Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BI3779

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-09-2008
Datum publicatie
14-05-2009
Zaaknummer
10/641027-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Aan de verdachte wordt terzake een winkeldiefstal de ISD-maatregel opgelegd. In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft gevorderd, heeft de rechtbank de periode van voorarrest (bijna 9 maanden) op de maatregel in mindering gebracht. De door de wetgever gegeven mogelijkheid bij het opleggen van de ISD-maatregel geen rekening te houden met de duur van het voorarrest is enerzijds ingegeven door de wens de maatregel op een zo zinvol en effectief mogelijke wijze uit te voeren en noopt anderzijds tot een meer dan gebruikelijke voortvarendheid teneinde de duur van het voorarrest te beperken. Uit het voorgaande volgt evenwel dat het bij het opleggen van de ISD-maatregel aan de verdachte de bestrijding van overlast voorop blijft staan. Dat doel is al geëffectueerd gedurende de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Executie ISD-maatregel bij deze verdachte is beeindigd per 1 juli 2009 bij raadkamerbeschikking van 21 april 2009, LJN BI2262.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 38m
Wetboek van Strafrecht 38n
Wetboek van Strafrecht 38s
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/641027-08

Datum uitspraak: 22 september 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1961 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Rijnmond, Stadsgevangenis te Rotterdam,

raadsman mr. W.A.E.M. Amesz, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van drie flessen shampoo uit een winkel.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Polescuk heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van de tijd die de verdachte al in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Nu de verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting;

- een aanhouding- en aangifteformulier d.d. 16 januari 2008, opgemaakt en ondertekend door [aangever], beveiligingsbeambte;

- het ambtsedig proces-verbaal van politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 16 januari 2008, nummer 2008018447-2 (proces-verbaal van overname).

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 16 januari 2008 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een winkelpand, gelegen aan de [adres] heeft weggenomen drie flessen shampoo, toebehorende aan [winkel].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op: diefstal.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

MOTIVERING MAATREGEL

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Voorts is de verdachte blijkens het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 16 januari 2008 in de vijf jaren voorafgaande aan bovengenoemde diefstal meer dan driemaal tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel veroordeeld. Die veroordelingen zijn onherroepelijk. De onderhavige diefstal is gepleegd na de tenuitvoerlegging van deze straffen en maatregel. Er moet voorts ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Aldus is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een ISD-maatregel.

Namens Reclassering Nederland heeft de reclasseringsmedewerker B. Schuurman op 21 januari 2008 en 21 april 2008 rapporten over de verdachte uitgebracht. In het laatste rapport wordt vastgesteld dat de recidivekans van de verdachte erg hoog is.

Tijdens zijn eerdere plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders – welke plaatsing eindigde in januari 2008 – heeft de verdachte iedere interventie en hulp geweigerd, zo merkt de rapporteur op. Ook thans weigert de verdachte hulp en bemoeienissen vanuit Justitie en hulpverlening. De rapporteur is van mening dat een volgende ISD-maatregel zonder interventie niet wenselijk is. Hij acht het – indien de rechtbank besluit een ISD-maatregel op te leggen – noodzakelijk dat hem zorg wordt geboden. Geadviseerd wordt na zes maanden een tussenevaluatie in te lassen, om duidelijkheid te krijgen welke zorg de verdachte kan worden aangeboden. Gezocht moet worden naar een gesloten setting (long stay), zoals de Heuve in Beilen, waar gewerkt kan worden aan het stabiliseren van de psychische gesteldheid van de verdachte, het instellen van de medicatie en het terugdringen van zijn middelengebruik. Daarna zal de verdachte mogelijk meer ontvankelijk zijn voor verdere interventies, zo is de verwachting. Uiteindelijk zal de verdachte gebaat zijn bij opname in een beschermde woonvorm.

Op 17 augustus 2008 heeft ook klinisch psycholoog B.F. Hoek een rapport over de verdachte uitgebracht. In dit rapport concludeert hij dat de verdachte een lage intelligentie, grenzend aan zwakbegaafdheid, heeft en lijdt aan een (chronisch) schizofrene stoornis (paranoïde type). Daarnaast maakt de verdachte misbruik van middelen, te weten cannabis, cocaïne en heroïne. Tevens vertoont hij trekken van een paranoïde en antisociale persoonlijkheid. De relatie tussen zijn ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling was door het ontbreken van medicatie en de toename van zijn hallucinaties en wanen van zodanige aard dat de verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Wanneer de verdachte niet behandeld wordt voor zijn ziekelijke stoornis, geen passende medicatie krijgt en vasthoudt aan zijn drugsgebruik, dan is volgens de rapporteur de kans op recidive hoog. De verdachte heeft weinig structuur, ontbeert ziekte-inzicht en weigert iedere hulp. Hij lijkt niet overtuigd van zijn stoornis en heeft geen inzicht in de negatieve invloed die drugsgebruik heeft op zijn schizofrenie. Teneinde zijn stoornis te kunnen beïnvloeden, zou de verdachte baat kunnen hebben bij een opname in een gesloten setting, waarbij hij ingesteld wordt op depotmedicatie en gewerkt wordt aan het verminderen van zijn middelengebruik. In de toekomst behoeft de verdachte verdere begeleiding, waaronder een beschermde woonvorm. Een en ander zou mogelijk kunnen worden bewerkstelligd binnen een ISD-traject, aldus de rapporteur.

De rechtbank begrijpt bovenstaande rapporten aldus dat de rapporteurs geen contra-indicaties zien voor het opleggen van de ISD-maatregel. Voor het overige kan de rechtbank zich vinden in de conclusies. Zij neemt die over.

De vele tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen en de eerdere ISD-maatregel hebben er niet toe geleid dat hij zijn gedrag heeft veranderd. Integendeel: slechts enkele dagen na de beëindiging van de vorige ISD-maatregel heeft hij zich schuldig gemaakt aan de onderhavige diefstal. Door keer op keer diefstallen te plegen veroorzaakt de verdachte stelselmatig overlast en schade voor de slachtoffers. Het is juist ook die stelselmatigheid die in ernstige mate bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid van burgers. Gelet hierop vergt de veiligheid van personen en goederen dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de maximale duur van twee jaren. Met het opleggen van deze maatregel kan worden bereikt dat de maatschappij wordt beveiligd en de recidive van de verdachte wordt beëindigd, in elk geval gedurende genoemde periode.

Door de verdediging is aangevoerd dat, gelet op het verloop en geringe effect van de eerder aan de verdachte opgelegde ISD-maatregel, het opnieuw opleggen van de ISD-maatregel zinloos is. De rechtbank heeft onder ogen gezien dat het opleggen van de ISD-maatregel aan de verdachte, gelet op zijn eerdere houding ten aanzien van geboden hulp en interventie, in het onderhavige geval mogelijk niet of nauwelijks zal bijdragen aan het oplossen van zijn problematiek. Dat legt echter onvoldoende gewicht in de schaal. Beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive is immers het primaire doel van een ISD-maatregel. Het is desgewenst aan de verdachte zelf om in samenspraak met begeleiders ook voor hem persoonlijk een zo zinvol mogelijke invulling te geven aan de maatregel. Aan dit oordeel van de rechtbank draagt bij dat het door de verdachte zelf geschetste alternatief – terugkeer naar zijn land van herkomst – onvoldoende reëel is. De verdachte heeft immers zelf verklaard dat hem de middelen voor een dergelijke reis ontbreken, terwijl ook zijn naaste familie (ouders en eigen gezin met kinderen) hier te lande verblijft.

Anders dan door de Officier van Justitie bepleit, wordt aanleiding gezien de duur van de inverzekeringstelling en de voorlopige hechtenis op de maatregel in mindering te brengen. De door de wetgever gegeven mogelijkheid bij het opleggen van de ISD-maatregel geen rekening te houden met de duur van het voorarrest is enerzijds ingegeven door de wens de maatregel op een zo zinvol en effectief mogelijke wijze uit te voeren en noopt anderzijds tot een meer dan gebruikelijke voortvarendheid teneinde de duur van het voorarrest te beperken. Uit het voorgaande volgt evenwel dat het bij het opleggen van de ISD-maatregel aan de verdachte de bestrijding van overlast voorop blijft staan. Dat doel is al geëffectueerd gedurende de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Nu de ISD-maatregel in dit geval – gelet op de tot nu toe bestaande onwil van de verdachte – niet noodzakelijkerwijs mede strekt tot oplossing van zijn problematiek, en het voorarrest voorts bijna negen maanden heeft geduurd, bestaat aanleiding de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht op de duur van de maatregel in mindering te brengen.

Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen omtrent het primaire doel van de aan de verdachte op te leggen maatregel, laat onverlet het belang van de observaties in de hierboven weergegeven rapporten. Daaruit volgt immers dat de verdachte baat zou kunnen hebben bij opname in een gesloten setting, alwaar gewerkt kan worden aan juiste medicatie, het stabiliseren van zijn psychische gesteldheid en het terugdringen van zijn middelengebruik. De rechtbank geeft de desbetreffende autoriteiten dan ook in overweging de verdachte binnen het ISD-traject te plaatsen in een – gegeven zijn problematiek – passende omgeving, zoals ook in de reclasseringsrapportage is geadviseerd. Hoewel mogelijk ten overvloede, geeft de rechtbank die autoriteiten en de trajectbegeleiders ook in overweging zich, met inachtneming van de bij de verdachte geconstateerde stoornis en zijn gebrek aan ziekte-inzicht, daadwerkelijk en wellicht méér dan tijdens de eerste ISD-periode in te spannen de verdachte te bewegen zich voor interventies open te stellen. Om op een en ander zicht te houden zal de rechtbank gelasten dat zij uiterlijk zes maanden na het onherroepelijk worden van de onderhavige uitspraak over het verloop van de tenuitvoerlegging van de maatregel wordt geïnformeerd.

Alles afwegend wordt na te noemen maatregel passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 38m, 38n, 38s en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat de rechtbank over 6 (zes) maanden na het onherroepelijk worden van deze uitspraak door het Openbaar Ministerie wordt bericht over de wenselijkheid of nood¬zakelijkheid van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde maatregel in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Klaveren, voorzitter,

en mrs. Visser en Th. Veling, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 september 2008.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 22 september 2008:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 16 januari 2008 te Rotterdam

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel(pand), gelegen op/aan de [adres] heeft weggenomen drie setjes met daarin shampoo, althans drie flessen shampoo, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [winkel], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

(artikel 310 Sr)