Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BH1044

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
279908/ HA ZA 07-677
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

energielvering door glastuinders aan energiebedrijf- complicaties rond al dan niet tot standkomen overeenkomst-rol tussenpersoon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 279908/ HA ZA 07-677

Uitspraak: 24 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

De vennootschap onder firma FIRMA [eiseres],

gevestigd te Westland,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. P.Quist,

- tegen -

de naamloze vennootschap N.V. ONS ENERGIE,

gevestigd te Schiedam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. O.E. Meijer.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” en “ONS” .

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 27 februari 2007 met producties;

conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 27 november 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

- de met het oog op de comparitie door [eiseres] gezonden brief d.d. 21 november 2007, met producties;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 30 november 2007;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door ONS genomen akte, tevens wijziging van eis, met producties;

- akte aan de zijde van ONS;

- akte aan de zijde van [eiseres].

(In het proces-verbaal van de comparitie was de ter zitting gemaakte afspraak over de volgorde van de aktewisseling abusievelijk onjuist weergegeven; partijen hebben zich gehouden aan de gemaakte afspraak).

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1

[eiseres] is een glastuinder en kweekt tomaten. Zij heeft kassen op twee locaties, Rilland en Maasdijk, met een gezamenlijke oppervlakte van ca. 35 ha.

[eiseres] beschikt sedert juli 2005 voorts over (een) functionerende warmtekracht-

koppelings(WKK-)installatie(s), waarmee warmte en elektriciteit wordt opgewekt. Deze elektriciteit wordt, als zij de in het bedrijf te benutten hoeveelheid overtreft, tegen betaling (terug)geleverd, via de aansluitingen van [eiseres] op de elektriciteitsnetten, aan een energiebedrijf.

2.2

[X] (directeur van Tenergy Consultancy BV, hierna: Tenergy) heeft [eiseres] geadviseerd bij de aanschaf van een WKK en namens haar, op basis van een schriftelijke volmacht, zorg gedragen voor de inkoop van elektriciteit.

[eiseres] heeft met [X] op 21 maart 2005 een gesprek gehad over mogelijke verkoop en levering van elektriciteit door [eiseres] aan ONS.

2.3

Een e-mail van 22 maart 2005 van [X] aan [eiseres] (en nog twee tuinders), luidt voor zover thans van belang als volgt:

“onderwerp: FW Cal 06 en Q4

Heren,

Bijgesloten de bevestiging van de tot stand gekomen overeenkomst met NV ONS hedenmorgen(na een weer wat lagere markt).

Ik zal de adresgegevens aan NV ONS laten toekomen, terwijl NV ONS een concept raamcontract aan mij toemailt, waarin de afspraken nader vastgelegd worden.

Elke vervolgtransactie door een deelnemer kan dan aan diezelfde raamcontract worden gehangen met een annex

(...) Tenergy bv

[X]”

Bij deze mail is als bijlage gevoegd een mail van dezelfde dag van Eikenbroek, een medewerker van ONS , aan [X], die voor zover van belang luidt:

“Goedemorgen [X],

Wij hebben zojuist de: peakload cal 06 op 57.50€ in 60MW

weekend superpeak cal 06 op 36.50€ in 60 MW

peakload Q4 05 op 59.5€ in 16MW

weekens superpeak cal 06 op 36.50€ in 16 MW

Graag willen wij gezien het volume van deze deal snel een de contracten opstellen.

(...)”

2.4

[eiseres] heeft vanaf ongeveer juli 2005 aan ONS elektriciteit geleverd. Voor het derde kwartaal van 2005 was tussen [eiseres] en ONS een APX-overeenkomst van kracht.

2.5

Op 6 oktober 2005 heeft ONS een mail naar [X], cc naar [eiseres] gestuurd, die voor zover van belang als volgt luidt:

“onderwerp: leveringscontracten 2006

Bijlagen: (...) Leveringscontract [eiseres] 2006.doc

Geachte heer [X],

In de bijlage vindt U de leveringscontracten voor de betreffende tuinders. Aangezien wij niet alle informatie ter beschikking hebben, heb ik een aantal passages geel gearceerd, waar we nog input van jullie kant missen. (...)

Wanneer de ontbrekende informatie hebben sturen we de door ons getekende versie op naar de tuinders.

(...)”

De daarbij gevoegde tekst, getiteld “Overeenkomst tot (terug)levering van elektriciteit” vermeldt [eiseres] en ONS als partijen. Onder de inleidende overwegingen is opgenomen: “[eiseres] van ONS elektriciteit wenst af te nemen en/of aan ONS elektriciteit wenst te leveren (...)”

Artikel 7, prijzen en condities vermeldt:

“A Teruglevering door [eiseres]

Vaste prijzen volgens profiel (10 MW, Rilland)

Prijs (...) Q4 2005 € 59.50/MWh

(...)

Prijs (...) 2006 € 57.50 MWh

Vaste prijzen volgens profiel (2.3 MW Maasdijk)

Prijs(...) 2006 € 57.50/MWh

(...)

artikel 9

1. Deze overeenkomst treedt in werking per 1 oktober 2005 (Rilland) en 1 januari 2006 (Maasdijk).

2. (...) Tussentijdse opzegging is niet mogelijk.

(...)

Deze overeenkomst is rechtsgeldig, indien door beide partijen ondertekend en in het bezit van beide partijen voor 6 oktober 2005, 16.00 uur.”

De overeenkomst is niet door [eiseres] en ONS getekend.

2.6

Een mail van 2 november 2005 van ONS aan [eiseres] vermeldt:

“(...) uit recente correspondentie met Dhr. [X] is gebleken, dat Tenergy namens u heeft gehandeld voor de periode 2006. In de bijlage vindt u het definitieve leveringscontract 2006(..)

Daarnaast wordt dit leveringscontract in tweevoud verstuurd naar uw adres. Zou u zo vriendelijk willen zijn een van beide exemplaren getekend te retourneren.(...)”

2.7

In december 2005 is afgesproken dat [eiseres] per 1 januari 2006 als “klant-zonder-leverancier”, dat wil zeggen tegen dagprijs, elektriciteit aan ONS zou leveren. Dat is vervolgens gedurende drie weken (de eerste drie weken van 2006) ook gebeurd.

2.8

[eiseres] heeft aan ONS facturen gezonden over de periode oktober-december 2005

(€ 701.045,78) januari-april 2006 (€ 983.462,47) en mei 2006, alsmede een correctie over april 2006 (€ 260.403,89). De nota’s betreffen leveringen van elektriciteit door [eiseres] aan ONS en zijn opgesteld aan de hand van de geldende dagprijzen.

Het geschil

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ONS te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 1.988.265,93, van schade nader op te maken bij staat en van buitengerechtelijke kosten ad € 50.000,= (althans € 6.222,=) met rente en kosten.

De vordering is, kort samengevat, gebaseerd op (een deel van) de vaststaande feiten en de stelling, dat de door [eiseres] aan ONS geleverde elektriciteit in de periode oktober-december 2005 en januari-mei 2006 door ONS ten onrechte niet is betaald.

ONS heeft de vordering van [eiseres] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiseres] in de kosten van het geding.

Haar stellingen en verweren zullen in de beoordeling voor zover nodig aan de orde komen.

4 Het geschil in reconventie

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] te veroordelen tot betaling van € 1.839.985,40 met rente en kosten.

De vordering is, kort samengevat, gebaseerd op (een deel van) de vaststaande feiten en de stelling, dat [eiseres] vanaf 1 juni 2006 de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d. 22 maart 2005 niet is nagekomen omdat [eiseres] in de periode juni tot en met december 2006 geen elektriciteit meer aan ONS heeft geleverd. ONS lijdt daardoor schade, die [eiseres] zal hebben te vergoeden.

[eiseres] heeft de vordering van ONS gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van ONS in de kosten van het geding.

Haar verweren komen met name neer op hetgeen zij in conventie heeft gesteld en zullen in de beoordeling voor zover nodig aan de orde komen.

5 De beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1

De vorderingen in conventie en de reconventie hangen nauw samen, omdat zij beide rechtstreeks gebaseerd zijn op de visie die elk van partijen heeft op de vraag of tussen hen een overeenkomst gold en zo ja, wat die dan precies inhield en daarmee op de vraag of [eiseres] (ook na 1 juni 2006) gehouden was elektriciteit te leveren en naar welke prijs de geleverde hoeveelheid elektriciteit moet worden afgerekend. [eiseres] meent, dat geen sprake is van enige overeenkomst die haar bindt en dat de door haar geleverde elektriciteit afgerekend dient te worden naar de (dag)prijzen volgens de APX. ONS daarentegen is van oordeel dat voor de periode in kwestie wel degelijk een overeenkomst tussen haar en [eiseres] gold, zodat zij slechts de daarin voorziene prijzen behoeft te betalen en [eiseres] voorts gehouden was de levering voort te zetten. (Tussen partijen is kennelijk wel in confesso dat, als de door ONS gestelde overeenkomst inderdaad bestond en bindend was voor [eiseres], is voldaan aan de vereisten van verrekening, zodat in dat geval voor de geleverde hoeveelheden de overeengekomen prijzen moeten worden betaald, welke bedragen verrekend kunnen worden met de schade van ONS wegens het uitblijven van verdere leveringen in de tweede helft van 2006.)

Essentieel voor de beslissing is dus, of er al dan niet een overeenkomst tussen hen gold en, in voorkomend geval, wat daarvan dan de inhoud was.

5.2

Van haar standpunt dat tussen haar en [eiseres] een overeenkomst als door ONS gesteld tot stand is gekomen (en in de relevante periode van kracht was) draagt ONS, zoals per saldo tussen partijen ook in confesso is, in beginsel de bewijslast. Voordat wordt bezien of hetgeen tot dusverre is geproduceerd (inclusief de processen-verbaal van voorlopig getuigenverhoor en de bij de laatste akte nog overgelegde stukken) voldoende is om (voorshands) tot het oordeel te komen dat ONS in dat bewijs is geslaagd, is noodzakelijk dat eerst wordt ingegaan op de positie van Tenergy/[X].

Als, zoals in dit geval, met een wederpartij -ONS- door een vertegenwoordiger -Tenergy/[X]- een overeenkomst wordt gesloten namens een partij -[eiseres]- die verplichtingen voor die partij inhoudt, mag die wederpartij -ONS- de partij -[eiseres]- daaraan houden als sprake was van een machtiging tot het sluiten van zo’n overeenkomst, maar ook als een dergelijke machtiging ontbrak doch wel sprake is van (mogelijk zelfs achteraf) opgewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. In dat laatste geval is niet alleen noodzakelijk dat ONS er vanuit ging dat [X] optrad namens [eiseres], maar voorts, dat ONS (mede) door toedoen van [eiseres] en niet louter op grond van de mededelingen van de vertegenwoordiger, [X]/Tenergy, tot bedoelde overtuiging is gekomen.

5.2.1

ONS stelt zich primair op het standpunt dat [X]/Tenergy beschikte over een mondelinge machtiging van [eiseres], hem in een gesprek op 21 maart 2005 door [eiseres] verleend, waarop ONS heeft vertrouwd; zij, ONS, is er daarom op 22 maart 2005 -het moment dat in haar visie de overeenkomst tot stand is gekomen- terecht vanuit gegaan dat [X]/Tenergy handelde namens [eiseres].

Deze stelling wordt door [eiseres] gemotiveerd betwist en kan op basis van het thans beschikbare materiaal niet (voorshands) bewezen worden geacht.

Voor wat betreft het bestaan van de volmacht is er in feite geen ander bewijsmiddel dan de verklaring van [X] zelf, afgelegd op 5 december 2006 in het kader van het voorlopig getuigenverhoor; dat is, in het licht van de gemotiveerde betwisting, onvoldoende.

Voor wat betreft de stand van zaken op 22 maart 2005 wordt weliswaar in de transcriptie van het telefoongesprek van 22 maart 2005 (bestand 135536) de naam [eiseres] genoemd, maar dat is een uitermate vaag gesprek waarin redelijkerwijs geen overeenstemming over wat dan ook gezien kan worden. In het gesprek van diezelfde dag met bestandsnummer 135611, waarin wel over een contract en het op schrift stellen daarvan gesproken wordt, wordt de naam [eiseres] niet genoemd; [X] spreekt daarin alleen over een lijstje met bedrijfsnamen dat hij nog zal toezenden. Ook in combinatie met de hiervoor onder 2.2 genoemde e-mail wijst dat wel op onderhandelingen in een vergevorderd stadium tussen [X] en ONS ten behoeve van tuinders, maar niet (zonder meer) op een daadwerkelijk tussen ONS en [eiseres] door tussenkomst van [X] gesloten overeenkomst. [X] zelf lijkt in zijn verklaring in het kader van het voorlopig getuigenverhoor de datum waarop definitief overeenstemming is bereikt ook niet eenduidig op 22 maart 2005 te willen stellen, waar hij verklaart “ In september 2005 heb ik ONS gevraagd of er sprake was van een hard contract. Dit is bevestigend beantwoord (…) Kort hierop zijn de feitelijke contracten toegezonden”.

De hierover onder 2.6 genoemde e-mail van 2 november 2005, die onder meer inhoudt “uit recente correspondentie met Dhr. [X] is gebleken, dat Tenergy BV namens u heeft gehandeld (…)” wijst niet in de richting van de lezing van ONS. Het zeer uitgebreide telefoongesprek op 4 oktober 2005 tussen [medewerker-1] (ONS) en [medewerker-2] ([eiseres]) biedt enerzijds steun aan de visie van ONS, waar [medewerker-2] (p 2 transcriptie) zegt dat hij “al vanaf april”spijt heeft van “de deal die Theo heeft gedaan via [X]”, maar anderzijds aan die van [eiseres], waar [medewerker-1] stelt dat Tenergy/[X] en niet van Vliet “als tegenpartij van ONS in de boeken staat” en [medewerker-2] ontkent dat [X] een machtiging van [eiseres] had (p. 20 transcriptie). Daarbij komt nog dat de verklaring van [medewerker-2] als getuige in het kader van het voorlopig getuigenverhoor de visie van ONS niet ondersteunt. Dit alles laat, ook in combinatie met hetgeen overigens beschikbaar is en het vaststaande feit van de leveringen, teveel onduidelijkheid open om het bewijs (voorshands) geleverd te achten.

ONS zal dus, desgewenst, worden toegelaten tot bewijs op dat punt. Als zij slaagt in dat bewijs is [eiseres] gebonden aan de overeenkomst.

5.2.2

Als ONS niet slaagt in dat bewijs (of afziet van bewijslevering) is voor de conclusie dat een overeenkomst die [eiseres] bindt tot stand is gekomen ook voldoende, dat de subsidiaire stelling komt vast te staan, te weten dat tussen ONS en [X]/Tenergy op 22 maart 2005 een overeenkomst met betrekking tot de levering van elektriciteit tot standgekomen is, dat [X]/Tenergy toen voor nader te noemen meester optrad en dat ONS er op een later moment vanuit is gegaan en mocht gaan dat die meester [eiseres] was. Dat latere moment moet dan hebben gelegen voor 6 oktober 2005, de datum dat de mail (zie 2.5 hiervoor) is gestuurd die volgens ONS in de bijlage een schriftelijke vastlegging en uitwerking van de op 22 maart 2005 gesloten overeenkomst bevat. Bovendien moet de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid waarop ONS dan is afgegaan (mede) door toedoen van [eiseres] zijn gewekt. (Of [X]/Tenergy werkelijk bevoegd was, hetgeen in dit geval betekent: werkelijk een deugdelijke volmacht had, is in dat geval een kwestie tussen [eiseres] en [X]/Tenergy, waaraan ONS zich niets gelegen hoeft te laten liggen; het gaat hier om de vraag, of het handelen of nalaten van [eiseres] zodanig was dat ONS mede daarom van die vertegenwoordigingsbevoegdheid mocht uitgaan.)

[eiseres] heeft deze stellingen van ONS gemotiveerd betwist. De bewijslast daarvan rust, gelet op het voorgaande, op ONS.

Het tot dusverre beschikbare materiaal houdt op dat punt te weinig in om ONS voorshands in dat bewijs geslaagd te achten. Daarvoor wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent onder 5.2.1 hiervoor is opgemerkt. Daarbij verdient in het bijzonder opmerking dat niet voldoende is dat [X] zelf meende bevoegd te zijn tot het sluiten van de overeenkomst en dat aan ONS heeft medegedeeld (zoals uit zijn verklaring als getuige blijkt), waarna ONS dat op gezag van [X] heeft aangenomen. Bovendien moet meegewogen worden dat uit het meergeciteerde gesprek van 4 oktober 2005 de indruk ontstaat dat ook ONS zelf op dat moment, dus voor de toezending van de te tekenen teksten als bedoeld onder 2.5, redenen had om te twijfelen aan de mededelingen van [X].

ONS zal dus desgewenst worden toegelaten tot die bewijslevering. Uiteraard zal bij de weging van het bewijs te zijner tijd ook het thans reeds beschikbare materiaal worden meegewogen.

5.3

Als ONS slaagt in het onder 5.2.1 of 5.2.2 bedoelde bewijs zal vervolgens moeten worden vastgesteld wat dan de inhoud is van de tussen partijen gesloten overeenkomst.

Ook wat de inhoud betreft rust de bewijslast op ONS en kan niet reeds thans worden geoordeeld dat zij in dat bewijs is geslaagd. Daarbij is meegewogen dat de e-mail van 22 maart 2005 en de niet getekende conceptovereenkomst toegezonden op 6 oktober 2005 niet geheel met elkaar overeenstemmen (zo komen de hoeveelheden niet overeen en zijn in de mail van maart 2005 de twee aansluitpunten Rilland en Maasdijk niet onderscheiden), terwijl ook de transcripties van de telefoongesprekken voorshands niet voldoende eenduidig zijn over de afspraken als door ONS gesteld. Anders dan [eiseres] meent heeft ONS wel voldoende (gemotiveerde) stellingen op dit punt ingenomen, zeker gelet op het feitelijke gedrag (de wel verrichte leveringen) van [eiseres].

ONS zal dus, uit proceseconomische overwegingen reeds thans, worden toegelaten tot die bewijslevering, waarbij het gestelde in het slot van 5.2.2 evenzeer geldt.

5.4

Als ONS niet slaagt in het onder 5.2.1 of 5.2.2 bedoelde bewijs regardeert de (wellicht) met [X]/Tenergy gesloten overeenkomst omtrent het 4e kwartaal 2005 en 2006 [eiseres] niet en bindt haar ook niet. Als ONS wel slaagt in dat bewijs zal de geleverde elektriciteit afgerekend moeten worden tegen de overeengekomen prijzen en is de schade voor ONS voor de niet geleverde hoeveelheid het verschil tussen die prijzen en de (markt)prijzen waartegen ONS nu de elektriciteit heeft ingekocht. In beide gevallen doet de (eventuele) overeenkomst tussen Tenergy/[X] en ONS voor dit geding niet ter zake; hetgeen partijen daarover hebben opgemerkt blijft daarom onbesproken.

5.5

Als ONS niet slaagt in het onder 5.2.1 of 5.2.2 bedoelde bewijs zal, nu vast staat dat [eiseres] hoeveelheden elektriciteit aan ONS geleverd heeft, ONS daarvoor hebben te betalen; ook ONS gaat er immers van uit dat het hier geen giften van [eiseres] betrof. In dat geval zal dus vastgesteld moeten worden welke prijs ONS dient te betalen.

[eiseres] heeft zich voor dat geval op het standpunt gesteld dat er in het vierde kwartaal van 2005 van dag tot dag overeenkomsten tot stand gekomen zijn tussen [eiseres] en ONS, waarbij, bij gebreke van een overeengekomen prijs, afgerekend moet worden naar een redelijke prijs (art. 7:4 BW), hetgeen in de visie van [eiseres] de (APX) dagprijs is. Meer subsidiair is ONS volgens [eiseres] door de leveringen van elektriciteit ongerechtvaardigd verrijkt, welke verrijking is vast te stellen op de dagprijs.

ONS meent, dat in geval geoordeeld wordt dat geen overeenkomst met van Vliet als door haar gesteld tot stand gekomen is, de leveringen (al dan niet in combinatie met de e-mail contacten) niet gezien kunnen worden als de uitvoering van van dag tot dag gesloten overeenkomsten. Bovendien zou afrekening naar APX-prijzen onredelijk zou zijn. Het ligt immers voor de hand dat [eiseres], als zij geen contract met ONS had, na afloop van de aanloopperiode (dat is de periode vlak na het in gebruik nemen van haar WKK-centrale), termijncontracten met enige afnemer zou hebben afgesloten, tegen normale marktprijzen. De leveringen moeten dus worden betaald uitgaande van de prijzen op de (lange) termijnmarkt, dus OTC-prijzen, of door een deskundige vast te stellen redelijke prijzen. Daarnaast stelt ONS dat van ongerechtvaardigde verrijking bij haar geen sprake is omdat zij de door [eiseres] te leveren volumes meteen heeft doorverkocht tegen vrijwel dezelfde prijzen; [eiseres] is ook niet verarmd, omdat zij, als zij niet aan ONS geleverd had, op de markt een ander lange termijncontract met OTC-prijzen zou hebben gesloten.

De rechtbank is van oordeel dat de bewijslast dat van dag tot dag contracten tot stand gekomen zijn bij [eiseres] berust. [eiseres] meent kennelijk dat zij dat bewijs (voorshands) reeds geleverd heeft. De rechtbank acht echter interpretatie van de thans beschikbare stukken, in het bijzonder de (vrijwel) dagelijkse e-mailwisselingen, niet mogelijk voordat duidelijk is of al dan niet sprake is van een eerder in 2005 gesloten overeenkomst en, in voorkomend geval, de inhoud van die overeenkomst. Die e-mails zullen immers in redelijkheid gezien moeten worden in hun context. Elke beslissing op dit punt zal dan ook worden aangehouden to na de bewijslevering als hiervoor onder 5.2.1, 5.2.2. en 5.3 bedoeld.

Dat neemt niet weg dat het, uit proceseconomische overwegingen, geraden voorkomt dat bij de getuigenverhoren aan deze e-mails aandacht wordt besteed in de verhoren van de getuigen die op dit punt iets zouden kunnen zeggen.

5.6

Tenslotte meent [eiseres] dat ONS onrechtmatig de onderhandelingen heeft afgebroken die tot een overeenkomst tussen ONS en [eiseres] hadden moeten leiden. De grondslag van deze vordering is, mede in het licht van hetgeen partijen overigens hebben gesteld en overgelegd, zo weinig uitgewerkt en onderbouwd dat de rechtbank deze als onvoldoende gemotiveerd aanmerkt.

5.7

Gelet op het verhandelde ter comparitie gaat de rechtbank ervan uit, dat partijen, nadat te zijner tijd beslissingen zijn genomen over het bewijs en dus over de vraag of een overeenkomst als door ONS gesteld tussen partijen gold (en, in voorkomend geval, of dagelijkse overeenkomsten als door [eiseres] gesteld zijn gesloten en/of een deskundigenbericht over een redelijke prijs is ingewonnen) overeenstemming zullen kunnen bereiken over de omvang van de vorderingen (over en weer) en over de bijvorderingen (rente en kosten). De rechtbank laat deze punten daarom thans onbesproken.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

laat ONS toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat:

ONS op 22 maart 2005 een overeenkomst heeft gesloten met betrekking tot leveringen van elektriciteit in het 4e kwartaal van 2005 en in 2006 door [eiseres] aan ONS waarbij [X]/Tenergy, die toen beschikte over een mondelinge machtiging van [eiseres] tot het sluiten van die overeenkomst, optrad namens [eiseres];

of

ONS op 22 maart 2005 een overeenkomst met [X]/Tenergy heeft gesloten met betrekking tot leveringen van elektriciteit in het 4e kwartaal van 2005 en in 2006, waarbij [X]/Tenergy voor nader te noemen meester optrad alsmede dat ONS er voor 6 oktober 2005 vanuit is gegaan en er, gelet op de mede door toedoen van [eiseres] gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid, ook vanuit mocht gaan dat die meester [eiseres] was;

en

c. de overeenkomst van 22 maart 2005 inhield, dat [eiseres] gehouden was aan ONS

-in het vierde kwartaal van 2005 en heel 2006:

10 MWh elektriciteit te leveren vanuit het aansluitpunt Rilland, tegen een prijs van

€ 59,50 voor de peakload en € 36,50 voor de weekends superpeak (4e kwartaal 2005) respectievelijk € 57.50 MWh voor de peakload en € 36,50 voor de weekends superpeak (2006), alsmede

-voor het hele jaar 2006:

2.3 MW elektriciteit te leveren vanuit het aansluitpunt Maasdijk voor een prijs van

€ 57.50 MWh voor de peakload en € 36,50 voor de weekends superpeak;

bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Hofmeijer-Rutten;

bepaalt dat de advocaten aan beide zijden binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan eigen zijde in de maanden februari tot en met mei 2009 waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd;

Dit vonnis is gewezen door mr Hofmeijer-Rutten

Uitgesproken in het openbaar.

106