Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG8017

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
261569 / HA ZA 06-1438
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op verjaring ex art. 3:307 lid 1 BW: aanvang verjaringstermijn.

Uitleg overeenkomst: naast taalkundige uitleg van een bepaling is van belang wat partijen met die bepaling hebben beoogd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 261569 / HA ZA 06-1438

Uitspraak: 3 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [eis 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eis 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eis 3],

wonende te [woonplaats],

in hun hoedanigheid van gezamenlijke erven van [persoon 1], overleden

op [sterfdatum], laatstelijk wonende te [woonplaats],

4. [eis 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eis 5],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J.A.M. van de Sande,

- tegen -

1. de besloten vennootschap

TWEEDE TOCHT ZANDEXPLOITATIE BV,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J. Kneppelhout,

2. [gedaagde 2],

gevestigd te Moordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. T.A. Vermeulen.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eisers]", "Tweede Tocht" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 11 mei 2006, met producties;

- incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring aan de zijde van [gedaagde];

- conclusie van antwoord in incident tot vrijwaring;

- vonnis van deze rechtbank d.d. 12 juli 2006 waarbij het [gedaagde] is toegestaan om Boskalis

[bedrijf 1], Grond-en Zandexploitatie Maa[persoon 2]ij "Rijnland" en [bedrijf 2] te dagvaarden;

- conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde], met producties;

- conclusie van antwoord aan de zijde van Tweede Tocht, met producties;

- vonnis van deze rechtbank d.d. 13 december 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- akte d.d. 2 april 2007 aan de zijde van [gedaagde];

- brieven van mr. Van de Sande d.d. 16 en 28 maart 2007, met producties;

- brief van mr. Lever d.d. 29 maart 2007, met productie;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 2 april 2007.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [persoon 1] en gedaagde sub 4 hebben aan [gedaagde 2] verkocht bij koopovereenkomsten van:

- 12 januari 1993: diverse percelen wei-en bouwland, [kadastraal bekend] groot circa 40 hectare en liggend 50 meter landinwaarts gemeten vanaf de achtergevel van de loopstal voor een koopsom van ƒ 100.000,-- per hectare, gebaseerd op een koopsom van ƒ 10,-- per centiare (hierna: "koopovereenkomst I");

- 27 september 1993: een perceel bouwland, [kadastraal bekend] voor een koopsom van

ƒ 100.000,-- per hectare, gebaseerd op een koopsom van ƒ 10,-- per centiare (hierna: "koopovereenkomst II").

2.2 In koopovereenkomst I zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 5

[…]

6. De koper is voornemens het registergoed als volgt te gebruiken: ten dienste van zandwinning en vervolgens ter benutting als viskwekerij.

[…]

Artikel 21

De hiervoor gemelde koopsom wordt nog verhoogd met vijftig cent (ƒ 0,50) per m3 gewonnen zand.

[…]

Artikel 22

[…]

2. Verkoper of diens rechtsopvolgers behoudt het recht – uitsluitend ten behoeve van hemzelf en mitsdien niet overdraagbaar – om die gedeelten van het verkochte die na de eigendomsoverdracht nog niet ten dienste van de ontgronding in gebruik worden genomen om niet te blijven gebruiken ten dienste van hun agrarisch bedrijf. […]

Artikel 28

Indien koper nabijgelegen of aangrenzende gronden verwerft ten behoeve van de zandwinning, dient dezelfde prijs te worden bedongen als aan verkoper.

Indien een meerprijs aan derden wordt betaald zal verkoper naar rato ook recht hebben op het meerdere.

2.3 De bepalingen in de artikelen 5, 21, 22 en 27 van koopovereenkomst II zijn gelijkluidend met de respectievelijke bepalingen zoals die zijn weergegeven in de sub 2.2. genoemde artikelen. Koopovereenkomst I en koopovereenkomst II worden hierna gezamenlijk aangeduid als "de koopovereenkomsten".

2.4 Op 20 juli 1994 heeft [de maatschap] (hierna: "[de maatschap]") aan [gedaagde] verkocht diverse percelen bouw- en weiland gelegen in [straat] te [woonplaats], [kadastraal bekend], voor een koopsom van ƒ 100.000,-- per hectare, gebaseerd op een koopsom van ƒ 10,-- per centiare (hierna: "koopovereenkomst III").

In koopovereenkomst III zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen.

Artikel 5

[…]

6. De koper is voornemens het registergoed als volgt te gebruiken: ten dienste van zandwinning en vervolgens ter benutting als viskwekerij.

[…]

Artikel 21

De hiervoor gemelde koopsom wordt nog verhoogd met vijftig cent (ƒ 0,50) per m3 gewonnen zand.

[…]

Artikel 22

[…]

2. Verkoper of diens rechtsopvolgers behoudt het recht – uitsluitend ten behoeve van hemzelf en mitsdien niet overdraagbaar – om die gedeelten van het verkochte die na de eigendomsoverdracht nog niet ten dienste van de ontgronding in gebruik worden genomen om niet te blijven gebruiken ten dienste van hun agrarisch bedrijf.

[…]

Artikel 27

Indien koper nabijgelegen of aangrenzende gronden verwerft ten behoeve van de zandwinning, dient dezelfde prijs te worden bedongen als aan verkoper.

Indien een meerprijs aan derden wordt betaald zal verkoper naar rato ook recht hebben op het meerdere.

Artikel 28

a. Indien percelen grond van de bij deze akte (ver)kochte percelen bouwlocatie worden, ontvangt de verkoper in tegenstelling tot het bepaalde op blad 1 en in artikel 21 ƒ 30,-- per m2 bouwlocatie.

b. […]

2.5 De in koopovereenkomst III genoemde percelen zijn "nabijgelegen of aangrenzende gronden" zoals bedoeld in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten.

2.6 Bij akte van levering van 24 mei 1996 zijn de sub 2.1 genoemde gronden geleverd aan de besloten vennootschap [bedrijf 2], thans genaamd Tweede Tocht, voor een bedrag van ƒ 5.182.662,50. Een aantal bepalingen van de akte van levering zijn gelijkluidend met de bepalingen zoals die zijn opgenomen in de sub 2.2 weergegeven artikelen. Voorts is in de akte van levering het volgende opgenomen:

"INBRENG IN DE KOPER

De comparant sub 2., handelend als gemeld, verklaarde dat bij akte van inbreng op een en twintig april negentienhonderd vier en negentig voor notaris [de notaris] te Waddinxveen, verleden, door [bedrijf 3] haar rechten voortvloeiende uit de hiervoor gemelde koopovereenkomsten de data zes en twintig januari negentienhonderd drie en negentig met de verkopers zijn ingebracht in de koper, onder gehoudenheid voor de koper tot nakoming van de uit die overeenkomst voortvloeiende verplichtingen."

2.7 Bij akte van levering van 24 mei 1996 heeft Tweede Tocht de sub 2.1 genoemde gronden geleverd aan Boskalis [bedrijf 1] (hierna: "Boskalis") en Grond- en Zandexploitatiemaatschappij "Rijnland" B.V. (hierna: "Rijnland").

2.8 Op of omstreeks 17 februari 1999 hebben Boskalis en Rijnland het merendeel van de sub 2.1 genoemde gronden verkocht aan de gemeente Rotterdam. Deze gronden zijn op

9 april 2001 aan de gemeente Rotterdam geleverd.

2.9 Namens [persoon 1], gedaagden sub 4 en sub 5 en [gedaagde] is bij brief van 23 mei 2001, voor zover hier van belang, het volgende aan Tweede Tocht bericht:

"Cliënten maken uitdrukkelijk aanspraak op nakoming van de bepalingen uit de overeenkomsten en de leveringsakte van 24 mei 1996, […]. Daar en boven zullen zij, indien blijkt dat de gronden voor andere doeleinden worden aangewend dan voor zandwinning een meerprijs verlangen, zulks onder andere op grond van artikel BW 6:248 en/of 258. […]

Langs deze weg stuit ik daarom uitdrukkelijk de verjaring van elke vordering die cliënten, […], jegens u geldend zullen kunnen maken uit hoofde van de leveringsakte van 24 mei 1996 en de onderliggende koopovereenkomsten […]."

2.10 Bij brief van 23 mei 2001 is namens [persoon 1] en gedaagden sub 4 en sub 5, voor zover hier van belang, het volgende aan [gedaagde] bericht:

"Ook behouden cliënten zich het recht voor te vorderen dat indien en voorzover de gronden voor andere doeleinden worden aangewend dan voor zandwinning zij een meerprijs verlangen, mede maar niet uitsluitend op grond van artikel BW 6:248 en/of 258.

[…]

Langs deze weg stuit ik daarom namens cliënten uitdrukkelijk de verjaring van elke vordering die cliënten zoals boven aangegeven jegens u geldend zouden kunnen maken uit hoofde van de onderliggende koopovereenkomsten en daaruit voortvloeiende leveringsakte van 24 mei 1996 […]."

2.11 Op 26 juni 2002 heeft de gemeente Rotterdam met [persoon 1] en gedaagde sub 4 een vaststellingsovereenkomst gesloten inzake de beëindiging van het gebruiksrecht van [persoon 1] en gedaagde sub 4 van circa drie hectare grond ten dienste van hun agrarisch bedrijf. Uit hoofde van die overeenkomst heeft de gemeente Rotterdam aan [persoon 1] en gedaagde sub 4 een bedrag van ƒ 1.880.000,-- betaald.

2.12 Op [sterfdatum] is [persoon 1] te Gouda overleden. Eisers sub 1 tot en met 3 zijn de gezamenlijke erven van [persoon 1].

2.13 Bij dagvaarding van 29 november 2002 hebben [eisers] de gemeente Rotterdam gedagvaard en op grond van de koopovereenkomsten gevorderd de gemeente Rotterdam te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.005.708,50 (33 hectare grond á € 9,08 (ƒ 20,--) per m2). Bij vonnis van 2 maart 2005 heeft deze rechtbank de vordering van [eisers] afgewezen.

2.14 Bij akte van cessie van 7 april 1998 en 27 maart 2006 heeft eiser sub 4 zijn pretense vorderingsrecht op [gedaagde] en Tweede Tocht bestaande uit aanspraken op de verhoogde koopsom als bedoeld in de artikelen 28 en 27 van de koopovereenkomsten gecedeerd aan eiser sub 5. Deze cessie is bij brief van 29 maart 2006 aan [gedaagde] en Tweede Tocht meegedeeld.

3 De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat [gedaagde] en Tweede Tocht hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, gehouden zijn om aan [eisers] een aanvullende vergoeding te betalen van € 9,08 per verkochte m2 ten titel van aanvulling op de door [gedaagde] en Tweede Tocht verschuldigde koopsom van de door [eisers] verkochte onroerende zaken, welk bedrag nader opgemaakt wordt bij staat en vereffend bij wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 1996, althans vanaf de dag van wijziging van de bestemming van de verkochte gronden tot bouwgrond, en [gedaagde] en Tweede Tocht hoofdelijk in de proceskosten te veroordelen.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eisers] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 In artikel 28a van koopovereenkomst III is bepaald dat [gedaagde] aan [de maatschap] een meerprijs moet betalen indien de verkochte percelen grond (door bestemmingswijziging) bouwlocatie worden. Aangezien die verkochte percelen grond nabijgelegen en/of aangrenzend zijn aan de gronden die door [eisers] aan [gedaagde] en Tweede Tocht zijn verkocht, dient die meerprijs op grond van de artikelen 27 en 28 van de koopovereen¬komsten door [gedaagde] en Tweede Tocht ook aan [eisers] te worden betaald.

3.2 Aangezien [gedaagde] en Tweede Tocht hun betalingsverplichtingen jegens [eisers] niet zijn nagekomen, maken [eisers] aanspraak op wettelijke rente vanaf de datum van wijziging van de bestemming van de gronden tot bouwlocatie.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eisers] in de kosten van het geding.

[gedaagde] en Tweede Tocht hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 De vordering van [eisers] is verjaard.

[gedaagde] heeft voorts het volgende aangevoerd:

4.2 [gedaagde] heeft bij het verwerven van gronden ten behoeve van de zandwinning nimmer aan derden (en dus ook niet aan [de maatschap]) meer betaald dan aan [eisers]

De "gelijkheidsbepaling" zoals opgenomen in de artikelen 27 en 28 van de koopovereen¬komsten ziet uitsluitend op het door de koper verwerven van percelen grond ten behoeve van de zandwinning. In de koopovereenkomsten is een bedrag van ƒ 10,-- (per m2) opgenomen voor de – ten behoeve van de zandwinning – gekochte gronden. Diezelfde prijs is in koopovereenkomst III bedongen voor de ten behoeve van de zandwinning gekochte gronden. Artikel 28a van koopovereenkomst III voorziet uitsluitend in een meer¬prijs in het geval dat de gekochte gronden bouwlocatie worden. De in deze clausule genoemde meerprijs geldt derhalve niet indien sprake is van het verwerven van percelen grond ten behoeve van de zandwinning.

4.3 De gevorderde wettelijke rente wordt betwist. Wettelijke rente is eerst verschuldigd vanaf het moment dat een betalingsverplichting aan een derde is ontstaan.

Voorts heeft Tweede Tocht het volgende verklaard:

4.4 De bepaling in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten heeft betrekking op een meerprijs voor gekochte gronden ten behoeve van de zandwinning. Die meerprijs is uitsluitend verschuldigd indien de koper ten behoeve van de zandwinning aangrenzende of nabijgelegen gronden voor meer dan ƒ 10,00 per m2 van derden koopt. Van betaling van een meerprijs voor gronden ten behoeve van de zandwinning is bij de transactie tussen [de maatschap] en [gedaagde] geen sprake. De in koopovereenkomst III genoemde gronden zijn immers voor een bedrag van ƒ 10,00 per m2 gekocht ten behoeve van de zandwinning. Indien gronden worden verkocht als bouwgrond is het logisch dat daarvoor een hogere prijs wordt bedongen dan de prijs die wordt bedongen voor gronden ten behoeve van de zandwinning. Aangezien de koopovereen¬komsten niet voorzien in de situatie dat de daarin genoemde verkochte gronden bouwlocatie worden, hebben [eisers] geen vorderingsrecht op Tweede Tocht indien gedeelten van de door Tweede Tocht – ten behoeve van de zandwinning – gekochte gronden worden doorverkocht als bouwlocatie.

4.5 Subsidiair stelt Tweede Tocht zich op het standpunt dat de vordering van [eisers] op Tweede Tocht zal moeten worden verminderd met de reeds van de gemeente Rotterdam ontvangen bedragen.

4.6 Aangezien [eisers] nakoming van de koopovereenkomsten vorderen, kan geen bedrag nader opgemaakt bij staat en te vereffenen volgens de wet worden gevorderd.

4.7 De gevorderde wettelijke rente wordt betwist.

5 De beoordeling

5.1 Het gaat in dit geding in de kern om de vraag of [gedaagde] en Tweede Tocht op grond van de bepaling in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten jegens [eisers] gehouden zijn tot betaling van een aanvullende koopsom. Alvorens hierop in te gaan, zal de rechtbank eerst ingaan op hetgeen [eisers] hebben gesteld aangaande de cessie van de onderhavige vordering door eiser sub 4 aan eiser sub 5. Nu partijen het erover eens zijn dat eiser sub 4 daardoor niet ontvankelijk in zijn vordering is, is de vordering van eiser sub 4 niet toewijsbaar.

5.2 Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] en Tweede Tocht luidt dat de vordering van [eisers] is verjaard. Onder verwijzing naar een door hen overgelegde verklaring van [persoon 2] d.d. 28 maart 2007 voeren [gedaagde] en Tweede Tocht aan dat [eisers] reeds in het voorjaar van 1996, althans vóór het transport van de betreffende gronden in mei 1996, bekend waren met artikel 28a van koopovereenkomst III. De voorwaardelijke vordering als bedoeld in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten wordt volgens hen opeisbaar op het moment dat de overeenkomst met [de maatschap] is aangegaan. Voorts voeren [gedaagde] en Tweede Tocht aan dat de stuitingshandeling van 23 mei 2001 eerst heeft plaatsgevonden na verloop van meer dan vijf jaar nadat [eisers] wetenschap hadden gekregen van artikel 28a van koopovereenkomst III.

[eisers] betwisten dat hun vordering is verjaard. De verklaring van [persoon 2] betreft slechts een verklaring de auditu. Het vorderingsrecht is begin 2001 ontstaan toen de bestemming van de gronden door de gemeente Rotterdam is gewijzigd. Eerst vanaf dat moment is de verjaringstermijn gaan lopen. De verjaringstermijn is gestuit door de brieven van 23 mei 2001, aldus nog steeds [eisers]

5.3 De rechtbank overweegt het volgende. [eisers] baseren hun vordering, zoals zij stellen, op nakoming van de bepaling in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten. Volgens artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit overeenkomst tot een geven of een doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Indien de wet niet anders bepaalt, begint de termijn van verjaring van een dergelijke rechtsvordering met de aanvang van de dag volgende op die waarop de onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd (art. 3:313 BW). De vraag is wanneer [eisers] nakoming konden vorderen van de bepaling zoals verwoord in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten. Volgens deze bepaling hebben [eisers], indien een meerprijs aan derden wordt betaald, (naar rato) recht op het meerdere. De verjaringstermijn vangt derhalve aan met de dag volgende op die waarop een meerprijs aan derden wordt betaald. Hieruit volgt dat het betoog van [gedaagde] en Tweede Tocht dat de vordering opeisbaar is geworden vanaf het moment dat de overeenkomst met [de maatschap] is aangegaan, moet worden verworpen. Voor zover [gedaagde] en Tweede Tocht (subsidiair) hebben bedoeld aan te geven dat de verjaringstermijn aanvangt op het moment dat [eisers] met artikel 28a van koopovereenkomst III bekend waren, faalt, gelet op het vorenstaande, ook dit betoog.

Nu [gedaagde] en Tweede Tocht geen andere concrete feiten en/of omstandigheden aan hun beroep op verjaring ten grondslag hebben gelegd, dient dat beroep te worden verworpen.

5.4 [eisers] hebben hun vordering gegrond op de stelling dat zij ingevolge de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten recht hebben op de door [de maatschap] in koopovereenkomst III ex artikel 28a bedongen meerprijs, nu door [eisers] verkochte gronden bouwlocatie zijn geworden. Op deze grondslag kan de vordering naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

5.5 In de artikelen 27 respectievelijk 28 van de koopovereenkomsten is bepaald dat indien koper nabijgelegen of aangrenzende gronden verwerft ten behoeve van zandwinning, dezelfde prijs bedongen dient te worden als aan [eisers] Niet in geschil is dat ter zake de koop van de gronden van [de maatschap] ten behoeve van de zandwinning dezelfde prijs is overeengekomen.

Voorts is in voornoemde artikelen bepaald dat indien een meerprijs aan derden wordt betaald, verkoper (i.c. [eisers]) naar rato ook recht zal hebben op die meerprijs. De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat de door [de maatschap] verkochte gronden bouwlocatie (zijn ge)worden, noch dat door Tweede Tocht en/of [gedaagde] in dat verband aan [de maatschap] een meerprijs is betaald. Nu voorts een bepaling zoals verwoord in artikel 28a van koopovereenkomst III niet is opgenomen in de koopovereen¬komsten kunnen [eisers] jegens [gedaagde] en Tweede Tocht op die grond geen aanspraak maken op een meerprijs in verband met het feit dat de door hen verkochte percelen grond bouwlocatie zijn geworden.

5.6 Voor zover [eisers] hebben bedoeld te stellen dat reeds het enkele feit dat in koopovereenkomst III een (voorwaardelijke) meerprijs is bedongen – en dus niet relevant is of die feitelijk is betaald – meebrengt dat die meerprijs op grond van de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten aan [eisers] moet worden betaald, overweegt de rechtbank het volgende. De in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten bedongen meerprijs kan moeilijk anders worden verstaan dan in de door [gedaagde] en Tweede Tocht verdedigde zin, derhalve aldus dat die meerprijs uitsluitend geldt indien [gedaagde] en Tweede Tocht ten behoeve van de zandwinning nabijgelegen of aangrenzende gronden verwerven voor een hogere prijs dan ƒ 10,-- per m2. Anders dan [eisers] stellen, geldt die meerprijs derhalve niet in alle gevallen van koopprijsverhogende omstandigheden. De in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten genoemde meerprijs is, gezien de context van de gehele bepaling, immers toegespitst op de situatie dat de koper nabijgelegen of aangrenzende gronden verwerft ten behoeve van de zandwinning.

5.7 Een dergelijke zuiver taalkundige uitleg is echter niet voldoende. Voor het antwoord op de vraag welke betekenis de in de artikelen 27 en 28 van de koopovereenkomsten opgeno¬men bepaling heeft, dient tevens acht te worden geslagen op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Hierbij is van belang of (ook) [gedaagde] en/of Tweede Tocht bij de totstandkoming van die bepaling heeft/hebben bedoeld dat [eisers] in alle gevallen van koopprijsverhogende omstandigheden, dus niet alleen in geval van aankoop van gronden voor de zandwinning voor een hogere prijs, de bedongen meerprijs als suppletie op de door hen verkregen koopprijs zouden krijgen uitgekeerd, ongeacht of daadwerkelijk een hogere koopprijs is betaald. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [gedaagde] en Tweede Tocht deze bepaling niet anders kunnen en mogen begrijpen dan dat deze alleen zou gelden in geval van aankoop van gronden voor de zandwinning voor een hogere prijs dan ƒ 10,-- per m2. Indien het partijen destijds voor ogen zou hebben gestaan om tevens een meerprijs te bedingen voor het geval dat de percelen bouwlocatie zouden worden, dan had het voor de hand gelegen dat zij daarvoor een (extra) bepaling, in de trant van artikel 28a van koopovereenkomst III, in de koopovereenkomsten hadden opgenomen. Dit is evenwel niet gebeurd.

5.8 [eisers] hebben verder geen feiten en/of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel kunnen leiden dat [gedaagde] en Tweede Tocht gehouden zijn om aan [eisers] een bedrag van € 9,08 (ƒ 20,--) per verkochte m2 te betalen als aanvulling op de door hen verschuldigde koopsom van de door [eisers] verkochte gronden. Daarmee ligt de vordering voor afwijzing gereed.

5.9 Nu de vordering van [eisers] voor afwijzing gereed ligt, is de gevorderde wettelijke rente evenmin toewijsbaar.

5.10 [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst de vordering af;

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 248,-- aan vast recht en op € 904,-- aan salaris voor de procureur en aan de zijde van Tweede Tocht bepaald op € 248,-- aan vast recht en op € 904,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A. Pit.

Uitgesproken in het openbaar.

1990/344