Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BI9722

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
24-06-2009
Zaaknummer
41220 / HA ZA 95-1773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst tot verkoop aandelen. Schade door inbreuk op garanties. Na deskundigenbericht wordt de omvang van de schade door de inbreuk op de garanties vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 41220 / HA ZA 95-1773

Uitspraak: 14 mei 2008

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te Drachten,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. R.J.A. Bron-Slis,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde],

gevestigd te Joure,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. A.P.M. Henket.

Partijen blijven verder aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft partijen gehoord en heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 27 april 2005 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- deskundigenbericht, ingekomen ter griffie op 15 november 2006;

- conclusie na deskundigenbericht, tevens akte houdende vermeerdering van eis zijdens [eiseres], met producties;

- antwoordconclusie na deskundigenbericht zijdens [gedaagde], met producties;

- bevelschrift d.d. 17 november 2006, waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundige zijn begroot op € 52.423,07;

- de bij gelegenheid van de pleidooien door elk van partijen overgelegde producties en de overgelegde pleitnotities.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1 Vermeerdering van eis

2.1.1

Bij conclusie na deskundigenbericht heeft [eiseres] haar eis vermeerderd. [eiseres] vordert thans bij vonnis -uitvoerbaar bij voorraad- [gedaagde] te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen:

- NLG 2.523.454,-, althans NLG 2.375.000,-, althans NLG 2.300.000,-, althans NLG 1.861.000,-, althans een zodanig bedrag als nader op te maken bij staat te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 mei 1995; alsmede

- de schadevergoeding, zoals genoemd onder 18 van de dagvaarding van 18 mei 1995 nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 mei 1995;

- de kosten van de procedure.

2.1.2

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de vermeerdering van eis niet kan worden toegestaan omdat deze tot gevolg heeft dat een hoger bedrag wordt gevorderd dan [eiseres] heeft betaald voor de aandelen in Stortgas en dat ten onrechte het bedrag van NLG 515.000,- als schade wordt benoemd alsmede de niet geïncasseerde vorderingen van in totaal NLG 148.454,-.

2.1.3

Op grond van artikel 134 Rv (oud) is [eiseres] bevoegd tot de afloop van het geding haar eis bij conclusie of bij akte ter rolle te vermeerderen. [gedaagde] kan zich tegen deze vermeerdering bij akte ter rolle verzetten als zij daardoor in haar verdediging onredelijk wordt bemoeilijkt of het geding onredelijk wordt vertraagd.

Daargelaten dat [gedaagde] niet op de in dit geval nog voorgeschreven wijze verzet heeft gedaan tegen de vermeerdering van eis, is dat verzet ongegrond. Immers, [gedaagde] is bij antwoordconclusie en bij pleidooi in de gelegenheid geweest inhoudelijk te reageren op de vermeerdering van eis. Zij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Van een bemoeilijking van de verdediging of een vertraging van het geding is geen sprake geweest. De rechtbank zal daarom rechtdoen op vordering zoals deze luidt na de vermeerdering van eis.

2.2 Schade [eiseres] op grond van inbreuk garanties

2.2.1

Naar aanleiding van door de rechtbank in haar tussenvonnis van 27 april 2005 gestelde vragen, heeft de door de rechtbank benoemde deskundige, [deskundige] RA RV, een deskundigenbericht opgesteld. De vragen hadden met name betrekking op de jaarrekening van Stortgas van 1993 zoals deze in de overeenkomst tussen partijen van 30 september 1994 (hierna: “de overeenkomst”) door [gedaagde] was gegarandeerd (hierna: “de jaarrekening 1993”), de daaraan ten grondslag liggende gegevens en de wijze waarop de jaarrekening 1993 is opgesteld. De rechtbank heeft kennis genomen van dit rapport en van de reacties daarop van partijen. Waar nodig zal de rechtbank hierna nader op het rapport en op hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd ingaan.

2.2.2

[eiseres] heeft gesteld dat zij door de inbreuk op de garanties uit de overeenkomst schade heeft geleden. De schade zou primair zijn gelegen in het feit dat zij een te hoog bedrag heeft betaald voor de aandelen in Stortgas. Zij baseert zich daarbij op de berekening van de deskundige, die tot de conclusie is gekomen dat de waarde van de aandelen in Stortgas op het moment van de overname beduidend lager was dan NLG 2.300.000,-.

In haar vonnis van 17 september 1998 heeft de rechtbank (r.o. 8.9, slot) onder meer overwogen dat, indien [eiseres] om haar moverende redenen voor de aandelen Stortgas een prijs heeft betaald die uitgaat boven wat redelijk onderhandelende ondernemers bereid zouden zijn geweest te betalen, die hogere prijs in ieder geval niet kan dienen voor de berekening van de door [eiseres] geleden schade. In het verlengde daarvan heeft de deskundige in opdracht van de rechtbank onderzocht of een redelijk handelende koper voor de aandelen Stortgas op 30 september 1994 op basis van de jaarrekening 1993 een prijs zou hebben betaald van om en nabij NLG 2.300.000,-. De deskundige heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daarom zal thans nader onderzocht moeten worden of die koopprijs als uitgangspunt voor berekening van de schade van [eiseres] kan dienen.

2.2.3

Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, maakt de rechtbank op dat partijen bij de besprekingen omtrent de overname van de aandelen in Stortgas zich bij de prijsbepaling niet primair hebben laten leiden door ‘de waarde’ van de aandelen in Stortgas. Tussen partijen is niet in geschil dat eerst een koopsom voor de aandelen van NLG 1,- is genoemd. Vervolgens is gesproken over betaling van een reëel bedrag. Notaris [notaris] schrijft in zijn brief van 26 juli 1994 aan Mr. G.J. Voûte (advocaat van [eiseres]) hierover:

“Tijdens onze bespreking van woensdag 13 juli jl. stelden wij vast dat een koopsom van

f. 1,- voor de aandelen Stortgas, Aquacleaning en Carbiogas natuurlijk niet overeenkomstig de ekonomische realiteit was. Uwerzijds werd de wens geuit om met name de koopsom voor de aandelen Stortgas belangrijk hoger te stellen. U noemde daarvoor een getal van

f. 2.000.000,-. Van de zijde van de heren [persoon 1] en [persoon 2] werd daarop als reaktie gegeven dat zij aan vaststelling van de prijs voor die aandelen op een reëel niveau vanzelfsprekend hun medewerking zouden verlenen, mits dit geen fiskale nadelen voor hen met zich mee zou brengen. Dit onderwerp is uitvoerig aan de orde geweest en het resultaat daarvan is dat de heren [persoon 1] en [persoon 2] akkoord kunnen gaan met een prijs voor Stortgas van f. 2.000.000,-. In hun optiek is deze prijs aan de hoge kant, docht zij zijn bereid uw kliënten hierin zoveel mogelijk te gemoet te komen. Zij menen dat zij dit doen door een prijs van f.2.000.000,- voor Startgas te aanvaarden. Het door u genoemde getal van

f. 2.600.000,- kunnen zij dus niet accepteren.”

2.2.4

Deze gang van zaken, waarbij de koper, [eiseres], een hogere prijs wilde betalen dan de verkoper, [gedaagde], wilde ontvangen, is door [eiseres] niet weersproken. [eiseres] heeft gesteld dat zij een waardering van de aandelen in Stortgas heeft gemaakt op basis van verschillende documenten. Deze documenten waren gedeeltelijk als bijlage bij de latere overeenkomst gevoegd, deels was de herkomst van deze documenten niet duidelijk (althans, zo is tijdens het pleidooi door de advocaat van [eiseres] aangegeven). De advocaat van [gedaagde] heeft aangegeven dat [eiseres] deze documenten waarschijnlijk hadden ontvangen in hun hoedanigheid van indirect aandeelhouder van [gedaagde].

2.2.5

Wat daarvan zij, uit de processtukken, en met name de (tekst) van de overeenkomst en uit hetgeen bij de pleidooien naar voren is gebracht, blijkt niet dat het uitgangspunt bij de vaststelling van de koopsom van de aandelen in Stortgas ‘de waarde’ van de aandelen is geweest. De koper, [eiseres], heeft voor de aandelen meer betaald dan deze volgens de verkoper, [gedaagde], waard waren. Gesteld noch gebleken is dat tussen partijen is overeengekomen op welke wijze, en aan de hand van welke gegevens de door [eiseres] gewenste hogere koopprijs berekend diende te worden. [eiseres] stelt de koopprijs te hebben gebaseerd op verschillende documenten. Van verschillende van deze documenten is de juistheid door [gedaagde] niet gegarandeerd in de overeenkomst. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de hoogte van de koopprijs voor de aandelen Stortgas mede is vastgesteld in het licht van andere overeenkomsten die op dezelfde dag zijn gesloten en die betrekking hebben op de overdracht van aandelen in het kapitaal van enkele andere vennootschappen waarmee Stortgas in een groep verbonden was. Dat de koopprijs die [eiseres] voor de aandelen heeft voldaan geen juiste prijs zou zijn, kan in het licht van al het voorgaande niet als een tekortkoming aan [gedaagde] worden tegengeworpen. Er bestaat daarom geen aanleiding de koopsom voor de aandelen als uitgangspunt voor een schadeberekening te hanteren.

De rechtbank zal de vordering van [eiseres] dan ook afwijzen voor zover deze is gebaseerd op vergoeding van schade omdat zij een te hoge koopsom voor de aandelen in Stortgas zou hebben voldaan.

2.2.6

Wat betreft de schade als gevolg van inbreuken op garanties overweegt de rechtbank als volgt. Door [gedaagde] is de garantie gegeven dat het eigen vermogen zoals genoemd in de jaarrekening 1993 juist is. [eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat het eigen vermogen lager was dan vermeld in de jaarrekening 1993.

De rechtbank weet zich gebonden aan het oordeel zoals gegeven onder 8.9 van het tussenvonnis van 17 september 1998, te weten dat, als het standpunt van [eiseres] dat de jaarrekening 1993 en daarmee het gegarandeerde eigen vermogen niet correct is, het verschil tussen het gegarandeerde eigen vermogen ultimo 1993 en het eigen vermogen ultimo 1993 zoals dat volgens [eiseres] had moeten luiden, als haar schade moet worden aangemerkt.

Uit het rapport van de deskundige volgt dat de jaarrekening 1993 voor de juistheid waarvan in de overeenkomst een garantie is gegeven, niet juist is. In opdracht van de rechtbank heeft de deskundige een aangepaste jaarrekening 1993 (hierna: “de aangepaste jaarrekening”) opgesteld. [gedaagde] heeft verschillende posten op grond waarvan deze aangepaste jaarrekening is opgemaakt en is aangepast ten opzichte van de jaarrekening 1993, betwist.

2.2.7

De rechtbank acht hetgeen de deskundige heeft vastgesteld met betrekking tot het onderhanden werk, in het licht van hetgeen partijen hieromtrent hebben verklaard, correct. De balans van de aangepaste jaarrekening zoals die is gepresenteerd op pagina 38 van het deskundigenrapport behoeft op dat onderdeel geen aanpassing.

2.2.8

Wat betreft de post handelsdebiteuren overweegt de rechtbank dat tussen partijen nog discussie is omtrent vorderingen op Energiebedrijf van Groningen en Drenthe en GTI Industriële Service (hierna: “de oninbare vorderingen”). Tussen partijen staat vast dat de oninbare vorderingen niet zijn geïnd. Het Hof heeft in zijn arrest van 24 december 2002 onder 8.2 overwogen dat [eiseres] nog aandacht dient te besteden aan de oninbaarheid van deze vorderingen en aan haar inspanningen om tot voldoening te komen. De deskundige heeft in zijn rapport omtrent de oninbare vorderingen overwogen dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de vorderingen worden betwist, dat de reguliere krediettermijnen ten aanzien van deze facturen per balansdatum al reeds geruime tijd waren overschreden en dat hij veronderstelt dat de betwisting bij Stortgas bekend moet zijn geweest per balansdatum, doch tenminste bij het opmaken van de jaarrekening 1993. Op grond hiervan had naar het oordeel van de deskundige een voorziening moeten worden opgenomen.

2.2.9

Gezien de overwegingen van de deskundige, die [gedaagde] niet, althans onvoldoende heeft betwist, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de oninbare vorderingen inderdaad oninbaar waren. Van [eiseres] kan dan niet meer worden verlangd dat zij zich nog inspant om tot voldoening van deze vorderingen te komen. De balans van de aangepaste jaarrekening zoals die is gepresenteerd op pagina 38 van het deskundigenrapport behoeft derhalve op dit onderdeel evenmin aanpassing.

2.2.10

De deskundige heeft op grond van hetgeen hij heeft overwogen omtrent de posten onderhanden werk en handelsdebiteuren de jaarrekening 1993 aangepast, naar de rechtbank begrijpt door aan de actiefzijde de posten “Onderhanden werk” en “Handelsdebiteuren” te verlagen en aan de passiefzijde de post “Overige reserves” eveneens te verlagen. Nu deze posten, zoals uit het hiervoor overwogene blijkt, terecht zijn aangepast, kan de aangepaste jaarrekening worden beschouwd als de jaarrekening die feitelijk juist is voor de situatie bij Stortgas ultimo 1993.

2.2.11

Uit de aangepaste jaarrekening volgt dat het eigen vermogen lager is dan uit de jaarrekening 1993 is op te maken. Er is derhalve sprake van een inbreuk op de garanties. [gedaagde] is gehouden de daaruit voortvloeiende schade te voldoen. In het licht van het tussenvonnis van deze rechtbank van 17 september 1998 dient de schade die [eiseres] heeft geleden te worden vastgesteld op het verschil tussen het eigen vermogen vermeld in de jaarrekening per ultimo 1993 (NLG 489.653,-) en het eigen vermogen ultimo 1993 zoals dat volgens de aangepaste jaarrekening had dienen te luiden, te weten NLG -/- 108.936,-. Hieruit volgt dat de schade van [eiseres] NLG 598.589,- (€ 271.627,85) bedraagt.

2.2.12

[gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag.

2.3 Oninbare debiteuren

2.3.1

De vordering van [eiseres] voor zover deze is gebaseerd op inbreuk op de garanties vanwege de oninbaarheid van vorderingen wordt afgewezen.

[eiseres] baseert deze vordering op artikel 2.1 (i) van de overeenkomst. In dit artikel wordt verwezen naar vorderingen die voorkomen op de Balans, waarbij de Balans volgens de definities in de overeenkomst de jaarrekening 1993 is. Bij de verdere beoordeling dient, gelet op hetgeen onder 2.2 is overwogen, te worden uitgegaan van de aangepaste jaarrekening.

2.3.2

In de aangepaste jaarrekening zijn de oninbare vorderingen niet opgenomen in de post handelsdebiteuren (althans zijn zij op nul gezet). Gezien het feit dat deze debiteuren in de aangepaste jaarrekening niet zijn opgenomen, althans op nul zijn gesteld, is de reductie van de koopprijs door niet inbaarheid van de oninbare vorderingen eveneens nul.

Het feit dat de oninbare vorderingen oninbaar waren is, zoals hiervoor overwogen, immers reeds verdisconteerd in de aangepaste jaarrekening. Door de aanpassingen komen de genoemde oninbare vorderingen niet meer voor op de balans en is de door [eiseres] op dit punt geleden schade reeds verdisconteerd in het lagere eigen vermogen.

2.4 Vergoeding kosten

2.4.1

[eiseres] heeft voorts vergoeding van de door haar gemaakte kosten gevorderd op grond van hetgeen partijen in de overeenkomst waren overeengekomen in artikel 4.1 daarvan. [eiseres] heeft verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd.

2.4.2

De schadestaatprocedure (artikel 612 e.v. Rv (oud)) kan uitsluitend toepassing vinden bij wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, zoals die uit wanprestatie, een onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking, en niet uit een rechtshandeling. De vordering op grond van artikel 4.1 van de overeenkomst is een vordering die strekt tot nakoming van een contractuele verplichting tot schadevergoeding. Bij een zodanige vordering is een verwijzing naar de schadestaatprocedure niet aan de orde, nu deze uitsluitend betrekking heeft op wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding, waartoe de nakoming van artikel 4.1 van de overeenkomst niet behoort. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat [eiseres] nog tijdens het pleidooi heeft aangeboden om desgewenst een nadere specificatie te geven van de tot op dat moment door haar gemaakte kosten, zullen partijen, nu zij zich nog niet hierover hebben uitgelaten, in de gelegenheid worden gesteld op dit onderdeel nog een nadere akte te nemen teneinde zich omtrent een en ander uit te laten.

In reconventie

2.5

De rechtbank houdt iedere beslissing in reconventie aan.

3 De beslissing

De rechtbank,

in conventie en in reconventie

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 11 juni 2008 voor het nemen van een akte door [eiseres] met betrekking tot hetgeen is overwogen onder 2.4.2.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen, mr. J.C.A.T. Frima en mr. A. Schaberg.

Uitgesproken in het openbaar.

1659/196/1914