Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BH1977

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
249770 / HA ZA 05-3210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease. Aanhouding zaak in afwachting van Hoge Raad in Dexia-zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 249770 / HA ZA 05-3210

Uitspraak: 10 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap LEVOB BANK N.V.,

gevestigd te Leusden,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

hierna te noemen: Levob,

advocaat mr. J.D. Loorbach,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

hierna te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2],

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij.

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

de dagvaarding van 27 oktober 2005 met de producties 1 tot en met 4;

de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie;

de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie;

de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie;

de conclusie van dupliek in reconventie, met de producties 5 tot en met 11.

2. Het geschil

Levob vordert in conventie op grond van een in 2001 gesloten "overeenkomst Het Levob Hefboom Effect" betaling van een bedrag van € 27.093,98 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], te vermeerderen met rente en kosten.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer tegen deze vordering en vorderen in reconventie - kort gezegd - een verklaring dat voornoemde overeenkomst nietig of ontbonden is, met veroordeling van Levob tot terugbetaling van reeds betaalde bedragen en tot vergoeding van schade. Levob voert op haar beurt verweer tegen deze reconventionele vorderingen.

3. De beoordeling

3.1 Vaststaat dat partijen in september 2001 een overeenkomst van effectenlease hebben gesloten, genaamd "overeenkomst Het Levob Hefboom Effect", op grond waarvan Levob voor rekening en risico van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een bedrag van (in totaal) € 70.000,= heeft belegd, welk bedrag Levob daarbij als lening heeft verstrekt aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Deze overeenkomst vormt de grondslag voor de in deze procedure over en weer ingestelde vorderingen.

3.2 Het laatste processtuk is de (58 pagina's tellende) conclusie van dupliek in reconventie van 1 november 2006. Door wisselingen in de personele bezetting binnen de sector civiel recht en door bestaande achterstanden is deze zaak pas nu ter beoordeling ter hand genomen door de thans behandelend rechter.

Vastgesteld moet worden dat over de onderhavige materie - effectenlease - inmiddels veel jurisprudentie is verschenen, met name van de rechtbank en van het gerechtshof in Amsterdam in de zogenoemde Dexia-zaken. In deze jurisprudentie komt het belangrijkste deel van de ook in de onderhavige procedure spelende geschilpunten aan de orde, onder meer over de rol van tussenpersonen en de vraag of deze als hulppersonen kunnen worden aangemerkt.

Voorts is van belang dat de Hoge Raad naar verwachting in februari of maart 2009 uitspraak kan doen in een in cassatie aanhangig gemaakte effectenleasezaak (zie: rechtspraak.nl onder rechtbank Amsterdam: persbericht van 25 november 2008).

3.3 Het opgetreden tijdsverlies ten spijt, bestaat op grond van een goede en efficiënte procesorde aanleiding deze procedure aan te houden totdat de Hoge Raad vorenbedoelde uitspraak heeft gedaan.

Verwacht mag worden dat partijen dan in staat zullen zijn hun geschil onderling door middel van een schikking te regelen. Indien dat niet het geval mocht zijn, mag van partijen worden verlangd in deze procedure aan te geven welke geschilpunten nog resteren gelet op de dan bekende jurisprudentie.

3.4 Voorts dient de vraag onder ogen te worden gezien of het onderhavige geschil een zaak betreffende een huurkoopovereenkomst is, in welk geval op grond van artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de zaak niet door de sector civiel recht maar door de kantonrechter (van de sector kanton van de rechtbank Rotterdam) dient te worden behandeld.

Op grond van artikel 71 lid 2 Rv kan ambtshalve verwijzing plaatsvinden naar de kantonrechter. De rechtbank dient op grond van artikel 71 lid 3 Rv de vraag of de zaak dient te worden verwezen naar de kantonrechter te beantwoorden aan de hand van haar voorlopige oordeel over het onderwerp van het geschil. Alvorens omtrent verwijzing te beslissen dienen partijen in de gelegenheid te zijn geweest zich hierover uit te laten.

3.5 De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte respectievelijk antwoordakte, waarin partijen zich (uitsluitend) kunnen uitlaten over voormelde aanhouding in afwachting van het arrest van de Hoge Raad, alsmede over mogelijke verwijzing naar de kantonrechter.

4. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 januari 2009 om partijen, Levob als eerste, in de gelegenheid te stellen zich bij akte respectievelijk antwoordakte uit te laten als hiervoor aangegeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694]