Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG9821

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
14-01-2009
Zaaknummer
264594 / HA ZA 06-1864
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Effectenlease; huurkoop. Hoge Raad kan naar verwachting in februari of maart 2009 uitspraak doen in een in cassatie aanhangig gemaakte effectenleasezaak. De zaak wordt verwezen voor akte uitlating over aanhouding in afwachting van dit arrest van de Hoge R

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 264594 / HA ZA 06-1864

Uitspraak: 17 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eiser],

2. [eiser-1],

3. [eiser-2],

wonende te Rotterdam,

eisers,

advocaat mr. A.W. Dolphijn,

- tegen -

de naamloze vennootschap AEGON BANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaat mr. H.E. Schweers.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eisers]" respectievelijk "Aegon".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

de dagvaarding van 22 juni 2006 met de producties 1 tot en met 7;

de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 10;

de conclusie van repliek, met productie 8;

de conclusie van dupliek.

2. Het geschil

[eisers] vordert – kort gezegd – op grond van in 2000 gesloten overeenkomsten "SprintPlan" diverse verklaringen voor recht alsmede betaling van een bedrag van € 30.630,16 van Aegon, te vermeerderen met rente en kosten.

Aegon heeft de vordering van [eisers] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eisers] in de kosten van het geding.

3. De beoordeling

3.1 Vaststaat dat partijen eind 2000 een drietal overeenkomsten van effectenlease hebben gesloten, genaamd "SprintPlan", op grond waarvan Aegon voor rekening en risico van [eisers] een bedrag van (in totaal) € 30.630,16 (NLG 67.500,=) heeft belegd, welk bedrag Aegon daarbij als lening heeft verstrekt aan [eisers]. Deze overeenkomsten vormen de grondslag voor de in deze procedure ingestelde vordering.

3.2 Het laatste processtuk is de conclusie van dupliek van 10 januari 2007. Door wisselingen in de personele bezetting binnen de sector civiel recht en door bestaande achterstanden is deze zaak pas nu ter beoordeling ter hand genomen door de thans behandelend rechter.

Vastgesteld moet worden dat over de onderhavige materie – effectenlease – inmiddels veel jurisprudentie is verschenen, met name van de rechtbank en van het gerechtshof in Amsterdam in de zogenoemde Dexia-zaken. In deze jurisprudentie komt een deel van de ook in de onderhavige procedure spelende geschilpunten aan de orde, onder meer over de bijzondere zorgplicht van banken, over de toepassing van het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 van het Burgerlijk Wetboek en over de rol van tussenpersonen en de vraag of deze als hulppersonen kunnen worden aangemerkt.

Voorts is van belang dat de Hoge Raad naar verwachting in februari of maart 2009 uitspraak kan doen in een in cassatie aanhangig gemaakte effectenleasezaak (zie: rechtspraak.nl onder Rechtbank Amsterdam: persbericht van 25 november 2008).

3.3 Het opgetreden tijdsverlies ten spijt, bestaat op grond van een goede en efficiënte procesorde aanleiding deze procedure aan te houden totdat de Hoge Raad vorenbedoelde uitspraak heeft gedaan. Partijen zullen zich bij akte hierover mogen uitlaten.

Verwacht mag worden dat partijen dan in staat zullen zijn hun geschil onderling door middel van een schikking te regelen. Indien dat niet het geval mocht zijn, mag van partijen worden verlangd in deze procedure aan te geven welke geschilpunten nog resteren gelet op de dan bekende jurisprudentie.

3.4 Voorts dient de vraag onder ogen te worden gezien of het onderhavige geschil een zaak betreffende een huurkoopovereenkomst is, in welk geval op grond van artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de zaak niet door de sector civiel recht maar door de kantonrechter (van de sector kanton van de rechtbank Rotterdam) dient te worden behandeld.

Op grond van artikel 71 lid 2 Rv kan ambtshalve verwijzing plaatsvinden naar de kantonrechter. De rechtbank dient op grond van artikel 71 lid 3 Rv de vraag of de zaak dient te worden verwezen naar de kantonrechter te beantwoorden aan de hand van haar voorlopige oordeel over het onderwerp van het geschil. Alvorens omtrent verwijzing te beslissen dienen partijen in de gelegenheid te zijn geweest zich hierover uit te laten.

3.5 De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte respectievelijk antwoordakte, waarin partijen zich (uitsluitend) kunnen uitlaten over voormelde aanhouding in afwachting van het arrest van de Hoge Raad, alsmede over mogelijke verwijzing naar de kantonrechter.

4. De beslissing

De rechtbank

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 21 januari 2009 om partijen, [eisers] als eerste, in de gelegenheid te stellen zich bij akte respectievelijk antwoordakte uit te laten als hiervoor aangegeven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels.

Uitgesproken in het openbaar.

[1954/1694]