstaande [gedaagde] voorshands, behoudens tegenbewijs, geslaagd in het leveren van het bewijs dat de handtekening op de verklaring van 8 augustus 2006 van [eiser] afkomstig is. [eiser] zal overeenkomstig zijn aanbod tot het leveren van bedoeld tegenbewijs worden toegelaten.

2.3 Wat het subsidiaire verweer betreft: [eiser] heeft aangevoerd dat [gedaagde] gebruikgemaakt heeft van een anderhalf à twee maanden eerder door [eiser] op een blanco A4-vel gezette handtekening. Gesteld noch gebleken is in het kader van dit verweer dat het bij dit blanco vel om een ander vel zou gaan dan het vel van het originele door [gedaagde] getoonde document met diens dagtekening 8 augustus 2006. Het verweer houdt dus in dat de verklaring boven de handtekening is gezet in plaats van andersom.

Nu [eiser] zich op de rechtsgevolgen van dit specifieke verweer beroept, rust op hem de bewijslast. Dit bewijs is tot dusverre niet geleverd. Indien het hiervoor onder 2.2 bedoelde tegenbewijs niet wordt geleverd, zal [eiser] overeenkomstig zijn daartoe strekkende aanbod worden toegelaten tot het leveren van het bewijs dat hij zijn handtekening op het originele document waarvan de kopie is overgelegd als productie 6 bij de dagvaarding, eerder dan 8 augustus 2006 heeft gezet.

De kantonrechter deelt partijen mede dat de door hem - in overleg met partijen - alvast bij TNO ingewonnen inlichtingen erop duiden dat dit technisch gezien op zich kan worden onderzocht aan de hand van de veroudering van de inkt, maar wel afhankelijk van hoe de inkt op papier staat. Partijen zullen zich, indien deze bewijslevering aan de orde komt, kunnen uitlaten over een daartoe te gelasten deskundigenonderzoek.

2.4 Wat het meer subsidiaire verweer betreft:

Indien [eiser] niet slaagt in voornoemde bewijslevering, staat vast dat hij op 8 augustus 2006 een opzeggingsbrief heeft ondertekend. Dat levert dwingend bewijs op van beëindiging met wederzijds goedvinden van het dienstverband tussen partijen in de zin van artikel 157 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dit is in beginsel vatbaar voor tegenbewijs, maar [eiser] heeft geen te bewijzen feiten en omstandigheden gesteld omtrent de alsdan relevante toedracht van het plaatsen van de handtekening. Bovendien geldt het volgende ten aanzien van de psychische labiele toestand waarop [eiser] zich in dat verband beroept. [gedaagde] diende voor dat geval wel na te gaan of de opzegging door [eiser] gedaan is, terwijl laatstgenoemde (door het ongeval en de gevolgen daarvan) in een psychisch labiele toestand was of anderszins niet in staat zijn wil te bepalen. Alsdan staat - bij gebreke van een andere door [eiser] geschetste toedracht - vast dat [gedaagde] na een eerder telefonisch contact met [eiser] naar een ontmoetingsplek is gegaan met een te ondertekenen ontslagbrief. [eiser] was naar eigen zeggen geschrokken door het ongeval wegens wat hem had kunnen overkomen. Dit is onvoldoende om een psychisch labiele toestand/wilsgebrek te kunnen aannemen op 8 augustus 2006, dat wil zeggen een dag na het verkeersongeval, toen de gevolgen van het ongeval voor hem zelf bekend waren.

Voorts heeft [eiser], toen hij naar eigen zeggen bemerkte dat [gedaagde] van mening was dat hij zelf ontslag had genomen, tegenover [gedaagde] niet kenbaar gemaakt dat hij op het ontslag terug wilde komen. Na een aantal dagen (een week) was hij naar eigen zeggen de schrik te boven. Ook in de lezing van [eiser] was een eerste contact na het ontslag gelegen in de brief van 17 augustus 2006, waarin hij verzocht om loondoorbetaling en een Arbo-controle.

Vervolgens is bij brief van 18 september 2006 de vernietiging van het ontslag ingeroepen, maar daarmee wordt gedoeld op een gegeven ontslag en niet een genomen ontslag.

Het beroep op een psychisch labiele toestand/wilsgebrek is pas in deze procedure – en dan nog meer subsidiair – gedaan. [eiser] is vanaf 21 augustus 2006 bovendien voor een andere werkgever als taxichauffeur gaan werken, dat wil zeggen 2 weken na het verkeersongeval, dus zonder zich jegens [gedaagde] te beroepen op arbeid.

[eiser] heeft gelet op het vorenstaande onvoldoende gesteld om te kunnen slagen in het meer subsidiaire verweer.

2.5 Indien [eiser] niet slaagt in de genoemde bewijslevering, staat op grond van het vorenstaande dan ook vast dat het dienstverband tussen partijen met wederzijds goedvinden is geëindigd met ingang van 8 augustus 2006.

2.6 Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

3. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

alvorens verder te beslissen,

laat [eiser] toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands geleverde bewijs dat de handtekening op de verklaring gedateerd 8 augustus 2006 (in kopie overgelegd als productie 6 bij de dagvaarding) van hem afkomstig is;

verwijst de zaak naar de openbare terechtzitting (rolzitting) van de sector kanton van deze rechtbank op donderdag 24 april 2008 te 10:00 uur ten einde [eiser] in staat te stellen zich bij akte uitlaten over de wijze waarop het bewijs zal worden geleverd en - als het bewijs (mede) door getuigen geleverd zal worden- op te geven het aantal der voor te brengen getuigen (onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen, zodat ter zitting een datum voor het getuigenverhoor kan worden bepaald);

bepaalt dat de eventuele getuigenverhoren zullen worden gehouden in het gerechtsgebouw B, Wilhelminaplein 100 te Rotterdam voor de hierna te noemen kantonrechter;

deelt voorts mede:

1. dat de namen en adressen van de te horen getuigen tenminste zeven dagen voor het verhoor schriftelijk aan de wederpartij en de kantonrechter moeten worden opgegeven;

2. dat de getuigen tenminste zeven dagen voor het verhoor moeten worden opgeroepen, waarbij aan de getuigen een kopie van dit vonnis dient te worden toegezonden en hun de plaats en tijd van verhoor moet worden medegedeeld.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.