Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BH1633

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
03-02-2009
Zaaknummer
318362 / KG RK 08-3170
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek ex artikel 1031 lid 2 tot beëindiging van het scheidsgerecht omdat niet is voldaan aan de voorwaarde dat sprake moet zijn van herhaalde aanmaning, waarna het scheidsgerecht zijn opdracht op onaanvaardbaar trage wijze blijft uitvoeren

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 1031
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2010, 41
JBPr 2009/21 met annotatie van Jeroen Fleming
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rekestnummer: 318362 / KG RK 08-3170 (beëindiging van de opdracht van scheids-gerecht)

Uitspraak: 2 december 2008

BESLISSING van de voorzieningenrechter op het op 18 september 2008 ingekomen ver-zoekschrift (met bijlagen) van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRETIUM FINANCE B.V.,

gevestigd te Haarlem,

verzoekster,

advocaat: mr. E.J. Rietema,

inhoudende het verzoek om de opdracht te beëindigen van het scheidsgerecht

waarvan deel uitmaken de arbiters:

1. [arbiter 1],

wonende te [woonplaats],

2. [arbiter 2],

wonende te [woonplaats],

3. [arbiter 3],

wonende te [woonplaats],

verweerders,

advocaat: mr. Rupert voornoemd,

en dat de zaken behandelt tussen verzoekster en

1. de vennootschap naar buitenlands recht

ACCENT EUROPE INSURANCE COMPANY LIMITED,

gevestigd te Dublin, Ierland,

2. de vennootschap naar buitenlands recht

ESG DIRECT SPAIN S.L.,

gevestigd te Madrid, Spanje,

belanghebbenden in onderhavige procedure,

advocaten: mrs. K.A.J. Bisschop en J. Bodewits.

Partijen worden hierna aangeduid als "Pretium", "de arbiters" en "Accent en ESG".

1. Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- voornoemd verzoekschrift, pleitnotities en productie van mr. Rietema;

- verweerschrift van de arbiters;

- verweerschrift en producties en pleitnotities van mrs. Bisschop en Bodewits.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 19 november 2008.

2. De feiten

2.1 Tussen Pretium enerzijds en Accent en ESG anderzijds bestaan geschillen, die zij ter berechting in twee geconsolideerde arbitrale gedingen, hierna gezamenlijk in enkelvoud aan te duiden als: het arbitraal geding, hebben voorgelegd aan de arbiters die daartoe op 20 juli 2005 zijn benoemd door het Nederlands Arbitrage Instituut, hierna: NAI.

2.2 Nadat in het arbitraal geding een conclusiewisseling heeft plaatsgevonden tot en met de conclusie van dupliek in reconventie, en waarbij over en weer uitstel is verleend, hebben Accent en ESG op 5 april 2007 de arbiters verzocht de mondelinge behandeling uit te stel-len, omdat sleutelfunctionarissen in verband met een veelomvattende gerechtelijke procedu-re in Ierland vooralsnog verhinderd zijn.

2.3 Pretium heeft zich bij faxbericht van 27 april 2007 tegen inwilliging van dat aanhou-dingsverzoek verzet en verzocht de mondelinge behandeling op korte termijn te laten plaatsvinden.

2.4 Nadat Accent en ESG hun verzoek om uitstel, en Pretium haar bezwaar daartegen nog een keer hadden herhaald, hebben Accent en ESG de arbiters op 1 mei 2007 laten weten dat in de Ierse procedure een schikking is bereikt, waardoor de mondelinge behandeling voor het scheidsgerecht wat hen betreft nog zou kunnen plaatsvinden in juni of juli.

2.5 De mondelinge behandeling in het arbitraal geding heeft, na inventarisatie van verhin-derdata door de arbiters en na een eenmalig kort uitstel op verzoek van de arbiters, uiteinde-lijk eerst plaatsgevonden op 29 oktober 2007.

2.6 Op 4 februari 2008 heeft mr. Bisschop namens Accent en ESG schriftelijk bij de arbi-ters geïnformeerd of de arbiters een indicatie zouden kunnen geven wanneer een (tus-sen)vonnis wordt gewezen. Voorts is daarbij medegedeeld dat Accent en ESG nog in de ge-legenheid gesteld zouden willen worden inmiddels verkregen nadere stukken in het geding te brengen.

2.7 In reactie daarop heeft mr. Van der Lee namens Pretium bij brief van 5 februari 2008 aan de arbiters ook navraag gedaan naar de datum waarop het tussenvonnis wordt gewezen, en ernstig bezwaar gemaakt tegen eventuele overlegging van nadere stukken.

2.8 Op 10 januari 2008 heeft het NAI ¬– voor zover thans relevant – aan de arbiters medege-deeld dat kennis is genomen van een nader uitstel van het vonnis en erop gewezen dat voor niet eenvoudige vonnissen de termijn waarop vonnis wordt gewezen gewoonlijk niet meer dan twee maanden beloopt, en dat erop vertrouwd wordt dat het vonnis thans uiterlijk over zes weken aan partijen kan worden gezonden.

2.9 Op 21 april 2008 heeft het NAI, onder verwijzing naar de onder 2.8 bedoelde brief, de arbiters erop gewezen dat sinds de mondelinge behandeling in het arbitraal geding een ‘un-heard long period’ is verstreken in afwachting van een vonnis, en het NAI dringt erop aan dat een concept van het vonnis thans zo spoedig mogelijk wordt ingezonden aan het secreta-riaat van het NAI. Het NAI wijst er daarbij op dat een van de voordelen van een arbitrale procedure via het NAI is gelegen in de voortvarende afwikkeling.

2.10 De arbiters hebben daarop jegens het NAI op zich genomen uiterlijk 1 juni 2008 von-nis te wijzen en zij hebben bij brief van 28 mei 2008 een tussenvonnis aan het NAI gezon-den; het vonnis is gewezen op 16 juni 2008.

3. De beoordeling

3.1 Aan haar verzoek de opdracht aan het scheidsgerecht in het arbitraal geding met toepas-sing van het bepaalde in artikel 1031 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorde-ring (Rv.) te beëindigen, heeft Pretium de stelling ten grondslag gelegd dat de arbiters hun opdracht op onaanvaardbaar trage wijze uitvoeren.

De arbiters en ESG en Accent hebben gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Op het verweer wordt hierna, waar nodig, nader ingegaan.

3.2 Op zichzelf heeft het arbitraal geding, totdat het tussenvonnis werd gewezen, inderdaad aanzienlijk veel langer voortgeduurd dan de gemiddelde behandelingsduur van een arbitrage zoals vermeld op de website van het NAI, waarnaar Pretium heeft verwezen.

Als vaststaande kan worden aangenomen dat niet alleen partijen, maar ook de arbiters een aandeel hebben gehad in de lange duur van het arbitraal geding tot nu toe.

Daarmee is evenwel nog niet voldaan aan de voorwaarden waaronder de voorzieningenrech-ter de opdracht van het scheidsgerecht kan beëindigen. Op grond van artikel 1031 lid 2 Rv. kan de voorzieningenrechter die opdracht immers eerst beëindigen indien het scheidsge-recht, ondanks herhaalde aanmaning, zijn opdracht, alle omstandigheden in aanmerking ge-nomen, op onaanvaardbaar trage wijze uitvoert, dat wil zeggen na de aanmaningen op die trage wijze blijft uitvoeren.

3.3 Om te beginnen moet daarom onderzocht worden of, zoals voor toepassing van die be-paling vereist, de arbiters bij herhaling zijn aangemaand in de zin van het bepaalde in artikel

1031 lid 2 Rv.

3.4 De voorzieningenrechter volgt Pretium niet in haar stelling dat haar verzet tegen het uitstelverzoek van Accent en ESG is op te vatten als een dergelijke aanmaning. Het gaat daarbij immers om niet meer of anders dan een ten overstaan van het scheidgerecht gevoerd procedureel debat omtrent een verzocht uitstel, welk verzet overigens is achterhaald door de onder 2.4 bedoelde mededeling van Accent en ESG.

3.5 Ook de onder 2.6 en 2.7 aangehaalde brieven kunnen niet worden aangemerkt als aan-maning in de zin van artikel 1031 lid 2 Rv. Weliswaar kan de vraag van Accent en ESG van 4 februari 2008 naar de datum waarop de arbiters uitspraak zullen doen en waarbij Pretium zich heeft aangesloten, worden aangemerkt als een voorzichtig geformuleerde aansporing om uitspraak te doen, maar dat is onvoldoende om als aanmaning te kunnen gelden, nu de arbiters daarbij niet met zoveel woorden aan hun plicht worden herinnerd en deze herinne-ring ook niet vergezeld ging van een termijnstelling. Hoewel de wet van dat laatste vereiste niet rept, ligt het wel voor de hand ook een termijnstelling te verlangen, nu er eerst daarmee sprake kan zijn van een zinvolle aanmaning, die zonodig ook nog kan worden herhaald. Veeleer, ten slotte, ligt het zwaartepunt van die brief, bij de vraag of in afwachting van het vonnis nog nadere stukken mogen worden ingebracht.

3.6 Pretium wordt ook niet gevolgd in haar standpunt dat de onder 2.8 en 2.9 genoemde brieven van het NAI als aanmaning in de zin van artikel 1031 lid 2 Rv. kunnen worden aan-gemerkt, omdat het daarbij niet gaat om aanmaningen gedaan door een van partijen bij het arbitraal geding, maar om aanmaningen door het instituut dat de arbiters heeft benoemd en dat een – legitiem – eigen belang heeft bij voortvarende afwikkeling van elk arbitraal geding waarin zij de arbiter(s) heeft benoemd.

3.7 Ook indien deze brieven wel als (herhaalde) aanmaning in de zin van artikel 1031 lid 2 Rv. zouden kunnen worden aangemerkt, is daarmee nog niet gegeven dat het verzoek in be-ginsel toewijsbaar is. In dat geval moet namelijk worden vastgesteld dat deze (herhaalde) aanmaning effect heeft gesorteerd. De arbiters hebben zich in reactie op de laatstbedoelde brief van het NAI immers gecommitteerd om vóór 1 juni 2008 vonnis te wijzen en de arbi-ters hebben daaraan ook in zoverre voldaan, dat zij het vonnis bij brief van 28 mei 2008 aan het NAI ter verdere verwerking hebben gezonden, zodat hen niet kan worden tegengewor-pen dat zij na de herhaalde aanmaning nog op onaanvaardbaar trage wijze tewerk zouden zijn gegaan.

3.8 Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan de vereisten voor beëindiging van de opdracht van het scheidgerecht op de voet van artikel 1031 lid 2 Rv., nu het scheidsgerecht door geen der partijen is aangemaand – gesteld noch aannemelijk is geworden dat er sprake is van aanmaningen die niet reeds besloten zouden liggen in de hiervoor besproken corres-pondentie – en voorts niet geoordeeld kan worden dat het scheidsgerecht ook na herhaalde aanmaning zijn taak op onaanvaardbaar trage wijze is blijven uitvoeren. Reeds daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. Nadere analyse van de in het arbitraal geding opgetreden vertragingen kan dan ook achterwege blijven.

3.9 Ten overvloede wijst de voorzieningrechter erop dat Pretium niet nader heeft onder-bouwd waarom de in acht genomen termijnen door de arbiters voor haar onaanvaardbaar waren of zijn geworden, noch waarom haar belang bij beëindiging van de opdracht van het scheidsgerecht moet opwegen tegen het door Accent en ESG gememoreerde belang bij een zo spoedig mogelijk definitieve afdoening van de geschillen, welk belang niet is gediend bij het opnieuw aanhangig maken van het geschil bij de gewone rechter, wiens bevoegdheid, met daaraan verbonden de mogelijkheid van een geding in drie instanties, zou herleven bij toewijzing van het verzoek van Pretium.

3.10 Pretium zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskos-ten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst het verzoek af;

veroordeelt Pretium in de kosten, aan de zijde van de arbiters begroot op € 99,- aan ver-schotten en € 300,- aan salaris voor de advocaat en aan de zijde van Accent en ESG begroot op € 99,- aan verschotten en € 300,- aan salaris voor de advocaat.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.P. van Essen, voorzieningenrechter, in het bijzijn van mr. V. Bouchla, griffier.

615/196