Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG8343

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
310814 / HA ZA 08-1722
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident; bevoegdheid rechtbank; arbitragebeding in Fenex-voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 310814 / HA ZA 08-1722

Uitspraak: 17 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOGIX FORWARDING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in het incident,

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat mr. E.A. Bik,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HANSELAND B.V.,

gevestigd te Groningen,

eiseres in het incident,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. J. Kneppelhout.

Partijen worden hierna aangeduid als "Logix" respectievelijk "Hanseland".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 25 juni 2008;

de door Logix bij akte overgelegde producties 1 tot met 9, waaronder beslagstukken;

conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 6;

conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident, met producties 10 tot en met 16.

2 De standpunten van partijen

In de hoofdzaak

2.1

Logix vordert – kort weergegeven – dat de rechtbank Hanseland bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.426,36, vermeerderd met de wettelijke handelsrente telkens vanaf de dag dat de facturen zijn verzonden tot aan de dag der voldoening, alsmede tot betaling van de proceskosten, inclusief beslagkosten.

2.2

Logix stelt daartoe dat zij in opdracht en voor rekening van Hanseland expeditiewerkzaamheden heeft verricht en dat op de rechtsverhouding tussen partijen de Nederlandse Expeditievoorwaarden (hierna: Fenex-voorwaarden) van toepassing zijn.

Logix vordert betaling van haar volgende facturen:

- factuur 152094 d.d. 8 september 2005 pro resto € 1.775,00;

- factuur 152849 d.d. 29 november 2005 pro resto € 1.897,91;

- factuur 160491 d.d. 28 februari 2006 ad € 4.107,00.

Voorts stelt Logix dat zij een bedrag van € 4.250,00 van Hanseland tegoed heeft.

Logix verrekent een bedrag van € 5.047,76 dat zij aan Hanseland verschuldigd is, zodat zij per saldo een hoofdsom van € 6.962,15 van Hanseland te vorderen heeft.

Logix vordert op grond van de Fenex-voorwaarden een bedrag van € 696,21 aan administratiekosten. Voorts vordert Logix buitengerechtelijke kosten ad € 768,00.

In het bevoegdheidsincident

2.3

Hanseland vordert primair dat de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaart om van de vordering van Logix kennis te nemen en de zaak verwijst naar de rechtbank Groningen, subsidiair, indien de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn, dat de rechtbank te Rotterdam zich absoluut onbevoegd verklaart om van de vordering kennis te nemen, met veroordeling van Logix in de kosten van dit incident.

2.4

Hieraan heeft Hanseland ten grondslag gelegd dat de Fenex-voorwaarden op de onderhavige overeenkomsten niet van toepassing zijn. Dat heeft tot gevolg dat – nu Hanseland gevestigd is in het arrondissement Groningen – niet de rechtbank Rotterdam, maar de rechtbank Groningen bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.

2.5

Subsidiair voert Hanseland aan dat, indien de Fenex-voorwaarden wel van toepassing zijn, zij de facturen van Logix binnen vier weken na factuurdatum schriftelijk heeft betwist, zodat de in de laatste alinea van artikel 23 eerste lid Fenex-voorwaarden opgenomen uitzondering op het arbitraal beding niet opgaat en de vordering niet aan de rechtbank Rotterdam maar aan arbiters moet worden voorgelegd.

2.6

Logix betwist de incidentele vordering van Hanseland gemotiveerd concludeert tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Hanseland in de kosten van dit incident.

2.7

Logix heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat de Fenex-voorwaarden van toepassing zijn, het volgende aangevoerd. Logix heeft onderaan haar offertes, e-mails en facturen aan Hanseland naar de Fenex-voorwaarden verwezen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft Logix e-mails aan Hanseland van 15 en 23 maart 2005 en, naast de onderhavige facturen, facturen aan Hanseland uit 2003, 2004 en 2005 overgelegd. Hanseland was voorts bekend met de inhoud van de Fenex-voorwaarden en met het feit dat Logix deze voorwaarden bij al haar overeenkomsten hanteerde. Hanseland heeft nimmer tegen de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden geprotesteerd.

2.8

Logix heeft verder aangevoerd dat Hanseland de facturen niet binnen vier weken na factuurdatum schriftelijk heeft betwist, zodat de rechtbank Rotterdam overeenkomstig artikel 23 Fenex-voorwaarden bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

3 De beoordeling

In het incident

3.1

De incidentele conclusie van onbevoegdheid is tijdig genomen.

3.2

De kern van het geschil tussen partijen komt in de eerste plaats neer op de vraag of op de tussen partijen gesloten overeenkomsten van toepassing zijn de Fenex-voorwaarden, waarin – zoals tussen partijen niet in dispuut is – ten aanzien van geschillen het onderstaande arbitraal beding is opgenomen. Verder is tussen partijen in geschil of de uitzondering op dat arbitraal beding, vermeld in de hieronder aangehaalde laatste alinea van het eerste lid van artikel 23 Fenex-voorwaarden van toepassing is, derhalve of Hanseland de verschuldigdheid van de onder 2.2 genoemde vorderingen binnen vier weken na de betreffende factuurdatum schriftelijk heeft betwist.

Het eerste lid van artikel 23 Fenex-voorwaarden luidt voor zover van belang als volgt:

“Alle geschillen, die tussen de expediteur en zijn wederpartij mochten ontstaan, zullen met uitsluiting van de gewone rechter in hoogste ressort worden beslist door drie arbiters. Een geschil is aanwezig wanneer één der partijen verklaart dat dit het geval is.

Onverminderd het in de voorgaande alinea bepaalde staat het de expediteur vrij vorderingen van opeisbare geldsommen, waarvan de verschuldigdheid niet door de wederpartij binnen vier weken na factuurdatum schriftelijk is betwist, voor te leggen aan de bevoegde Nederlandse rechter in de vestigingsplaats van de expediteur. [..]”

3.3

Indien tussen partijen een overeenkomst van arbitrage is gesloten, dient de rechtbank zich ingevolge artikel 1022 Rv onbevoegd te verklaren. Ingevolge artikel 1021 Rv wordt de overeenkomst tot arbitrage bewezen door een geschrift dat in arbitrage voorziet of dat verwijst naar algemene voorwaarden welke in arbitrage voorzien en dat door of namens de wederpartij uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard. Daarom moet eerst worden onderzocht of de Fenex-voorwaarden op de overeenkomsten tussen Logix en Hanseland van toepassing zijn.

3.4

Bij de beantwoording van de vraag of algemene voorwaarden – zoals de Fenex-voorwaarden – van toepassing zijn, dienen de maatstaven te worden aangelegd die in het algemeen gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. De toepasselijkheid van algemene voorwaarden kan dus worden aangenomen indien zij door de gebruiker is voorgesteld en door de wederpartij is aanvaard, waaronder begrepen het geval dat de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt met de toepasselijkheid in te stemmen. Deze aanvaarding of gerechtvaardigd vertrouwen dat aanvaarding heeft plaats gevonden kan onder omstandigheden ook uit een stilzwijgen van de wederpartij worden afgeleid.

3.5

Gesteld noch gebleken is dat partijen de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden uitdrukkelijk schriftelijk zijn overeengekomen. Dientengevolge moet de vraag worden beantwoord of op andere wijze schriftelijk is verwezen naar de Fenex-voorwaarden en dat door of namens Hanseland uitdrukkelijk of stilzwijgend is aanvaard De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.6

Partijen hebben blijkens de onder 2.7 genoemde e-mails en facturen in ieder geval vanaf 2003 meerdere malen zaken met elkaar gedaan. Uit de door partijen overgelegde e-mails en facturen van Logix blijkt voorts dat Logix aan het slot van bijna al haar e-mails aan Hanseland de tekst heeft staan “All our activities are subject to the Dutch forwarding conditions of the ‘FENEX’, of which a copy will be sent to you upon request” en op al haar facturen aan deze verwijst naar de Fenex-voorwaarden. Hanseland was daarom naar het oordeel van de rechtbank vóór het sluiten van de onderhavige overeenkomsten op de hoogte, althans behoorde dat te zijn, van de wens van Logix om de Fenex-voorwaarden op haar overeenkomsten van toepassing te laten zijn. Door onder die omstandigheid overeenkomsten met Logix te sluiten zonder tegen de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden te protesteren – zodanig protest is immers gesteld noch gebleken – heeft Hanseland bij Logix het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zij de toepasselijkheid van die voorwaarden (stilzwijgend) aanvaardde.

Daarom concludeert de rechtbank dat door middel van schriftelijke verwijzing de Fenex-voorwaarden op de tussen partijen in geschil zijnde overeenkomsten van toepassing zijn.

3.7

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of, zoals Hanseland aanvoert, Hanseland de verschuldigdheid van de factuurbedragen binnen vier weken na factuurdatum schriftelijk heeft betwist, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 23 lid 1 eerste alinea van de Fenex-voorwaarden niet de rechtbank Rotterdam, maar arbiters bevoegd zijn om van de vordering van Logix kennis te nemen. De rechtbank zal daartoe elk van de vier vorderingen van Logix dienen te onderzoeken.

3.8

Met betrekking tot factuur 152094 d.d. 8 september 2005 voert Hanseland aan dat zij de “kosten IMS”, waarvan Logix betaling vordert, tijdig heeft betwist.

Uit productie 1 zijdens Hanseland blijkt het volgende.

Op 15 september 2005 stuurde Logix een e-mail naar Hanseland waarin onder andere geschreven staat: “Tot mijn grote schrik krijg ik van [persoon 1] te horen dat de factuur die ik Oraft had gestuurd voor handling, opslag, overslag Gent niet voor Orafty maar voor Hanseland. Graag bevestiging dat ik deze aan jou kan sturen.” Hanseland antwoordde diezelfde dag per e-mail: “(…) Dat heeft ze niet goed, we hebben Free in tanker geleverd gekregen met dat voortraject hebben we niets te maken voor zover ik weet”.

Anders dan Hanseland betoogt, gaat het in die e-mail-wisseling niet om haar betwisting van een bij de factuur van 8 september 2005 door Logix in rekening gebracht bedrag (aan “kosten IMS”), maar om een nog door Logix in rekening te brengen bedrag. Kennelijk heeft Logix de door haar bij e-mail van 15 september 2005 aangekondigde kosten bij factuur van 19 september 2005 in rekening gebracht. Laatstgenoemde factuur is echter niet in dispuut.

Wat betreft de vordering van Logix betreffende factuur 152094 d.d. 8 september 2005 van pro resto € 1.775,00 is derhalve deze rechtbank bevoegd, als de rechter van de vestigingsplaats van de expediteur zoals bedoeld in artikel 23 lid 1, laatste alinea Fenex-voorwaarden.

3.9

Met betrekking tot factuur 152849 d.d. 29 november 2005 voert Hanseland aan dat zij de bij deze factuur in rekening gebrachte demurrage al op 20 september 2005 heeft betwist door middel van een e-mail waarin zij schreef: “[persoon 2], schip wijkt af van de afspraken en lost elders eerst. Voor eventuele demurrage zijn wij niet langer aansprakelijk.” Tussen partijen is niet in geschil dat deze e-mail door Logix is ontvangen en betrekking heeft op de bij die factuur in rekening gebrachte demurrage. Op 30 november 2005 stuurde Hanseland een e-mail naar Logix waarin zij onder andere refereerde aan haar e-mail van 20 september 2005.

Logix voert aan dat de e-mail van 20 september 2005 niet aangemerkt kan worden als een betwisting binnen vier weken na factuurdatum zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 Fenex-voorwaarden, omdat de verschuldigdheid van de demurrage vóór de factuurdatum is betwist.

De rechtbank overweegt daarover als volgt.

Gelet op de hiervoor genoemde correspondentie tussen partijen, was Logix ten tijde van het versturen van die factuur ter zake van de demurrage al op de hoogte van het bezwaar van Hanseland daartegen. In het midden kan blijven of Hanseland vóór, dan wel na de factuurdatum bezwaar heeft gemaakt, omdat Hanseland haar op 20 september 2005 geuite bezwaar bij e-mail van 30 november 2005 – één dag na factuurdatum – heeft herhaald. Logix betwist niet dat zij beide e-mails heeft ontvangen.

Logix voert voorts aan dat Hanseland niet de factuur van Logix, maar de daaraan ten grondslag liggende vordering tot betaling van demurrage van de rederij heeft betwist, en dat Hanseland, indien zij het niet eens is met de in rekening gebrachte demurrage, zich moet richten tot de rederij. De rechtbank kan Logix hierin niet volgen. Het is immers Logix (en niet de rederij) die de kosten voor demurrage in eigen naam in rekening brengt bij Hanseland en betaling daarvan vordert. Een bezwaar van Hanseland tegen die vordering c.q. factuur van Logix dient Hanseland daarom tot Logix te richten, zoals Hanseland ook heeft gedaan.

De rechtbank is daarom van oordeel dat zij ingevolge artikel 23 lid 1, eerste alinea Fenex-voorwaarden onbevoegd is kennis te nemen van de vordering van Logix betreffende factuur 152849 d.d. 29 november 2005 van pro resto € 1.897,91.

3.10

Met betrekking tot factuur 160491 d.d. 28 februari 2006 voert Hanseland aan dat zij geen opdracht heeft gegeven tot de bij deze factuur in rekening gebrachte verwarmingskosten en dat zij daarover op 7 april 2006, dat is zes weken na factuurdatum, een e-mail heeft gestuurd. Gesteld noch gebleken is dat Hanseland de betreffende vordering eerder heeft betwist. Daarom is de rechtbank, met Logix, van oordeel dat Hanseland deze factuur niet binnen vier weken na factuurdatum heeft betwist, zodat deze rechtbank ingevolge artikel 23 lid 1, laatste alinea Fenex-voorwaarden bevoegd is van deze vordering kennis te nemen.

3.11

Ten aanzien van de vordering van Logix tot betaling van € 4.250,00 heeft geen van partijen iets specifieks gesteld. In ieder geval heeft geen van partijen gesteld dat Logix ter zake van die vordering een factuur heeft doen uitgaan. Gegeven het verweer tegen die vordering, bestaat daarover tussen partijen een geschil zoals bedoeld in artikel 23 lid, eerste alinea Fenex-voorwaarden. Derhalve is de rechtbank onbevoegd om van die vordering kennis te nemen.

Slotsom

3.12

De Fenex-voorwaarden zijn tussen partijen van toepassing, zodat ten aanzien van vorderingen hetzij arbiters, hetzij deze rechtbank bevoegd zijn. Daarop stuit de primaire vordering in het incident af.

De rechtbank zal zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van de vordering van Logix tot betaling van pro resto € 1.897,91 betreffende factuur 152849 d.d. 29 november 2005 en van die van Logix tot betaling van € 4.250,00.

Ten aanzien van de overige twee vorderingen van Logix is de rechtbank wel bevoegd.

3.13

Waar ieder van partijen in het incident deels in het gelijk en deels in het ongelijk zal worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

In de hoofdzaak

3.14

De rechtbank zal een verschijning van partijen ter terechtzitting bevelen tot het geven van inlichtingen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten eens kunnen worden.

3.15

Desgewenst kan Logix op de voet van artikel 4.1 Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken een conclusie van antwoord in reconventie ter terechtzitting nemen, mits zij deze ten minste twee weken vóór de terechtzitting aan de wederpartij en de rechtbank toezendt.

3.16

Ter terechtzitting wenst de rechtbank in het bijzonder te worden voorgelicht over de volgende onderwerpen:

de vraag of Hanseland opdracht heeft gegeven tot het verwarmen van de van Gent naar Deriche vervoerde partij inulinestroop, waarvan Logix de kosten van € 4.107,00 bij factuur 160491 d.d. 28 februari 2006 in rekening heeft gebracht;

de vordering van Logix betreffende factuur 152094 d.d. 8 september 2005 van pro resto € 1.775,00.

3.17

Voor het geval een der partijen de rechtbank ter voorbereiding op de terechtzitting schriftelijke verklaringen wenst toe te zenden van eventueel door haar voor te dragen getuigen, wijst de rechtbank partijen erop dat haar voorkeur uitgaat naar ondertekende getuigenverklaringen die in aanwezigheid van de advocaten (raadslieden) van beide partijen buiten de rechtbank om tot stand zijn gekomen, met inachtneming van de Regeling Inzake Kantoorverklaringen, vastgesteld op 15 januari 2004 door de Raad van Toezicht van de Nederlandse Orde van Advocaten in het Arrondissement Rotterdam.

3.18

In beginsel zal ter comparitie niet de gelegenheid worden geboden om te pleiten, waarbij onder pleiten wordt verstaan het juridisch beargumenteren van de zaak aan de hand van een voorbereide pleitnotitie.

Dit laat onverlet dat het ieder van partijen vrij staat – gelet op hetgeen de andere partij naar voren heeft gebracht of aan schriftelijke stukken in het geding heeft gebracht dan wel naar aanleiding van dit tussenvonnis – tot twee weken voorafgaande aan de terechtzitting het juridische standpunt bondig samen te vatten en deze samenvatting aan de wederpartij en de rechtbank toe te zenden.

3.19

Alle bescheiden waarop een partij zich ter terechtzitting wenst te beroepen alsmede de hierboven bedoelde conclusie van antwoord in reconventie en samenvatting dienen uiterlijk twee weken vóór de terechtzitting aan de rechtbank en aan de wederpartij te worden toegezonden.

3.20

Indien een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis schriftelijk te melden aan de griffie van de rechtbank

- sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen voor de komende drie maanden.

4 De beslissing

De rechtbank,

in het incident:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vordering van Logix tot betaling van pro resto € 1.897,91 betreffende factuur 152849 d.d. 29 november 2005 en van die van Logix tot betaling van € 4.250,00, een en ander met nevenvorderingen;

compenseert de proceskosten;

in de hoofdzaak:

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd door een of meer personen die van de zaak op de hoogte en tot het treffen van een schikking bevoegd is c.q. zijn, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. W.P. Sprenger, op donderdag 22 januari 2009 van 15.00 uur tot 16.30 uur teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen;

beveelt dat partijen de hiervoor bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de terechtzitting aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - en aan de wederpartij zullen toezenden.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

1902/1928