Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG8331

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
24-12-2008
Zaaknummer
218404 / HA ZA 04-1694
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding wegens ten onrechte door vervoerder aan derden afgegeven (lege) containers. Tussenvonnis: beoordeling bewijs dat containers aan vervoerder zijn aangeboden onder de cabotage-overeenkomst en na vervoer in depot zijn opgeslagen. Eindvonnis: beoordeling bewijs van schade door moeten afsluiten financieringsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2010, 5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 218404 / HA ZA 04-1694

Uitspraak: 17 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

zaakdoende te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,

eiser,

advocaat mr. G.C. Haulussy,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SAMSKIP B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. O.E. Meijer.

Partijen blijven hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “Samskip”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 8 augustus 2007 en de daaraan ten grondslag liggende gedingstukken;

- akte na tussenvonnis tevens aanvulling/vermeerdering van eis aan de zijde van [eiser], met producties;

- antwoordakte aan de zijde van Samskip;

- proces-verbaal van het getuigenverhoor aan de zijde van [eiser], gehouden op 30 juni 2008;

- conclusie na enquête tevens akte wijziging c.q. aanvulling van eis en overleggen producties aan de zijde van [eiser], met producties;

- conclusie na enquête tevens antwoordakte aan de zijde van Samskip.

2 De verdere beoordeling

2.1 Bij genoemde akte na tussenvonnis tevens aanvulling/vermeerdering van eis (hierna: akte na tussenvonnis) heeft [eiser] zijn vordering ter zake van de schade door rentelasten gewijzigd.

Ingevolge artikel 130 Rv. is -zolang nog geen eindvonnis is gewezen- [eiser] bevoegd zijn eis te veranderen of te vermeerderen, en Samskip bevoegd hiertegen bezwaar te maken op de grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Hoewel Samskip in haar bovengenoemde antwoordakte bezwaar heeft gemaakt tegen de eisvermeerdering, heeft zij niet gesteld dat of gemotiveerd waarom deze in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Nu dit laatste ook overigens niet is gebleken, wordt het bezwaar als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd en zal de rechtbank van de gewijzigde eis uitgaan.

Na deze wijziging begrijpt de rechtbank de vordering van [eiser] aldus, dat hij vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Samskip te veroordelen tot betaling van de:

- hoofdsom groot € 69.091,28 en de buitengerechtelijke incassokosten groot € 11.315,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 december 2003,

- rentelasten vanaf het derde kwartaal 2000 tot en met het tweede kwartaal 2007, groot € 30.073,19, te vermeerderen met de verschuldigde rentelasten vanaf medio 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, voor zover noodzakelijk op te maken bij staat,

- kosten van deze procedure.

2.2 Bij conclusie na enquête tevens akte wijziging c.q. aanvulling van eis en overleggen producties heeft [eiser] opnieuw zijn eis vermeerderd, voor het geval de rechtbank de eerdere wijziging(en) van eis zo zou hebben begrepen dat de gewijzigde rentevordering in de plaats trad van de vordering tot vergoeding van wettelijke (handels)rente over de hoofdsom. Nu uit het bovenstaande volgt dat dit geval zich niet voordoet, behoeven deze voorwaardelijke eisvermeerdering en de naar aanleiding daarvan door Samskip geuite bezwaren geen beoordeling.

2.3 Bij voormeld tussenvonnis heeft de rechtbank:

a. partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vraag in welk verband container (3) staat tot de cabotage-overeenkomst;

b. [eiser] in aansluiting op overweging 5.8 van het tussenvonnis van 22 februari 2006 het bewijs opgedragen van de door hem gestelde financieringsovereenkomst en van het causaal verband tussen het sluiten van die overeenkomst en de tekortkoming van Samskip; en

c. [eiser] in aansluiting op overweging 5.8 van het tussenvonnis van 22 februari 2006 in de gelegenheid gesteld om de opbouw van zijn rentevordering nader te onderbouwen.

Ad a: het verband tussen container (3) en de cabotage-overeenkomst

2.4 In het tussenvonnis van 8 augustus 2007 is, bij gebrek aan voldoende betwisting, aangenomen dat Samskip de litigieuze containers van [eiser] nimmer anders dan in het kader van de cabotage-overeenkomst onder zich heeft gehad. Deze aanname droeg bij aan de conclusie dat de containers aan Samskip zijn vrijgesteld en afgeleverd in het kader van de cabotage-overeenkomst. Een uitzondering werd echter gemaakt voor container (3), omdat deze reeds aan Samskip was afgegeven voordat de cabotage-overeenkomst werd gesloten. Om te kunnen beoordelen of container (3) ondanks deze contra-indicatie wellicht toch onder de reikwijdte van de cabotage-overeenkomst viel, mochten partijen zich uitlaten over de vraag in welk verband container (3) staat tot de cabotage-overeenkomst.

2.5 [eiser] heeft in zijn akte na tussenvonnis gesteld dat partijen, na een periode van overleg, eind mei 2000 overeenstemming hebben bereikt over de cabotage-overeenkomst. Vooruitlopend op de schriftelijke formalisering daarvan op 14 juni 2000, maar wel in het kader van die overeenkomst, is reeds op 25 mei 2000 container (3) aan Samskip afgegeven, aldus [eiser].

Samskip betwist het bestaan van dergelijke afspraken, en wijst erop dat [eiser] nalaat aan te tonen dat en wanneer die afspraken zouden zijn gemaakt en hoe deze zouden zijn vastgelegd.

Gelet op deze betwisting lag op de weg van [eiser] om zijn stellingen nader te concretiseren en te onderbouwen. Het is immers [eiser], die zijn vordering mede baseert op het verwijt dat Samskip ook container (3) in strijd met de cabotage-overeenkomst heeft afgegeven, die zich op het rechtsgevolg van deze stellingen beroept. Een nadere motivering van de bij akte na tussenvonnis ingenomen stellingen is echter uitgebleven, zodat de rechtbank deze passeert.

Hetgeen [eiser] aanvoert, behelst overigens slechts een herhaling van feiten en omstandigheden die de rechtbank reeds in het tussenvonnis van 8 augustus 2007 te licht heeft bevonden om de conclusie te kunnen dragen dat container (3) in het kader van de cabotage-overeenkomst is vrijgesteld en afgeleverd.

Om vorenstaande redenen gaat de rechtbank er vanuit dat container (3) niet in het kader van de cabotage-overeenkomst aan Samskip is vrijgesteld en afgeleverd.

2.6 Nu aldus ten aanzien van container (3) geen tekortkoming van Samskip onder de cabotage-overeenkomst kan worden aangenomen, treft Samskip dienaangaande geen aansprakelijkheid. Voor de afgifte van de overige containers is de aansprakelijkheid van Samskip aangenomen in het tussenvonnis van 8 augustus 2007 onder 2.21.

Wat de omvang van de schade als gevolg van de tekortkoming betreft is in het tussenvonnis van 22 februari 2006 onder 5.7 reeds vastgesteld dat van de vordering van [eiser] in hoofdsom (ter zake van de achttien containers) nog slechts € 10.000,-- resteert.

De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op deze in het tussenvonnis uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven eindbeslissing. Onvoldoende is dat [eiser] tijdens de getuigenverhoren heeft gesteld dat slechts € 20.000,-- van Seco is ontvangen, dat [persoon 1] pas zou zijn gekweten nadat € 35.000,-- zou zijn betaald, en dat de met Seco getroffen regeling is vervallen nu deze niet correct is uitgevoerd, welke standpunt op hoofdlijnen is herhaald door[persoon 2]. Nu [eiser] in strijd met artikel 21 Rv. heeft nagelaten om de op dit punt relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, en eerder niet de met stukken onderbouwde stellingen van Samskip op dit punt gemotiveerd heeft bestreden, is hetgeen bij enquête is verklaard te laat en te weinig onderbouwd om aanleiding te geven tot heroverweging van voornoemde eindbeslissing.

2.7 Nu de vordering slechts ter zake van zeventien containers kan slagen, zal de rechtbank bij gebrek aan aanwijzingen voor een betere benadering- pro rata zeventien achttiende gedeelte toewijzen van de aldus resterende hoofdsom, derhalve (17/18 x € 10.000,-- =) € 9.444,44.

Over deze hoofdsom zal de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW worden toegewezen vanaf 24 december 2003, nu dit de dag is waartegen Samskip bij brief van 16 december 2003 in gebreke is gesteld en deze rentevordering door Samskip niet of onvoldoende is betwist.

Nu de overeenkomst tussen partijen is gesloten vóór 8 augustus 2002, kan [eiser] geen aanspraak maken op de wettelijke rente bedoeld in artikel 6:120 lid 2 BW.

Ad b: de financieringsovereenkomst en het causaal verband

2.8 Ter onderbouwing van zijn vordering tot vergoeding van rentelasten heeft [eiser] gesteld dat hij een financiering heeft moeten afsluiten doordat [persoon 1] niet betaalde nadat Samskip ten onrechte de containers aan hem had afgegeven. Na betwisting door Samskip heeft de rechtbank [eiser] bewijs van deze stelling opgedragen.

2.9 [eiser] heeft daartoe bij akte na tussenvonnis kopieën overgelegd van kredietovereenkomsten van 7 juni 2002, 8 augustus 2002 respectievelijk 30 november 2004, waarmee hem kredietfaciliteiten zijn verstrekt voor bedragen groot € 15.900, , € 55.000,-- respectievelijk € 60.000, .

Samskip heeft bestaan en inhoud van deze stukken op zichzelf niet bestreden, zodat de rechtbank bewezen acht dat [eiser] een financiering heeft afgesloten. Daarmee staat alleen nog het causaal verband tussen het aangaan van die overeenkomst(en) en de tekortkoming van Samskip ter discussie.

2.10 [eiser] heeft voorts zichzelf (eigenaar en directeur van zijn onderneming [bedrijf gedaagde]) als partijgetuige en zijn [persoon 2] (financieel directeur van [bedrijf gedaagde]) als getuige doen horen.

Beiden verklaren, verkort weergegeven, dat de financiële positie van [bedrijf gedaagde], het bedrijf van [eiser], tot medio 2000 stabiel en gezond was, dat al het materieel uit een (doorgaans uit handelsvoorraad bestaande) buffer van “enkele tienduizenden euro’s” ([eiser]) dan wel “NLG 50.000,-- tot NLG 100.000, ” ([persoon 2]) werd gefinancierd, en dat de onderneming in die periode hoogstens incidenteel maar niet structureel rood stond bij de bank. Doordat na afgifte van de bewuste containers door Samskip betaling van de koopprijs groot € 75.435,-- uitbleef, terwijl de onkosten wel bleven doorlopen, werd de buffer opgesoupeerd en moest worden geleend van de bank om te kunnen blijven handelen, verklaren beide [gedaagde en broer]. [eiser] verklaart dat hij meent dat toen € 55.000,-- is geleend om een aantrekkelijke partij van 42 containers te kunnen kopen, welke lening in zijn visie niet nodig was geweest indien voor de door Samskip afgegeven containers was betaald. [persoon 2] verklaart dat de lopende tekorten aanvankelijk door de bank werden opgevangen, dat de contactpersoon van de bank vervolgens de roodstand wilde formaliseren in een krediet van € 15.900,--, en dat de bank in verband met het plan 42 containers aan te kopen akkoord ging met een lening tot € 55.000, .

[eiser] heeft voorts kopieën van bankafschriften uit de periode van 12 januari 2001 tot en met 13 juli 2007 overgelegd, en ook stukken met betrekking tot de aankoop van voornoemde 42 containers.

2.11 In haar conclusie na enquête heeft Samskip onder meer bestreden dat de gestelde stabiele financiële (aanvangs)situatie zou blijken uit de door [eiser] overgelegde stukken. Zij stelt dat [eiser] nalaat bewijs van haar stellingen te leveren met deugdelijke stukken, zoals accountantsverklaringen of fiscale documenten.

2.12 Waardering van het door [eiser] bijgebrachte bewijs leidt tot de conclusie dat hij niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs van het causaal verband tussen het sluiten van de financieringsovereenkomst(en) en de tekortkoming van Samskip.

De te bewijzen stelling van [eiser], dat hij ten gevolge van de tekortkoming van Samskip een financieringsovereenkomst heeft moeten afsluiten, leent zich naar haar aard bij uitstek voor bewijslevering door overlegging van documenten van boekhoudkundige en financiële aard. Zeker nu [eiser] bedoelde stelling bij akte na tussenvonnis heeft uitgewerkt door een vergelijking te maken tussen de financiële positie van de vennootschap vóór en na de tekortkoming van Samskip medio 2000, lag het op zijn weg om die verschillende posities te concretiseren en te documenteren.

Over de periode tot eind 2000 zijn dergelijke feitelijke gegevens -bijvoorbeeld over de stand van de boekhouding en de banksaldi van [bedrijf gedaagde]- echter niet overgelegd. Daarmee zijn de enige bewijsmiddelen ten aanzien van de positie van [bedrijf gedaagde] vóór de tekortkoming de verklaring van [eiser] zelf als partijgetuige en de verklaring van zijn broer. Beide verklaringen zijn echter op dit punt onvoldoende concreet, inhoudelijk en gedetailleerd om een duidelijk en toetsbaar beeld van de hier bedoelde financiële positie op te leveren.

Nu aldus onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent de -door door [eiser] gestelde en door Samskip betwiste- aanvangssituatie, kan ook het gestelde en betwiste causaal verband niet worden aangenomen.

Bij conclusie na enquête verzoekt [eiser] nog om nadere -nog niet beschikbare- bankgegevens over te mogen leggen, maar daartoe ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding. Sinds de dagvaarding van 7 juni 2004 heeft [eiser] voldoende tijd gehad om zich deugdelijk voor te bereiden op de bewijslevering van de stellingen die hij aan zijn vorderingen ten grondslag legde.

Nu [eiser] niet is geslaagd in de bewijsopdracht zal zijn vordering tot vergoeding van rentelasten worden afgewezen.

Ad c: onderbouwing rentevordering

2.13 Gelet op de afwijzing van de rentevordering behoeft de opbouw daarvan geen nadere beoordeling.

Buitengerechtelijke incassokosten

2.14 [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten groot € 11.315,25, op grond van de wet zijnde 15 procent van de gevorderde hoofdsom, althans op grond van het rapport Voorwerk II althans op grond van de redelijkheid en billijkheid.

Samskip heeft betwist dat deze kosten door [eiser] zijn gemaakt en dat zij voor vergoeding in aanmerking komen.

Na deze betwisting heeft [eiser] nagelaten, hoewel dit op zijn weg lag, om aan te tonen dat (en hoeveel) buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. Om die reden beschouwt de rechtbank dit onderdeel van zijn vorderingen als onvoldoende gemotiveerd gehandhaafd, zodat het wordt gepasseerd.

Proceskosten

2.15 Nu aan [eiser] slechts een relatief klein gedeelte van zijn vordering zal worden toegewezen, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten over en weer te compenseren.

3 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt Samskip om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag van € 9.444,44 (zegge: negenduizend vierhonderdvierenveertig euro en vierenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over dit bedrag vanaf 24 december 2003 tot aan de dag der voldoening;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

Uitgesproken in het openbaar.

1885/1582