Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BI3385

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
08-05-2009
Zaaknummer
319943 / KG ZA 08-1115
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

onrechtmatige daad

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel

Zaak-/rolnummer: 319943 / KG ZA 08-1115

Uitspraak: 23 december 2008

VONNIS van de voorzieningenrechter in de zaak van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vennootschap

naar het recht van Denemarken

SALESPARTNERS A/S,

gevestigd te Albertslund (Denemarken),

eiseres,

advocaat mr. C.A. de Jong,

- tegen -

1. [gedaagde sub 1],

h.o.d.n. SALESPARTNERS BENELUX B.V.,

danwel h.o.d.n. SALESPARTNERS EXECUTIVE COACHTING en

h.o.d.n. MASTERS OF SALES ECADAMY (MOSE),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SALESPARTNERS BENELUX B.V.,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MASTERS OF SALES ECADEMY (MOSE),

alle gevestigd te Schiedam,

gedaagden,

advocaat mr. R.C.M. van Moorsel,

4. [gedaagde sub 4],

h.o.d.n. [gedaagde sub 4] ADVIES/

MASTERS OF SALES EUROPE,

gevestigd te Hoogeveen,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Gevers.

Eiseres wordt aangeduid als “Salespartners”. Gedaagden worden hierna gezamenlijk

als zodanig aangeduid. Gedaagden afzonderlijk worden respectievelijk aangeduid

als “[gedaagde sub 1]”, “Salespartners Benelux B.V.”, “Masters of Sales Ecademy” en

“[gedaagde sub 4]”.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van:

- dagvaarding d.d. 9 december 2008;

- pleitnotities en producties van mr. De Jong;

- pleitnotities van mr. Van Moorsel;

- pleitnotities van mr. Gevers.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van

16 december 2008.

2 De vaststaande feiten

2.1

Salespartners is een onderneming die zich onder meer bezig houdt met de verkoop en het verzorgen van trainingen en het verzorgen van workshops. Centraal daarbij staat een DVD

([A.] 9 steps towards the professional salesperson), waarvoor Salespartners de rechten houdt.

2.2

Salespartners en [gedaagde sub 1] hebben op 20 augustus 2008 een franchiseovereenkomst (hier-na: de overeenkomst) gesloten. Op basis van de overeenkomst was [gedaagde sub 1] in het verle-den gerechtigd om, tegen vergoeding, de producten van Salespartners op aanvankelijk de Nederlandse markt (later de gehele Benelux markt) te brengen. In de overeenkomst is onder 5.1 het volgende opgenomen:

“This agreement shall be governed and interpreted in accordance with the laws of Denmark. In case of any disputes or differences, the parties shall make every effort to settle the dispute outside the court. In case of court, the court is in Copenhagen. SP (Salesparners, opmerking voorzieningenrech-ter) has to notice SPHOL ([gedaagde sub 1], opmerking voorzieningenrechter) in advantage of minimum 1 month.”

2.3

Per e-mail van 7 oktober 2008 heeft [B.] namens Salespartners aan [gedaagde sub 1] geschreven (voor zover hier relevant):

“…

We received your letter per 3/10-2008 as response to our 2 warnings about the theft of our payments and the theft of the BENELUX partners payments from their sales you received but didn’t send to us.

We hereby terminate your country license for BENELUX according to breach of § 2.2, § 4.1.2., § 7.2, § 8.5 in your country owner contract.

Your total depth is divided into 4 areas:

(…)

You can avoid further costs to a court case and further interests by paying in the full of amount of 94.925,25 Euro before 15/10-2008. Failure to pay the full depth will result in aan imideatelincasso demand against your company as well as personally on you. We hereby also remind you that all po-tential court matters will take place in Copenhagen court case, See § 5.1. We will chase the money you owe us until the last Euro, make no doubt about that!

…”

2.4

[gedaagde sub 4] was op 2 november 2007 (met de eenmanszaak Salespartners Executive

Coaching) van [gedaagde sub 1] een samenwerkingsovereenkomst aangegaan. Deze overeen-komst is op 19 augustus 2008 opgezegd. [gedaagde sub 4] heeft alle Salespartners producten overgedragen aan [gedaagde sub 1].

2.5

[gedaagde sub 1] is, handelend onder de naam Masters of Sales Europe B.V., op 22 september 2008 met [gedaagde sub 4] een samenwerkingsovereenkomst aangegaan op ondermeer het ge-bied van het geven van workshops, cursussen, consultancy technieken en power point pre-sentaties.

3 Het geschil

3.1

Op gronden als in de dagvaarding vermeld en ter zitting toegelicht, vordert Salespartners na wijziging dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. ter zitting ingetrokken;

2. Gedaagden te verbieden om binnen twee uren na het ten deze te betekenen vonnis nog enig gebruik te maken van de werkwijzen, de producten, de klanten, kortom het bedrijfsdebiet van Salespartners in de ruimste zin van het woord en aan Salespart-ners af te geven alle haar toekomende eigendommen, zoals producten, (…) alles op straffe van een dwangsom ad € 10.000,-- voor iedere dag dat (één der) gedaagden zich niet aan dit rechterlijk verbod houdt;

3. Gedaagden te veroordelen om aan Salespartners een voorschot op haar schade te be-talen ad € 50.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten;

4. Gedaagden te veroordelen in de ten deze te begroten proceskosten.

3.2

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] voeren gemotiveerd verweer, waarop hierna, voor zover van

belang, wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1

Op grond van het verhandelde ter zitting en de overgelegde stukken is niet aannemelijk

geworden dat Salespartners Benelux B.V. en Masters of Sales Ecademy bestaande rechts-personen zijn. Op grond hiervan kan Salespartners in haar vorderingen jegens Salespartners Benelux B.V. en Masters of Sales Ecademy niet worden ontvangen.

in de zaak tegen [gedaagde sub 1]

4.2

[gedaagde sub 1] heeft voor alle weren de bevoegdheid van de voorzieningenrechter te Rotter-dam bestreden ten aanzien van de jegens hem ingestelde vorderingen.

[gedaagde sub 1] heeft zich in dit verband beroepen op de exclusieve forumkeuze die partijen onder artikel 5.1 van de overeenkomst zijn overeengekomen (zie 2.2), welke forumkeuze nadien is bevestigd in de door Salespartners aan [gedaagde sub 1] gestuurde mail (zie 2.3).

Bovendien zijn de door Salespartners gevorderde voorzieningen van een zodanige aard dat deze nagenoeg gelijk zijn te stellen met voorzieningen ten principale, een reden te meer om deze gevorderde voorzieningen door de Deense rechter te laten beoordelen.

Verder heeft [gedaagde sub 1] aangevoerd dat - zelfs indien de forumkeuze niet exclusief zou zijn en de Nederlandse rechter mede bevoegd zou zijn - er geen sprake is van een voorlopige of bewarende maatregel in de zin van het EEX-Verdrag danwel de EEX-verordening.

Op basis van het Europese recht (zie Van Uden/Deco Line - HvJ EG 17 november 1998,

NJ 1999, 339) geldt immers dat:

1. er door de eisende partij, voor het geval de eisende partij in de bodemprocedure in het ongelijk wordt gesteld, een toereikende garantie wordt verschaft voor restitutie van hetgeen betaald wordt onder een eventuele veroordeling in het incasso kort geding;

2. de vereiste materiële voorzieningen ten uitvoer moeten worden gelegd op vermogensbe-standdelen die zich in Nederland bevinden.

Bij voornoemde voorwaarden weegt bovendien zwaar dat de voorzieningenrechter in casu een (voorlopig) oordeel zou moeten vellen over een eventuele toewijzing van de vorderin-gen naar het recht van Denemarken.

4.3

De vraag of deze rechtbank bevoegd is, moet beantwoord worden aan de hand van de EEX-verordening (hierna: EEX-Vo). Het betreft hier immers een burgerlijke en/of handelszaak tussen partijen, gevestigd in verschillende EU-staten. Inmiddels geldt de EEX-Vo ook voor Denemarken.

4.4

In artikel 5.1 van de overeenkomst is een forumkeuze opgenomen, hetgeen op zich niet in geschil is; voorts staat vast dat deze nadien tussen partijen opnieuw op dezelfde wijze is vastgelegd in een nieuw contract, waarbij het werkingsgebied onder de overeenkomst werd uitgebreid tot de hele Benelux. Gelet op het bepaalde in artikel 23 EEX-Vo, is in casu de Deense rechter - zowel in een bodemprocedure als in een spoedprocedure - exclusief

bevoegd en komt de Nederlandse rechter in beginsel geen rechtsmacht toe.

4.5

Hiervan kan onder omstandigheden, op grond van artikel 31 EEX-Vo, worden afgeweken.

Ingevolge artikel 31 EEX-Vo kunnen in de wetgeving van een verdragsluitende staat voor-ziene voorlopige of bewarende maatregelen bij de rechterlijke autoriteiten van die staat worden aangevraagd, zelfs indien een gerecht van een andere verdragsluitende staat krach-tens dit verdrag bevoegd is van het bodemgeschil kennis te nemen. Onder voorlopige of be-warende maatregelen in de zin van dit artikel moeten worden verstaan die maatregelen die bedoeld zijn om feitelijk dan wel juridisch een situatie ter bewaring van rechten te handha-ven, waarvan de erkenning langs andere weg wordt gevraagd voor de rechter die van het bodemgeschil kennis neemt, in casu de Deense rechter. Daarnaast dient er, naast spoedei-send belang bij de gevraagde maatregel, een reële band te bestaan tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de aangezochte rechter, in in casu Nederland.

4.6

Salespartners heeft ter zitting aangegeven haar vorderingen te baseren op het plegen van wanprestatie door [gedaagde sub 1] op grond van de tussen [gedaagde sub 1] en haar gesloten over-eenkomst.

Voor wat betreft het onder 3 gevorderde - een voorschot op de schadevergoeding - zien de vorderingen van Salespartners niet op voorlopige of bewarende maatregelen in de zin van artikel 31 EEX-Vo. Er is hier immers, bij toewijzing van de vordering, geen sprake van voorlopige maatregelen die zien op het (feitelijk dan wel juridisch) handhaven van bewaring van rechten van Salespartners, maar het betreft hier een voorlopige maatregel die ziet op het nemen van een voorschot op hetgeen de (Deense) rechter in de bodemprocedure zal beslis-sen.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat reeds hierom haar geen bevoegdheid op grond van artikel 31 EEX-Vo toekomt, nog daargelaten het feit dat Sales-partners in deze procedure niets heeft gesteld aangaande het spoedeisend belang dat zij heeft bij die vordering en de reële band tussen de verzochte voorlopige maatregel en het

Nederlands grondgebied.

Voor wat betreft het onder 2 gevorderde verbod is het spoedeisend belang voldoende duide-lijk. Wat de band met Nederland is, is echter niet toegelicht; het gaat blijkbaar om een (in-ternationaal toegankelijke) website die door [gedaagde sub 1] (en/of [gedaagde sub 4]) wordt geëx-ploiteerd en om door hem/hen benaderde of te benaderen klanten in Nederland, maar ook in diverse andere landen. Bovendien is het gevraagde verbod zeer ruim van strekking en om die reden zonder behoorlijke toelichting onvoldoende als een bewarende of voorlopige maatregel te kwalificeren. Niet valt in te zien waarom de Deense rechter - die Salespartners ook na het ontstaan van het conflict nog noemt als de bevoegde rechter - de gevraagde maat-regelen niet net zo goed zou kunnen treffen.

Ten aanzien van het gevraagde gebod tot het afgeven van eigendommen is door [gedaagde sub 1]

gesteld - en voorshands onvoldoende betwist - dat daaraan reeds is voldaan (de doos is in elk geval op het kantoor van de raadsman van Salespartners aangekomen).

Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter zich onbevoegd van de vordering van Salespartners kennis te nemen. Het door Salespartners in de dagvaarding aangehaalde von-nis ziet op een situatie waarin de EEX-Vo geen rol speelt en mist dus belang.

4.7

Ten overvloede zij opgemerkt, dat indien de voorzieningenrechter bevoegd zou zijn geweest om van onderhavige vorderingen kennis te nemen, zij niet toe zou komen aan toewijzing hiervan. Immers, de reikwijdte van het tussen Salespartners en [gedaagde sub 1] gesloten con-tract en de vraag of [gedaagde sub 1] wanprestatie pleegt dienen beoordeeld te worden naar Deens recht. Hoewel op zichzelf aannemelijk is dat ook naar Deens recht contracten moeten worden nagekomen is veel minder evident dan Salespartners stelt dat het handelen van [gedaagde sub 1] daarmee in strijd is.

Nu Salespartners immers uitdrukkelijk ter zitting heeft verklaard géén beroep te doen op enigerlei vorm van intellectuele eigendom enerzijds en ter zitting aannemelijk is geworden dat alle (fysieke) Salespartners producten zijn geretourneerd anderzijds gaat het in de kern kennelijk om een, uit de overeenkomst (waarvan de geldende tekst niet is overgelegd) voortvloeiend concurrentieverbod dat ook geldt na afloop van die overeenkomst. Wat, mede in het licht van het beginsel van vrije mededinging, de reikwijdte is van een dergelijk verbod naar Deens recht is door Salespartners niet nader onderbouwd.

Uit het beschikbare materiaal blijkt dat er weliswaar overeenkomsten zijn tussen het thans door [gedaagde sub 1] (en [gedaagde sub 4]) gebruikte materiaal en dat van Salespartners, maar ook verschillen, terwijl de naam/het logo van Salespartners in het materiaal van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] nergens genoemd wordt. De voorzieningenrechter acht op basis van dat materi-aal en de onzekerheid over de wijze waarop naar Deens recht geoordeeld zal worden voor een zo vèrgaand verbod als nu gevorderd geen plaats.

Daarbij is in aanmerking genomen dat [gedaagde sub 1] (en [gedaagde sub 4]) ter zitting heeft/hebben toegezegd de bedrijfspresentatie van Salespartners, zoals deze door Salespartners ter zitting is overgelegd en aan dit vonnis is gehecht, niet te zullen gebruiken binnen hun bedrijfsvoe-ring dan wel anderszins.

in de zaak tegen [gedaagde sub 4]

4.8

Salespartners baseert haar vordering uitdrukkelijk niet op inbreuk op enig intellectueel

eigendomsrecht, doch louter op een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 4], die gelegen is in het profiteren van de wanprestatie van [gedaagde sub 1]. Hetgeen hiervoor onder (4.6 en) 4.7 is overwogen geldt mutatis mutandis voor deze vordering evenzeer. Daar komt nog bij, dat naar Nederlands recht het profiteren van de wanprestatie van een ander slechts onrechtmatig is als sprake is van bijkomende omstandigheden. Dat dit het geval is, is onvoldoende aan-nemelijk, terwijl voorts onzeker is hoe een en ander naar Deens recht beoordeeld zal wor-den.

Ter zitting is namens Salespartners toegezegd dat zij uiterlijk op vrijdag 19 december 2008 een bankgarantie van € 4.500,00 ten name van [gedaagde sub 4] zou stellen als zekerheid voor de - op grond van art. 1019h Rv - door [gedaagde sub 4] gevorderde werkelijk gemaakte proceskos-ten. Indien Salespartners voornoemde afspraak niet zou nakomen, zou de voorzieningen-rechter geen vonnis wijzen. Nu inmiddels geen sprake meer blijkt te zijn van een IE-geschil is art. 1019h Rv niet van toepassing. Voor de “gewone” proceskostenveroordeling behoeft geen zekerheid (als bedoeld in art. 224 Rv) gesteld te worden omdat de EEX-Vo daaraan - gelet op art. 224 lid 2 onder b Rv - in de weg staat.

in de zaak tegen beide bestaande gedaagden

4.9

Salespartners zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] van deze procedure.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

verklaart Salespartners niet ontvankelijk in haar vorderingen jegens Salespartners Benelux B.V. en Masters of Sales Ecademy;

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen van Salespartners ten aanzien van Von Bor-stel kennis te nemen;

wijst af de vorderingen ten aanzien van [gedaagde sub 4];

veroordeelt Salespartners in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 1] bepaald op € 254,= aan verschotten en op € 816,= aan salaris voor de advocaat en aan de zijde van [gedaagde sub 4] bepaald op € 254,= aan verschotten en op € 816,= aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis, voor zover het de kostenveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij

voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, voorzieningenrechter, in

tegenwoordigheid van mr. H.C.Fraaij, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1862/106