Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG8339

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
272724 / HA ZA 06-3160
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 272724 / HA ZA 06-3160

Uitspraak: 27 augustus 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INDIA INTERNATIONAL MARKETING CENTRE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. J.C. Debije,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Turkije,

gedaagde,

procureur mr. V.M. Weski.

Partijen blijven hierna aangeduid als "IIMC" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verdere verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 20 september 2001 (zaak-/rolnummer 114693/HA ZA 99-556), en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

de processen-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 februari 2002 en 4 februari 2003;

akte d.d. 6 februari 2008 van IIMC;

akte d.d. 5 maart 2008 van [gedaagde].

1.2 De zaak is op enig moment doorgehaald en op de rol van 15 november 2006 door [gedaagde] weer opgebracht om voort te procederen. Hierbij is het zaak-/rolnummer gewijzigd van 114693/HA ZA 99-556 in 272724/HA ZA 06-3160.

2 De verdere beoordeling

2.1 Vast staat dat de laatste inhoudelijke proceshandeling in de onderhavige procedure is geweest het op 4 februari 2003 gehouden getuigenverhoor aan de zijde van [gedaagde], welk getuigenverhoor werd gehouden ingevolge het tussenvonnis van 20 september 2001.

2.2 Eveneens staat vast dat de rechtbank op 15 september 2003 de zaak naar de continuatierol van 29 oktober 2003 heeft verwezen voor conclusie na enquête aan de zijde van [gedaagde] omdat door de procureur van IIMC binnen de gestelde termijn geen getuigen en verhinderdata waren opgegeven voor het getuigenverhoor aan de zijde van IIMC. Echter, de rechtbank heeft naar aanleiding van brieven van IIMC van 15 en 23 september 2003 partijen bij brief van 30 september 2003 alsnog verzocht om verhinderdata op te geven in verband met het getuigenverhoor. Dit laatste heeft niet tot een wijziging van de rol geleid.

2.3 Vervolgens is geen datum voor een getuigenverhoor vastgesteld en zijn ook geen conclusies na enquête door partijen genomen. De zaak is daarna op enig moment doorgehaald en op de rol van 15 november 2006 door [gedaagde] weer opgebracht om voort te procederen.

2.4 Nadat de zaak op basis van een besluit van de rolrechter op de rol van 6 februari 2008 was geplaatst voor het vragen van vonnis (zie brief van de rechtbank van 9 januari 2008), heeft IIMC op genoemde roldatum van 6 februari 2008 een akte genomen. Vervolgens heeft [gedaagde] een akte genomen op de rol van 5 maart 2008.

2.5 IIMC heeft in haar akte aangegeven dat het naar haar oordeel niet zo kan zijn dat de zaak thans voor vonnis staat, maar dat de rechtbank een datum dient vast te stellen voor het horen van de door IIMC opgegeven getuigen. Indien dit niet (meer) aan de orde zou zijn, meent IIMC dat partijen in elk geval in de gelegenheid gesteld moeten worden om te concluderen na de destijds gehouden getuigenverhoren aan de zijde van [gedaagde].

2.6 [gedaagde] heeft in zijn akte aangegeven dat het hem voorkomt dat de zaak in ieder geval niet staat voor het horen van getuigen in contra-enquête omdat de gelegenheid daartoe tot twee maal toe door de procureur van IIMC niet is benut en de termijn daarvoor is gepasseerd. Voorgesteld wordt om een comparitie van partijen te bevelen om te bezien of het mogelijk is de zaak te schikken.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank ligt het gegeven de omstandigheden in de rede om een comparitie van partijen te bevelen. De comparitie van partijen zal worden benut om te bezien op welke wijze de procedure dient te worden voortgezet, rekening houdend met het tussenvonnis, het tijdsverloop sinds de laatste inhoudelijke proceshandeling en de (al dan niet) sindsdien gewijzigde omstandigheden en gewijzigde belangen van partijen. Voorts zal ter comparitie een poging worden gewaagd om in minnelijk overleg tot een afronding van de zaak te komen. Mede met het oog op de eventueel te treffen minnelijke regeling stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid om zich tijdens de comparitie uit te laten over de reeds afgelegde getuigenverklaringen zoals blijkend uit de processen-verbaal van 12 februari 2002 en 4 februari 2003.

2.8 [gedaagde] refereert in zijn akte van 5 maart 2008 aan een andere procedure door middel waarvan hij (zonder succes) heeft geprobeerd schot in de zaak te krijgen. Het komt de rechtbank voor dat het zinvol kan zijn dat zij kennis neemt van de stukken uit die procedure en stelt derhalve [gedaagde] in de gelegenheid om deze stukken uiterlijk 14 dagen voor de zitting aan de rechter en aan de wederpartij toe te zenden.

2.9 De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3 De beslissing

De rechtbank,

beveelt partijen, IMC deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en [gedaagde] in persoon, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. J.F. Koekebakker, op dinsdag 11 november 2008 van 9.30 tot 11.30 uur teneinde een schikking te beproeven en tot het geven van inlichtingen;

bepaalt dat bescheiden die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden;

beveelt dat [gedaagde] de onder 2.8 bedoelde bescheiden uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter en aan de wederpartij zal toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker.

Uitgesproken in het openbaar.

1582