Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BH1040

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-12-2008
Datum publicatie
27-01-2009
Zaaknummer
288157 / HA ZA 07-1770
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheden uit 1909. Dreefrecht tenietgegaan onder oud BW o.g.v. non-usus. Inhoud en wijze van uitoefening recht van voetpad bepaald door sind jaar en dag te goeder trouw uitgeoefende wijze van gebruik; breedte van voetpad bepaald door plaatselijke.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 288157 / HA ZA 07-1770

Uitspraak: 24 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser-1] en [eiser-2],

wonende te Capelle aan den IJssel,

eisers,

advocaat mr. J.C. Moree,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

advocaat mr. A.A. Marcus.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” (enkelvoud) respectievelijk “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 11 juli 2007 en de door [eiser] overgelegde producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 31 oktober 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 februari 2008;

de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van repliek tevens vermeerdering van eis, met producties;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 8 november 1966 is [eiser] eigenaar geworden van het voorste gedeelte van het pand aan de [adre[adres] te Capelle aan den IJssel. Voordien, vanaf 1965, huurde [eiser] deze woning. In het achterste gedeelte van het pand woonde een andere familie. Rond 1974/1975 heeft [eiser] ook het achterste gedeelte van het pand in eigendom verkregen. Hij heeft in die tijd ter plaatse een nieuw woonhuis met aanbouw gebouwd. De aanbouw staat op de erfgrens met het perceel plaatselijk bekend [adres-1].

2.2 [gedaagde] is op 16 februari 2005 eigenaar geworden van de woning aan de [adres-1] te Capelle aan den IJssel. Zij had de woning gekocht van de familie Geutjes. Vóór de familie Geurtjes had de familie Verbeek deze woning in eigendom, daarvóór Verbeek, daarvóór Van Wijk en daarvóór mevrouw M. Stam en de heren H.A. en A.H. Stolk.

2.3 Tussen de panden aan de [adres-1] en [adres] bevindt zich een strook grond. Vanaf de dijk tot aan de achtertuin is deze strook circa 3,5 tot 1,5 meter breed. Deze strook grond is voor de bewoners van de [adres] de enige toegang uit hun achtertuin tot de openbare weg. [eiser] heeft deze strook grond ook altijd gebruikt om van zijn achtertuin naar de openbare weg te komen en omgekeerd. Van deze strook grond is een gedeelte van 70 centimeter gerekend vanaf de zijgevel tot aan de aanbouw van de woning van [eiser] eigendom van [eiser]. Het overige deel van de strook grond heeft [gedaagde] in eigendom.

2.4 Op 29 maart 1909 is in de openbare registers een akte (verleden op 17 februari 1909) ingeschreven, die inhoudt:

(…) Het perceel nommer een zal ten behoeve van het aan de verkoopers toebehoorend huis en erf staande en gelegen te Capelle aan den IJssel en kadastraal bekend in Sectie B nommer 3767 zijn belast met het recht om gebruik te maken van het privaat behoorend bij het perceel nommer een, terwijl het perceel nommer twee ten behoeve van gezegd aan de verkoopers toebehoorend huis en erf zal zijn belast met het recht van voetpad langs de oostelijke grens van perceel nommer twee van den dijk naar voormeld privaat.

Ingeval van niet gecombineerde verkoop der perceelen zal de open grond behoorende bij het perceel nommer twee zijn belast met recht van voetpad langs de oostelijke grens naar en van den IJssel ten behoeve van het perceel nommer een alsmede het recht om beesten te leiden van den dijk naar de deur dienende tot toegang van den stal behoorende bij perceel nommer een en van daar weder naar den dijk (…)”

Perceel “nommer 1” is het huidige perceel kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie B, nummer 8454, plaatselijk bekend [adres], dat in eigendom toe¬behoort aan [eiser]. Perceel “nommer 2” is het huidige perceel kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie B, nummer 8575, plaatselijk bekend [adres-1], dat in eigendom toebehoort aan [gedaagde].

2.5 De percelen “nommer 1 en nommer 2” zijn op 17 februari 1909 afzonderlijk verkocht.

2.6 [eiser] heeft nimmer beesten over het perceel van “nommer 2” gedreven.

2.7 In de respectieve leveringsakten met betrekking tot de eigendomsoverdracht van Geutjes aan [gedaagde], van Van der Weel aan Geutjes, noch in die met betrekking tot de eigendoms¬overdracht van Verbeek aan Van der Weel zijn de hierboven onder 2.4 geciteerde rechten opgenomen. In de eerdere leveringsakten met betrekking tot de eigendoms¬overdracht van Stam aan Van Wijk (d.d. 4 mei 1979) respectievelijk Van Wijk aan Verbeek (d.d. 14 mei 1979) komt wel een verwijzing naar deze rechten voor.

2.8 [gedaagde], daarop aangesproken door [eiser], heeft ontkend dat op de strook grond tussen de respectieve panden van partijen een erfdienstbaarheid geldt. Partijen hebben dienaangaande een kort gedingprocedure gevoerd. Ter beëindiging van het geschil in kort geding zijn partijen een minnelijke regeling overeengekomen inhoudende dat, zolang tussen partijen geen duidelijkheid bestaat over de erfdienstbaarheid [eiser] gebruik mag maken van het voetpad, waarbij hij de kliko’s en fietsen via het voetpad naar de achterzijde van zijn perceel mag brengen.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt - zakelijk weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

voor recht te verklaren dat een erfdienstbaarheid van weg gevestigd is ten gunste van [adres] ten laste van [adres-1], inhoudende een recht van voetpad en het leiden van beesten, waardoor het erf van [adres] het recht heeft ten laste van [adres-1] over haar grond aan de hand gevoerde of op de persoon gedragen voorwerpen te gelijden van de dijk tot de achterzijde van het perceel [adres-1], daaronder mede - doch niet uitsluitend - begrepen het voeren van kliko’s, (brom)fietsen, tuinmaterialen, waarvoor zij de strook grond tussen beide woningen geheel kan benutten, althans over een strook van 150 centimeter, gerekend vanaf de erfgrens tussen partijen;

[gedaagde] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [eiser] deze erfdienstbaarheid uitoefent, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

[gedaagde] te veroordelen om medewerking te verlenen aan inschrijving van bedoeld recht bij het Kadaster op straffe van verbeurte van een dwangsom;

bij niet toewijzing van de erfdienstbaarheid: voornoemd gebruik aan te wijzen bij wege van noodweg;

[gedaagde] te veroordelen de geplaatste fietsafrit en de klinkers niet te verwijderen op straffe van verbeurte van een dwangsom;

[gedaagde] te verbieden in de toekomst (tuin)afval te plaatsen op de strook grond van partijen;

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiser] heeft een erfdienstbaarheid van voetpad en een erfdienstbaarheid van dreefrecht verkregen. Het recht van voetpad strekt zich er ook toe uit dat [eiser] naast zich brommers, fietsen, kliko’s en dergelijke kan meevoeren. Het recht is in 1909 gevestigd. Toentertijd was er geen sprake van kliko’s en slechts in beperkte mate van fietsen. Toen had met echter meer vee en geleidde men dit “van den dijk naar den IJssel”. Het vee is nu vervangen door kliko’s en fietsen. Het voetpad en dreefrecht zijn blijven bestaan.

3.2 [eiser] heeft de erfdienstbaarheid in de volle breedte benut. In de periode van 1966 tot 1974 heeft hij zijn auto in de schuur geparkeerd en heeft hij de erfdienstbaarheid daarvoor benut zonder dat de eigenaar van het andere erf daar moeite mee had. De wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid is van belang, indien dit geruime tijd zonder tegen¬spraak op een bepaalde wijze is uitgeoefend.

3.3 [eiser] heeft belang bij het recht van voetpad, omdat door de blokkering die [gedaagde] heeft aangebracht, de toegang tot de berging onder het huis aan de achterzijde van buitenaf niet meer toegankelijk is. De enige verbinding die resteert is een smal trapgat met een draai van 180 graden, waar vrijwel niets door kan. Bouwtechnisch is het niet mogelijk de doorgang te vergroten of een andere doorgang te maken.

3.4 Een redelijke uitleg van de erfdienstbaarheid brengt mee dat het huidige gebruik van [eiser] (onder meer het vervoeren van kliko’s en rijwielen) over de gehele strook niet strijdig is met de gevestigde erfdienstbaarheid.

3.5 De omvang van de huidige erfdienstbaarheid is gevestigd door extinctieve verjaring. De situatie heeft onder het oude recht meer dan 30 jaar geduurd. Sinds 1965 werd de strook grond door alle omwonenden (waaronder [eiser]) over de gehele breedte gebruikt. Sinds 1 januari 1992 heeft [eiser] de strook grond meer dan tien jaar over de gehele breedte gebruikt, zodat er sprake is van verkrijgende verjaring.

3.6 [gedaagde] maakt misbruik van haar eigendomsrechten door [eiser] te beletten gebruik te maken van de rechten die hij 42 jaar uitoefende over de gehele breedte van de strook grond.

3.7 Het erf van [eiser] is aan de achterzijde van de woning ingesloten en niet anders bereikbaar dan via de gang. Voor de doorvoer van fiets en kliko geldt dat het erft omsloten is door de woning zelf. Voor zover nodig wordt gevorderd dat de betreffende strook grond gebruikt wordt als noodweg om het erf aan de achterkant van de woning van [eiser] te ontsluiten.

3.8 Er is een fietsafrit gerealiseerd. [eiser] vordert dat [gedaagde] deze fietsafrit dient te gedogen. Ook is het grint vervangen door klinkers. [eiser] vordert dat [gedaagde] deze klinkers dient te gedogen. [gedaagde] heeft tuinafval op de strook grond gedumpt, waardoor [eiser] geen gebruik kon maken van zijn erfdienstbaarheid. Dat afval is inmiddels verwijderd. [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt verboden tuinafval op de strook grond te plaatsen.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Het dreefrecht is door non-usus dan wel door feitelijk onmogelijke uitoefening teniet¬gegaan.

4.2 Uit de tekst van artikel 3 van de akte uit 1909 blijkt dat perceel nummer 1 beschikte over een privaat. Perceel nummer 1 werd belast met een recht om gebruik te maken van dat privaat ten gunste van het perceel dat achterbleef bij de verkopers van de percelen nummers 1 tot en met 3. Om bij dat privaat op perceel nummer 1 te komen kregen de verkopers bovendien een recht ten last van perceel nummer 2 “van voetpad langs de oostelijke grens van den dijk naar voormeld privaat”. Er ging dus in ieder geval mede ten behoeve van de verkopers een voetpad van de dijk langs de oostelijke grens van perceel nummer 2 naar het privaat. Er is maar één oostelijke grens van perceel nummer 2 (namelijk de erfafscheiding met perceel nummer 1) en daarlangs heeft ook perceel nummer 1 een recht van voetpad gekregen. Dat is dus hetzelfde voetpad als de achterblijvende verkopers hadden gekregen en dus diende om het privaat te bereiken. Dat privaat is er al lang niet meer. Ook dit recht van voetpad is dus tenietgegaan door non-usus, dan wel door feitelijke onmogelijkheid van uitoefening. Het recht van voetpad was in ieder geval niet nodig om de stal te bereiken. Daarvoor volstond immers het (ook inmiddels vervallen) dreefrecht.

4.3 Als al nog een recht van voetpad langs de oostgrens bestaat, geldt dat deze erfdienst¬baarheid op de minst bezwarende wijze moest worden uitgeoefend. De voorzijde van de in 1909 aanwezige stal was destijds gewoon bereikbaar over eigen grond. Slechts voor het laatste stukje was een overpad nodig langs de westelijke muur van de stal en dus de oost-grens van perceel nummer 2. De uitbouw die door [eiser] in 1975 is gerealiseerd, staat veel verder naar voren, dat wil zeggen aan de dijkzijde, dan de oorspronkelijke stal. De achtergevel van die uitbouw ligt immers gelijk aan de achtergevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw, terwijl de voorzijde van de stal eveneens ongeveer ter hoogte van de achter¬gevel van het oorspronkelijke hoofdgebouw lag. Deze uitbreiding betekent een verzwaring van de last, immers een verlenging van het pad. Dat is niet toegestaan. Ook daarom kan [eiser] geen aanspraak maken op een recht van overpad langs zijn huidige uitbouw.

4.4 Voor zover toch nog enig recht van voetpad bestaat, geldt ten aanzien van de omvang daarvan dat dit recht beperkt is tot het te voet komen en gaan over het erf van [gedaagde]. Het meevoeren van allerlei zaken is in de titel, waarmee de erfdienstbaarheid van voetpad is gevestigd, niet voorzien. Het servituut kan niet op grond van de redelijkheid en billijkheid tot een zodanig gebruik worden opgerekt. Ook in 1909 was al denkbaar dat zaken mee¬gevoerd werden (fietsen, karren, kruiwagens e.d.), maar bij de vestiging van het servituut is er blijkbaar willens en wetens voor gekozen niet in een dergelijk uitgebreider gebruik te voorzien. Verkrijgende verjaring speelt hier onder het oude recht noch het nieuwe recht een rol.

4.5 Er bestaat geen grond voor aanwijzing van het tussen de beide woningen gelegen pad als noodweg. Het erf van [eiser] heeft een behoorlijke toegang tot de openbare weg: het ligt er aan. Dat het perceel aan de tuinzijde geen behoorlijke toegang tot de openbare weg heeft, is niet relevant.

4.6 Het belang van [eiser] bij zijn vorderingen is komen te vervallen. [eiser] heeft inmiddels een ander woonhuis gekocht en draagt het onderhavige pand over aan zijn dochter. [eiser] bewoont het pand niet meer. Zonder de eigendom van het pand heeft [eiser] geen belang meer bij zijn vorderingen.

4.7 Indien de rechtbank oordeelt dat sprake is van enig recht van voetpad of iets dergelijks zal [gedaagde] dat uiteraard respecteren. Het is [gedaagde] niet te doen om het [eiser] onmogelijk te maken in zijn achtertuin te komen. Sterker nog, zij heeft [eiser] van meet af aan die toegang aangeboden op basis van een persoonlijk recht. De vordering dat [gedaagde] op straffe van verbeurte van een dwangsom moet gehengen en gedogen dat [eiser] gebruik maakt van de eventuele erfdienstbaarheid moet daarom worden afgewezen.

4.8 [eiser] kan het vonnis van de rechtbank zelf inschrijven bij het Kadaster. Hij heeft geen medewerking van [gedaagde] nodig. De veroordeling om die medewerking te verlenen moet daarom bij gebrek aan belang worden afgewezen.

4.9 De fietsafrit hoeft niet zo breed te zijn als [eiser] hem heeft gemaakt en behoefde niet op de grond van [gedaagde] te worden gerealiseerd. Een dergelijke fietsafrit valt bovendien niet onder het op de minst bezwarende wijze uitoefenen van de eventuele erf¬dienstbaarheid. [gedaagde] kan er overigens op zichzelf best met die fietsafrit leven en zij heeft ook nimmer enige poging gedaan die fietsafrit af te breken, blokkeren of anderszins [eiser] het gebruik daarvan te belemmeren. Een veroordeling op straffe van een dwangsom is nergens voor nodig en buitenproportioneel. Dit alles geldt ook voor de door van den Berg aangebrachte klinkers.

4.10 De vordering dat [gedaagde] geen tuinafval mag plaatsen gaat veel te ver. Er is geen strook grond van partijen. Het gevorderde grijpt veel te diep in op het eigendomsrecht van [gedaagde] en dient geen enkel belang van [eiser].

5 De beoordeling

5.1 Als meest verstrekkend verweer heeft [gedaagde] bij conclusie van dupliek aangevoerd dat [eiser] geen belang (meer) bij zijn vorderingen heeft, omdat hij zijn woning aan de [adres] heeft verkocht en niet meer in die woning woont. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, teneinde [eiser] in de gelegenheid te stellen op dit verweer te reageren.

5.2 Voor het geval dat het verweer van [gedaagde] niet kan worden gevolgd, overweegt de rechtbank alvast als volgt.

5.3 Nu als niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken is komen vast te staan dat de in de akte van 1909 genoemde percelen “nommer 1 en nommer 2” destijds afzonderlijk zijn verkocht, is aan de voorwaarde voldaan waaronder het dreefrecht en recht van voetpad werden gevestigd ten laste van het perceel van [gedaagde] en ten gunste van het perceel van [eiser]. Of deze erfdienstbaarheden nog bestaan alsmede de inhoud en omvang daarvan moet voor elke erfdienstbaarheid afzonderlijk beoordeeld worden.

5.4 Een erfdienstbaarheid is een last, waarmee een onroerende zaak - het dienende erf - ten behoeve van een andere onroerende zaak - het heersende erf - is bezwaard. De inhoud van de erfdienstbaarheid en de wijze van uitoefening worden in de eerste plaats bepaald door de akte van vestiging en, voor zover in die akte regelen daaromtrent ontbreken, door de plaatselijke gewoonte. Is een erfdienstbaarheid te goeder trouw geruime tijd zonder tegen¬spraak op een bepaalde wijze uitgeoefend, dan is in geval van twijfel deze wijze van uitoefening beslissend. De uitoefening der erfdienstbaarheid moet op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze geschieden.

Het dreefrecht.

5.5 Volgens de akte van vestiging houdt het dreefrecht in: “het recht om beesten te leiden van den dijk naar de deur dienende tot toegang van den stal behoorende bij perceel nommer een en van daar weder naar den dijk”. De bewoordingen van de akte zijn duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Op grond van de erfdienstbaarheid mogen beesten worden geleid van en naar de stal. Het vervoeren van kliko’s en fietsen kan daaronder niet worden begrepen.

5.6 [gedaagde] heeft (onder meer) een beroep gedaan op artikel 750 (oud) BW. Op grond van dat artikel ging een erfdienstbaarheid teniet, wanneer de toestand van (één) van de erven zodanig is dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid blijvend niet meer mogelijk is. Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat het dreefrecht teniet is gegaan in 1975. Vast staat dat [eiser] in die tijd zijn huis heeft uitgebouwd en dat er sindsdien in ieder geval geen stal meer aanwezig is naar de deur waarvan beesten vanaf de dijk kunnen worden geleid. Het dreefrecht is daardoor dus feitelijk onmogelijk geworden, hetgeen onder het oude recht tenietgaan van het dreefrecht meebracht.

Het voetpad.

5.7 Volgens de akte van vestiging houdt het voetpad in dat de open grond behorende bij het perceel van [gedaagde] zal zijn belast: “met recht van voetpad langs de oostelijke grens naar en van den IJssel”. Ook dienaangaande geldt dat de akte van vestiging duidelijk is en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Anders dan [gedaagde] betoogt, houdt dit voetpad geen verband met het privaat dat zich ten tijde van vestiging van de erfdienstbaarheid op het perceel van [eiser] bevond. In de akte wordt immers gesproken over ‘naar en van de IJssel’ en niet over ‘naar en van het privaat’, zoals in de erfdienstbaarheid die ten behoeve van de verkopers is gevestigd. Voorts gold het recht van voetpad vanaf de dijk tot aan de IJssel en niet slechts vanaf de destijds aanwezige stal. Dat ingevolge artikel 733 (oud) BW onder de erfdienstbaarheid van dreef die van voetpad stilzwijgend is begrepen, doet daaraan niet af.

5.8 Artikel 733 (oud) BW hield definities in van de erfdienst¬baarheden van voetpad, rijpad, dreef en weg. De erfdienstbaarheid van voetpad was gedefinieerd als het recht om te voet over eens anders land te mogen gaan. Die van rijpad of dreef als het recht om daarover te paard te rijden, respectievelijk beesten te drijven. Die van weg als het recht om er met een wagen, een rijtuig enz. over te rijden. Gelet hierop, valt niet in te zien dat onder het recht van voetpad onder het oude recht niet tevens begrepen kon zijn het aan de hand meevoeren van karren en fietsen en dergelijke. In de akte van vestiging ontbreken regels omtrent de inhoud en wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid. Over de plaatselijk gewoonte is door partijen niets gesteld. Als onbetwist staat vast dat [eiser] al jaar en dag te goeder trouw kliko’s, (brom)fietsen, tuinmaterialen en dergelijke aan de hand meevoert. Deze wijze van uitoefening wordt door de rechtbank beslissend geacht.

5.9 In de vestigingsakte zijn evenmin regels opgenomen over de breedte van het voetpad. De plaatselijke gewoonte is daarom doorslaggevend. [eiser] heeft gesteld dat een voetpad gewoonlijk drie à vier voet breed was, ofwel circa 90 tot 120 cm. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Hieruit volgt dat [eiser] gerechtigd is gerekend vanaf de erfgrens gebruik te maken van de grond van [gedaagde] over een breedte van maximaal 1 meter 20 en dat [gedaagde] dit gebruik niet mag frustreren. Een en ander, met dien verstande dat [eiser], gezien vanaf de dijk tot aan de aanbouw van zijn woning, slechts gebruik moet kunnen maken van een strook grond van [gedaagde] van 50 centimeter breed, omdat hij op dat gedeelte zelf beschikt over een strook grond van 70 centimeter breed. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat op grond van de in het geding gebrachte foto’s en (kadastrale) tekeningen aangenomen moet worden dat de stal, waarover in de tekst van de vestigingsakte wordt gesproken, (nagenoeg) op de erfgrens stond. Dat de aanbouw (wellicht) langer is dan die stal was, brengt niet mee dat sprake is geweest van een op grond van artikel 738 (oud) BW verboden verzwaring van de erfdienstbaarheid.

5.10 De rechtbank houdt iedere beslissing aan in afwachting van de akte van [eiser], waarbij hij kan reageren op het door [gedaagde] bij dupliek gevoerde verweer dat [eiser] geen belang bij zijn vorderingen heeft. Gelet hierop krijgt [gedaagde] geen gelegenheid voor antwoordakte. De rechtbank geeft partijen in overweging het geschil in der minne te regelen, waarbij de voorgaande overwegingen hen misschien dienstig kunnen zijn.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 januari 2009 voor het nemen van een akte door [eiser] als bedoeld in overweging 5.10.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren.

Uitgesproken in het openbaar.

336