Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG8594

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
30-12-2008
Zaaknummer
08/1859
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond tegen primair disciplinair ontslag en subsidiair ongeschiktheidsontslag wegens niet melden dat eisers echtgenote sollicitant was voor functie in MT, waarvan eiser ook deel uitmaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 08/1859

Uitspraak in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde mr. O. Diels, advocaat te Den Haag

en

de bestuurscommissie voor de gemeentelijke scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs te Middelharnis, verweerder,

gemachtigde mr. M.T.J.H. Berns, advocaat te ’s Hertogen¬bosch.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 11 september 2007 heeft verweerder aan eiser kenbaar gemaakt voornemens te zijn primair hem disciplinair te ontslaan op grond van artikel 4.b.3 onder k van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het voortgezet onderwijs 2006-2007 (hierna: de CAO) uit de functie van … van de Scholengemeenschap …, subsidiair hem ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn functie op grond van artikel 4.b.3 onder g van de CAO.

Bij brief van 1 oktober 2007 heeft eiser zijn zienswijze op het voornemen gegeven.

Bij besluit van 25 oktober 2007 heeft verweerder eiser primair de disciplinaire straf van ontslag opgelegd op grond van artikel 4.b.3 onder k van de CAO, subsidiair ontslag verleend op grond van artikel 4.b.3 onder g van de CAO wegens ongeschiktheid voor zijn functie.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 30 november 2007 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 31 december 2007.

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 22 april 2008 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 3 juni 2008.

Verweerder heeft op 24 juli 2008 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2008. Ter zitting is verschenen eiser in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens zijn namens verweerder verschenen mevrouw G. de Vries-Hommes en de heer S. Bangma.

2 Overwegingen

2.1 Standpunt verweerder

Verweerder verwijt eiser – samengevat – dat hij door zijn handelswijze in de selectieprocedure voor een nieuwe conrector de schijn heeft gewekt getracht te hebben zijn echtgenote op heimelijke wijze voor benoeming als conrector voor te dragen.

Eiser heeft zich daarmee niet gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt. Eiser had als voorzitter van de benoemingsadviescommissie (hierna: de BAC) een centrale rol te vervullen in de selectieprocedure voor een nieuwe conrector. Eiser was verantwoordelijk voor het vaststellen van de advertentietekst voor de vacature. In het overleg van 18 december 2006 tussen verweerder en de Medezeggenschapsraad (hierna: MR) is afgesproken dat de aan te trekken conrector lesbevoegdheid diende te bezitten. In strijd met deze afspraak is voornoemde eis niet in de advertentietekst opgenomen. De voorgedragen kandidaat, eisers echtgenote, beschikt niet over de vereiste lesbevoegdheid en ervaring. Tegen deze achtergrond lijkt het erop dat eiser het in de advertentietekst gevraagde profiel met het oog op het aanstellen van zijn echtgenote heeft opgesteld. Eiser heeft nagelaten verweerder op enig moment in de selectieprocedure op de hoogte te stellen van het feit dat eisers echtgenote één van de sollicitanten was. Pas bij de voordracht is het verweerder, bij het lezen van het ‘Verslag werving en selectieprocedure conrector – RGO …, kenbaar geworden dat de voorgedragen kandidaat eisers echtgenote betrof. Eiser heeft hiermee niet transparant en niet integer gehandeld. Eiser heeft bovenal het in hem te stellen vertrouwen in zijn functie van … beschaamd en blijk gegeven zijn (voorbeeld)positie te miskennen.

Eiser kan zich niet beroepen op zijn geheimhoudingsplicht en had zich uit de BAC kunnen terugtrekken. Dat de selectieprocedure in samenspraak met een professionele partij, Parcours, is doorlopen en dat de voordracht van eisers echtgenote unaniem in de BAC tot stand is gekomen, doet daar niets aan af. Eiser wordt verweten dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid jegens het bestuur volledig heeft miskend.

Eisers handelswijze wordt aangemerkt als zeer ernstig plichtsverzuim. Het wordt eiser voorts verweten dat hij niet het minste besef heeft gehad dat een leidinggevende directie, … en conrector, niet gevormd kan worden door een echtpaar. Hiermee heeft eiser tevens blijk gegeven ongeschikt te zijn voor de functie van rector van een scholen¬gemeenschap. Eiser is niet omgevingsbewust, stelt zich niet transparant en integer op, heeft geen gevoel voor bestuurlijke verhoudingen en processen en de daarin op hem rustende bijzondere verantwoordelijkheden. Eiser heeft ook het vertrouwen van naaste collega’s ernstig geschonden. Het vertrouwen is ondanks het traject ‘herstel vertrouwen … – coördinatoren, RGO … van mei 2007 onder begeleiding van de IMAGO Groep niet hersteld.

Met ingang van 22 mei 2007 is eiser vanwege de ontstane situatie en in afwachting van nader te nemen maatregelen buitengewoon verlof verleend. De daarop volgende onderhandelingen hebben evenmin het gewenste effect gehad en zijn op 13 juli 2007 definitief afgebroken. Eiser is er van te voren op gewezen dat eenzijdig ontslag zou volgen als het ingeslagen traject zou stuklopen. Het enkele feit dat tussen de voordracht van eisers echtgenote en het voornemen tot ontslag enige tijd is verstreken, doet niets af aan de kwalificatie van eisers handelswijze, welke al direct medio 2007 verwerpelijk werd geacht. De aan eiser opgelegde sanctie wordt evenredig geacht. De gevolgen daarvan zijn enkel en alleen te danken aan eisers handelswijze. Eiser heeft zichzelf volledig gediskwalificeerd.

2.2 Standpunt eiser

Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat verweerder het bestreden besluit heeft gebaseerd op een onjuiste feitelijke grondslag en dat het besluit onzorgvuldig is gemotiveerd.

Verweerder heeft niet toegelicht uit welk element van de definitie het plichts¬verzuim in dit geval concreet bestaat. “Het niet gedragen als een goed ambtenaar” is geen element uit de definitie. Primair stelt eiser zich op het standpunt dat de verweten gedragingen niet hebben plaatsgevonden, zodat er geen sprake is van ‘zeer ernstig plichts¬verzuim’. Eiser was voorzitter van de door verweerder ingestelde BAC. Deze commissie werd inhoudelijk en procedureel geleid door een door verweerder ingeschakelde professionele partij, Parcours. Dat één van de sollicitanten eisers echtgenote was, heeft eiser direct en voorafgaande aan enige selectiehandeling door de BAC aan de leden van de BAC kenbaar gemaakt. Dit is ook uitdrukkelijk aan de orde geweest als nadeel van deze kandidate. Desondanks kwamen de BAC en Parcours tot de conclusie dat eisers echtgenote de beste kandidate was. In het rapport van Parcours is zeer expliciet de relatie tussen eiser en zijn echtgenote vermeld als grootste nadeel van die kandidate. Daar is dus niets heimelijks aan. Voorts wordt door verweerder niet gemotiveerd waar de objectiviteit in ontbroken heeft en wat het verband is met de eerdere onrust in de achterliggende jaren. Er bestaat geen verband tussen de verwijten die eiser worden gemaakt en het voortijdig vertrek van de vorige …. Dat een objectieve selectieprocedure is gevolgd blijkt uit het feit dat eiser nog vóór de feitelijke aanvang van de selectieprocedure kenbaar heeft gemaakt dat zijn echtgenote solliciteerde. Voor eiser bestond zodoende (ook) geen enkele aanleiding verweerder te informeren of zich terug te trekken. Daarbij komt dat de leden van de BAC een geheimhoudingsovereenkomst hebben gesloten. Overtreding van de geheimhoudings¬plicht zou (eveneens) verwijtbaar gedrag opleveren. Eiser heeft geen procedurele regels overtreden. Ook Parcours heeft geen aanleiding gezien verweerder tussentijds te berichten. Daarbij komt dat eiser, als voorzitter van de BAC, geen andere rol of bevoegdheid had dan de andere leden.

De selectieprocedure is volgens het vaste protocol doorlopen. Verwezen wordt naar het ‘Verslag werving en selectieprocedure conrector-RGO …. De sollicitatie¬brieven werden geselecteerd door Parcours en de voorronde gesprekken werden gevoerd volgens een vast stramien. Alle beslissingen werden met de BAC besproken en genomen. Daar komt bij dat de BAC slechts advies uitbrengt en verweerder uiteindelijk beslist welke kandidaat wordt benoemd als conrector.

Voorts was er geen reden te veronderstellen dat de leiding niet gevormd zou kunnen worden door een echtpaar. De directie bestaat uit twee personen, …en conrector, doch de leiding aan de school wordt gegeven samen met vijf afdelingscoördinatoren. De … is eindverantwoordelijk en legt verantwoording af aan verweerder. Ook binnen de scholen¬gemeenschap zijn echtgenoten die samenwerken en ook in andere scholen komt dat in de schoolleiding voor. Er kan hooguit sprake zijn van een beoordelingsfout zijdens eiser, maar niet van (zeer ernstig) plichtsverzuim. Het ontbreken van scherpe normen, procedures en instructies kunnen niet aan eiser worden tegengeworpen. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 18 oktober 2001 (LJN: AD8226). Dat omtrent de voordracht van de echtgenote van eiser commotie zou ontstaan was niet te voorzien. Bovendien had het op de weg van verweerder gelegen om, als inderdaad sprake zou zijn geweest van zeer ernstig plichtsverzuim, direct maatregelen treffen. In het onderhavige geval is eiser ‘het voordeel van de twijfel gegeven’ en is hem de kans geboden het geschonden vertrouwen terug te winnen. Verwezen wordt naar de brief van verweerder van 18 april 2007. Dit past niet bij ‘zeer ernstig plichtsverzuim’. Verweerder heeft de voordracht openbaar doen of laten worden en niet ingegrepen op een moment dat bleek dat de voordracht van eisers echtgenote op weerstand binnen de scholengemeenschap stuitte. Daarmee heeft verweerder de ontstane onrust zelf veroorzaakt, althans niet beperkt. Ook doordat de coördinatoren niet door verweerder zijn gehoord is irritatie ontstaan. Dat latere pogingen tot herstel van vertrouwen niet zijn geslaagd doet aan het voorgaande niet af.

Daarnaast bestrijdt eiser dat niet weer succesvol samengewerkt had kunnen worden binnen de scholengemeenschap. Het grootste deel van het personeel had nog voldoende vertrouwen in een toekomst met eiser.

Met betrekking tot de vacaturetekst merkt eiser op dat zijn echtgenote over lesbevoegdheid beschikt. Bovendien is de vacaturetekst door een collega, tevens lid van de BAC, aangepast. Met betrekking tot de subsidiaire ontslaggrond stelt eiser zich op het standpunt dat de ongeschiktheid niet blijkt uit de (aard en ernst van de) feiten en omstandigheden. Eiser heeft transparant en integer gehandeld en er is geen sprake geweest van het voorrang geven aan persoonlijke belangen. Bovendien heeft verweerder in zijn brief van 18 april 2007 aangegeven aanleiding te zien eiser nog een kans te gegeven gelet op zijn inzet en enthousiasme en de positieve impulsen die hij aan de school gaf in de afgelopen periode. Indien eiser naar aanleiding van de sollicitatie van zijn echtgenote zich had moeten terugtrekken, dan is dat van eiser een beoordelingsfout gebleken, maar levert nog geen plichtsverzuim op. Verweerder heeft in dat verband behoren te kiezen voor een lichtere (voorwaardelijke) straf. De persoonlijke gevolgen zijn voor eiser zeer ingrijpend gebleken. Er zijn vrijwel geen mogelijkheden in eisers omgeving om een andere vergelijkbare baan te vinden.

3 Wettelijk kader

Ingevolge artikel 4.b.3, aanhef en onder k, van de CAO kan de werknemer, met inachtneming van het in artikel 4.b.4 bepaalde ontslag worden verleend als disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim.

Ingevolge artikel 4.b.7, eerste lid van de CAO kan de werknemer die zich aan plichtsverzuim schuldig maakt disciplinair gestraft worden. Ingevolge het tweede lid van deze bepaling, omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets dat een goed werknemer in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Ingevolge het derde lid, sub c, van deze bepaling, kan ontslag als disciplinaire straf worden opgelegd.

Ingevolge artikel 4.b.3, aanhef en onder g, van de CAO kan de werknemer, met inachtneming van het van het in artikel 4.b.4 bepaalde ontslag worden verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het verrichten van zijn functie uit andere hoofde dan genoemd onder f.

4 Beoordeling

4.1 Ten aanzien van de vraag of sprake is van plichtsverzuim overweegt de rechtbank dat voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging(en) heeft schuldig gemaakt.

In het bestreden besluit wordt eiser verweten dat hij enerzijds de schijn heeft gewekt getracht te hebben op heimelijke wijze zijn echtgenote voor benoeming als conrector te hebben willen voordragen, en anderzijds dat hij zijn eigen verantwoordelijkheid jegens verweerder heeft miskend door niet op enig moment in de selectieprocedure verweerder in te lichten omtrent de kandidaatstelling van zijn echtgenote voor de functie van conrector, dan wel zich terug te trekken uit de selectieprocedure. Deze gedragingen leveren naar mening van verweerder zoals ter zitting door verweerder desgevraagd is gesteld ook ieder voor zich zeer ernstig plichtsverzuim op.

4.1.1 Met betrekking tot het verwijt dat eiser de schijn heeft gewekt op heimelijke wijze zijn echtgenote voor benoeming als conrector te hebben willen voordragen, heeft verweerder gewezen op het feit dat in de advertentietekst voor de vacature voor conrector in tegenstelling tot hetgeen daaromtrent in de gezamenlijke vergadering van de Bestuurscommissie en de Medezeggenschapsraad (hierna: MR) van 18 december 2006 was vastgesteld niet is vermeld dat de sollicitant over lesbevoegdheid dient te beschikken.

De rechtbank stelt vast dat met betrekking tot het opstellen van de advertentietekst in de procedurebeschrijving van Parcours van 24 januari 2007 het volgende is opgenomen:

“Parcours verzamelt vooraf informatie en stelt op basis hiervan een conceptadvertentietekst op. De BAC levert hierop commentaar. Dit leidt tot een tekst die aan het bevoegd gezag wordt gepresenteerd. Het bevoegd gezag stelt, na eventuele bijstellingen, de definitieve advertentietekst vast”.

Pagina 6 van de procedurebeschrijving bevat een uitgebreide uitleg over het opstellen van de advertentietekst. Eiser heeft aangegeven de advertentietekst te hebben gecorrigeerd. Voorts blijkt uit het verslag naar aanleiding van een bijeenkomst op

23 maart 2007 dat de advertentietekst eveneens door …, BAC-lid, is gewijzigd. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de advertentietekst in eerste instantie door Parcours is opgesteld en dat, naast eiser, ook aan ander lid van de BAC bij het opstellen van de advertentietekst betrokken is geweest. Gelet daarop heeft verweerder met de enkele stelling dat eiser (eind)verantwoordelijk was voor het opstellen van de advertentietekst de rechtbank niet kunnen overtuigen van het feit dat eiser de advertentietekst heeft opgesteld met het doel dat zijn echtgenote aan het gewenste profiel van de aan te trekken conrector zou voldoen. Daar komt nog bij dat ter zitting onweersproken is gesteld dat de echtgenote van eiser wel degelijk over lesbevoegdheid beschikt.

4.1.2 Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiser zijn eigen verantwoordelijkheid jegens verweerder heeft miskend door verweerder (bewust) op geen enkel moment in de selectieprocedure in te lichten over de kandidaatstelling van zijn echtgenote, overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel uit het door eiser aan verweerder per e-mail van 15 februari 2007 verstuurde procedureverslag blijkt dat sprake is van een relatie tussen eiser en de voorgedragen kandidate, en bij nadere beschouwing blijkt dat het om eisers echtgenote gaat, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen om in ieder geval bij de daadwerkelijke benoemingsvoordracht expliciet te vermelden dat de voorgedragen kandidate zijn echtgenote betrof. Van een redelijk handelend ambtenaar mag worden verlangd dat hij, zich bewust zijnd van het feit dat een voordracht als deze gevoelig kan liggen, alle schijn van heimelijkheid vermijdt.

Voor zover eiser zich op het standpunt stelt dat hem niet kan worden verweten eerder in de selectieprocedure geen mededeling te hebben gedaan van de kandidaatstelling van zijn echtgenote, gelet op de met Parcours getekende geheimhoudingsovereenkomst, overweegt de rechtbank dat een beroep daarop niet kan slagen, nu eiser met toestemming van zijn echtgenote haar kandidaatstelling aan verweerder bekend had kunnen maken en gesteld noch gebleken is dat eiser deze toestemming heeft geprobeerd te verkrijgen.

Ten aanzien van het verwijt dat eiser zich had dienen terug te trekken uit de selectieprocedure overweegt de rechtbank als volgt. Hoewel eiser heeft gesteld als voorzitter van de BAC geen bijzondere positie te hebben en niet over bijzondere bevoegdheden te beschikken, had eiser zich naar het oordeel van de rechtbank moeten realiseren dat bij het voordragen van zijn echtgenote als kandidate of bij een aanstelling van zijn echtgenote als conrector, eisers betrokkenheid bij de selectieprocedure zou kunnen leiden tot vraagtekens omtrent die procedure. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser, gezien zijn positie als voorzitter van de BAC en zijn functie als … van de scholengemeenschap, zich had dienen terug te trekken uit de selectieprocedure, in ieder geval voor zover het de kandidaatstelling van zijn echtgenote betrof. Door dit na te laten heeft eiser zijn eigen verantwoordelijkheid in deze miskend en is sprake van plichtsverzuim. Verweerder was in beginsel dan ook bevoegd om een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.2 De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat voornoemd plichtsverzuim niet aan eiser kan worden toegerekend.

4.3 Door eiser is aangevoerd dat strafontslag onevenredig is aan het geconstateerde plichtsverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is bij de beoordeling van de ernst van het plichtsverzuim en de op te leggen disciplinaire straf van doorslaggevend belang dat uit de gedingstukken blijkt dat met name de houding van eiser in het kader van het traject “herstel vertrouwen … – coördinatoren” onder leiding van Imago Groep, alsmede de onderlinge (verstoorde) verhoudingen tussen de coördinatoren en eiser aanleiding zijn geweest voor het onderhavige strafontslag. Uit de gedingstukken blijkt niet dat, na de benoemingsvoordracht van eisers echtgenote, sprake is (geweest) van een apert onhoudbare situatie. Verweerder heeft bij brief van 18 april 2007 aan eiser medegedeeld dat eiser het voordeel van de twijfel wordt gegegeven en hem een kans wordt geboden het geschonden vertrouwen terug te winnen. Imago Groep is ingeschakeld om eiser daarin te begeleiden. Bovendien blijkt uit de brief van verweerder aan de MR, gedateerd 17 april 2008, dat verweerder de BAC, in dezelfde bezetting dus met eiser als een van de leden , zal vragen de selectieprocedure te hervatten.

Een dergelijke gang van zaken past naar het oordeel van de rechtbank niet bij het karakter van een onvoorwaardelijk strafontslag vanwege zeer ernstig plichtsverzuim. In feite is verweerder overgegaan tot een informele vorm van voorwaardelijk ontslag, met als voorwaarde: het herwinnen van vertrouwen, en vervolgens – nu dat herwinnen niet is gelukt – is alsnog ontslag verleend. Door zo te handelen heeft verweerder ten onrechte omstandig¬heden in zijn besluitvorming betrokken die niet van invloed zijn op de aard en ernst van het plichtsverzuim, dat immers slechts bestaat uit het gedrag van eiser tijdens de sollicitatieprocedure. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het gedrag van eiser – zoals omschreven onder overweging 4.1.2. van deze uitspraak – niet de kwalificatie ‘zeer ernstig plichtsverzuim’ rechtvaardigt. Gelet op het voorgaande is de recht¬bank van oordeel dat de opgelegde straf onevenredig is.

4.4 Het beroep, voor zover dat de primaire ontslaggrond betreft, is gegrond.

4.5 Ten aanzien van de subsidiaire ontslaggrond, het ontslag wegens ongeschiktheid, dient te worden beoordeeld of bij eiser sprake was van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn functie, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Bovendien is in het algemeen vereist dat de betrokken ambtenaar concreet met de verweten tekortkomingen is geconfronteerd op een zodanige wijze dat redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat bij gebreke van verbetering ontslag dreigde en op een zodanig tijdstip dat hij nog een reële kans had om de gewenste verbetering in zijn functioneren tot stand te brengen.

4.5.1 Verweerder heeft het ongeschiktheidsontslag gebaseerd op het verwijt dat eiser door zijn handelswijze in het kader van de selectieprocedure en door zijn opstelling nadien blijk heeft gegeven ongeschikt te zijn voor de functie van … van een scholengemeenschap. Verweerder stelt dat eiser niet omgevingsbewust is, zich niet transparant en integer opstelt en geen enkel gevoel blijkt te hebben voor bestuurlijke verhoudingen en processen en de daarin op hem rustende bijzondere verantwoordelijkheden.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel er op grond van hetgeen verweerder heeft gesteld aanwijzingen zijn dat eiser niet beschikt over de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist, deze aanwijzingen alléén niet voldoende zijn om zulks ook vast te stellen. In dat kader neemt de rechtbank in aanmerking dat in de brief van verweerder van 18 april 2007 juist is gesteld dat eiser door zijn inzet en enthousiasme positieve impulsen aan de school heeft gegeven en dat door de gemachtigde van verweerder ter zitting is bevestigd dat eiser in de afgelopen twee jaren goed heeft gefunctioneerd. Reeds hierom kan het ongeschiktheidsontslag geen stand houden.

4.5.2 Zelfs indien ervan uit moet worden gegaan dat eiser inderdaad ongeschikt is voor zijn functie, rechtvaardigt dit niet zonder meer ontslag. Daarvoor is noodzakelijk dat eiser is geconfronteerd met zijn tekortkomingen en een reële verbeterkans is geboden.

Verweerder heeft aangegeven dat eiser vanaf het begin is geconfronteerd met verweerders stelling dat zijn handelen laakbaar is geweest. Nadat, ondanks tussenkomst van Imago Groep, het geschonden vertrouwen niet is hersteld, is hierop het ontslag gevolgd.

Voor zover verweerder hiermee heeft willen betogen dat eiser hierdoor voldoende verbeterkansen heeft gehad, verwerpt de rechtbank dit betoog. Uit de gedingstukken blijkt dat Imago Groep is ingeschakeld in een poging om het vertrouwen tussen eiser en de afdelingscoördinatoren te herstellen. Niet gezegd kan worden dat eiser door inschakeling van Imago Groep en de gesprekken die met hem zijn gevoerd, dan wel door gesprekken met de afdelingscoördinatoren, met de aan hem thans verweten tekortkomingen is geconfronteerd op een zodanige wijze dat eiser nog een reële kans had om de gewenste verbetering dan wel verandering in zijn functioneren tot stand te brengen. Evenmin is de rechtbank gebleken dat eiser eerder met thans door verweerder gestelde tekortkomingen is geconfronteerd. Van een reële verbeterkans is derhalve naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest; er is eiser eenvoudigweg te weinig tijd gegund. Voorts is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere (deskundige) onderbouwing niet gezegd kan worden dat het – gelet op het karakter van eiser – niet zinvol is om eiser een verbetertraject aan te bieden.

4.6 Het beroep, voor zover dat de subsidiaire ontslaggrond betreft, is eveneens gegrond.

4.7 Gelet op het voorgaande moet het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met de artikel 7:12, eerste lid, en 3:4, tweede lid, van de Awb. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

4.8 Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient eiser het griffierecht te worden vergoed en bestaat aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een bedrag van € 644,00 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,00 en wegingsfactor 1). Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking hebben, is de rechtbank niet gebleken.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de gemeente Middelharnis die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

5 gelast dat de gemeente Middelharnis het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. E.A. Poppe-Gielesen als voorzitter en mr. J. van den Bos en mr. T. Damsteegt als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.H.J. Baarsma-Reuchlin, griffier.

De griffier: De rechter:

De griffier is buiten staat

deze uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2008.

Rechtsmiddel

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.

Afschrift verzonden op: