Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG8007

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
22-12-2008
Zaaknummer
266162 / HA ZA 06-2107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid belastingadviseur. Invoerrechten, textiel Bangladesh, Versoepelingsverordening (2260/97). Identiteit opdrachtnemer, hoofdelijke verbondenheid adviseur op grond van 7:404 BW. Bewijsopdracht ten aanzien van omvang opdracht en gestelde tekortkoming. Bewijslastverdeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 266162 / HA ZA 06-2107

Uitspraak: 3 december 2008

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

[eiseres],

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2],

gevestigd te Maassluis,

gedaagden,

advocaat mr. J. Kneppelhout.

Partijen worden hierna aangeduid als enerzijds “[eiseres]” en anderzijds “[gedaagde 1]” respectievelijk “[gedaagde 2]” dan wel gezamenlijk “[gedaagden]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 11 juli 2006;

- akte houdende overlegging producties van [eiseres], met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek;

- de bij gelegenheid van de pleidooien door de advocaten van partijen, respectievelijk

mr. J.M. Wolfs te Maastricht en mr H.J. Blaisse te Amsterdam, overgelegde pleitnotities.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen -voor zover van belang- het volgende vast.

2.1 [eiseres] houdt zich bezig met de import van textiel en vooral van T-shirts uit Bangladesh.

2.2 [gedaagde 2] is een adviesbureau op het gebied van de indirecte belastingen en internationale handel. De besloten vennootschap [gedaagde 2] is opgericht op 19 juni 1996. [gedaagde 1] is indirect, via zijn praktijkvennootschap, bestuurder van [gedaagde 2].

2.3 Op 19 december 1994 is de Verordening (EG) nr. 3281/94 van de Raad van de Europese Unie gepubliceerd, hierna ‘de Verordening’. Op grond van de Verordening kon van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998 textiel uit Bangladesh zonder betaling van invoerrechten in de Europese Unie worden ingevoerd, mits dit textiel voldeed aan drie oorsprongvereisten: (i) het garen moest afkomstig zijn uit Bangladesh, (ii) het weefsel moest afkomstig zijn uit Bangladesh en (iii) de productie moest in Bangladesh plaatsvinden. Als blijk van een en ander diende een certificaat van oorsprong van de Bengaalse autoriteiten voorhanden te zijn.

2.4 Nadat in november 1996 was gebleken dat 80 procent van de Bengaalse productie niet aan de oorsprongvereisten voldeed, werd 80 procent van de door Bangladesh afgegeven oorsprongcertificaten ingetrokken, waarop navordering van de alsnog verschuldigde invoerrechten is gevolgd. Vanaf 1997 waren de door [eiseres] geïmporteerde T-shirts aan heffing van invoerrechten onderworpen.

2.5 Op 13 november 1997 is Verordening 2260/97, hierna ‘de Versoepelingsverordening’, in het leven geroepen. De Versoepelingsverordening bracht onder meer met zich dat bij invoer in de EU in de periode van 15 oktober 1997 tot en met 31 december 1998 bepaalde gemaximeerde hoeveelheden van producten, die in Bangladesh waren vervaardigd van weefsels of garens afkomstig uit onder andere India, als van oorsprong uit Bangladesh mochten worden beschouwd. Deze producten waren vrijgesteld van heffing van invoerrechten, mits hierom werd verzocht op het certificaat van oorsprong, zolang het daarvoor vastgestelde tariefcontingent niet was volgelopen.

2.6 Op 9 maart 1998 ontving [eiseres] via haar douane-expediteur Panalpina World Transport B.V. (hierna: Panalpina) de eerste uit een reeks van vele uitnodigingen tot betaling, hierna ‘UTB’, van alsnog ¬– gelet op het vervallen van de tariefpreferentie – wegens invoer van textiel uit Bangladesh verschuldigde invoerrechten.

2.7 In verband met de ontvangen UTB heeft [persoon 4] Bedrijfsjuridisch Adviseurs (hierna: [persoon 4]) namens [eiseres] op of omstreeks 26 maart 1998 telefonisch contact opgenomen met [gedaagde 1], welk contact heeft geleid tot een faxbrief van [persoon 4] van 26 maart 1998, die is gericht aan Adviesgroep Indirecte Belastingen t.a.v. [gedaagde 1], op het kantooradres van [gedaagde 2], en die voor zover thans relevant luidt als volgt:

“(…)

Bijgaand treft u de achterliggende stukken aan waarover wij reeds meerdere malen heden telefonisch contact hebben gehad.

(…)

Zoals afgesproken zult u zo spoedig mogelijk contact opnemen met Panalpina Transport B.V. en hen inlichten over de te nemen stappen. Tevens zult u hen verzoeken om een machtiging zodat [eiseres] B.V. bezwaar kan aantekenen tegen alle naheffingen die nog komen in verband met haar textielimport uit Bangladesh in de periode 9 maart 1995 tot en met 9 maart 1998. Vervolgens zult u bezwaar aantekenen alsmede uitstel van betaling verzoeken.

(...)

Mocht u nog vragen hebben aan de klant, dan is uw contactpersoon de heer [persoon 1], die bereikbaar is op (...).

Tot slot verzoek ik u om mij op de hoogte te houden van de ontwikkelingen in deze kwestie, en aan mij afschriften van alle correspondentie in deze te doen toekomen.”.

2.8 Op 2 april 1998 heeft [persoon 1], directeur van [eiseres], een eerste bespreking gehad met [gedaagde 1]. Deze bespreking leidde tot een brief aan [eiseres] gedateerd 2 april 1998, gesteld op briefpapier van [gedaagde 2] en die, voor zover thans relevant, luidt als volgt:

“Betreft: procedures certificaten Bangladesh

Zoals wij hedenmorgen bespraken (...) doe ik u hierbij een toelichting toekomen op de aanstaande procedures:-

(...)

Het dossier [eiseres] B.V. wordt door ondergetekende beheerd/bewaakt. Ik zal er daarbij voor zorgdragen dat de ingediende bezwaren deel zullen uitmaken van de proefprocedures die zullen worden gevoerd in samenwerking met de overige gedupeerden. De proefprocedures worden gevoerd door het zogenaamde importplatform.

(...)

Met vriendelijke groet,

[gedaagde 2]

[handtekening, rb.]

[gedaagde 1].”.

2.9 [eiseres] is uitgenodigd om de vergaderingen van de deelnemers aan het in die brief bedoelde importplatform, hierna: het Importplatform, bij te wonen. Tijdens de vergadering van 15 juli 1998 is de Versoepelingsverordening besproken. Dit is ook vermeld in het aan [eiseres] toegezonden verslag van deze vergadering.

2.10 De UTB’s leidden tot een geschil tussen [eiseres] en Panalpina omtrent te stellen zekerheid. Dit geschil heeft bestaan van augustus 1999 tot en met april 2002. [gedaagde 1] heeft [eiseres] ter zake geadviseerd en de kwestie is naar tevredenheid van [eiseres] opgelost.

2.11 Tegen de opgelegde naheffingsaanslagen is onder regie van het Importplatform bezwaar en beroep ingediend. In de betreffende processtukken, waarvan [eiseres] kopie heeft ontvangen, wordt onder meer de Versoepelingsverordening besproken.

Op 23 juli 2001 heeft de Europese Commissie overwogen dat kwijtschelding van invoerrechten in gevallen als het onderhavige gerechtvaardigd was. Daarop heeft de Inspecteur hetgeen uit hoofde van de opgelegde navorderingsaanslagen was verschuldigd alsnog teruggegeven dan wel kwijtgescholden.

2.12 Op 10 december 2002 vroeg [eiseres] per fax aan [gedaagde 2], ter attentie van [gedaagde 1]:

“(...) Hoe zit het met de invoerrechten, die wij na die tijd betaald hebben. Uit mijn hoofd de jaren 1998 en 1999. Kunnen wij die ook terugvorderen gezien de basis die neergelegd is?”.

2.13 Op 17 december 2002 heeft [gedaagde 1] op die vraag schriftelijk geantwoord met een uitleg van de consequenties van de beschikking van de Europese Commissie, onder meer inhoudende:

“Uitgaande van de situatie dat de autoriteiten in Bangladesh hun lesje hebben geleerd, zou een verzoek gericht moeten worden aan de leveranciers van [eiseres] met de vraag of zij – bij hun huidige productieprocessen – certificaten FORM A kunnen overleggen. En zo ja, of zij die willen laten bevestigen door de Bengalese autoriteiten.”.

In het antwoord wordt de Versoepelingsverordening niet genoemd.

2.14 [gedaagde 2] heeft [eiseres] voor advieswerkzaamheden in totaal (omgerekend) € 14.292,19 in rekening gebracht, welk bedrag [eiseres] heeft voldaan.

2.15 In mei 2003 heeft [persoon 2], werkzaam bij [gedaagde 2], onder verwijzing naar de Versoepelingsverordening geadviseerd om te proberen met terugwerkende kracht nieuwe certificaten van oorsprong in Bangladesh aan te vragen. [persoon 2] heeft [eiseres] na onderzoek medegedeeld dat het tariefcontingent over de relevante periode niet volledig was volgelopen.

2.16 Op 26 juni 2003 heeft [persoon 3], Head of Unit, European Commission, DG Taxation and Customs Union, bij e-mailbericht aan [persoon 2] van [gedaagde 2] tot uitdrukking gebracht dat het in haar visie praktisch uitgesloten geacht moest worden dat op dat moment nog reeds opgelegde invoerheffingen over de periode van 15 oktober 1997 tot en met 31 december 1998 met terugwerkende kracht ongedaan gemaakt zouden kunnen worden.

2.17 Op 16 december 2003 heeft [eiseres] [gedaagde 2] aansprakelijk gesteld voor de invoerrechten groot € 150.310,11 die zij heeft moeten betalen, op de grond dat [gedaagde 1] als adviseur [eiseres] had moeten informeren over de Versoepelingsverordening maar dit heeft nagelaten.

2.18 Op 30 december 2004 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde 1] in privé aansprakelijk gesteld op de grond dat hij toerekenbaar zou zijn tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als opdrachtnemer.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, althans [gedaagde 1], althans [gedaagde 2], te veroordelen:

- tot betaling van € 150.350,95;

- tot terugbetaling van € 14.292,19;

- tot betaling van € 3.780,-- exclusief BTW, subsidiair € 2.842,-- exclusief BTW,

een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], althans [gedaagde 1], althans [gedaagde 2], tot betaling van de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

3.1 [eiseres] heeft aan [gedaagde 1] als douanespecialist mondeling opdracht gegeven om haar bij te staan in de Bangladesh dossiers. [gedaagde 2] is naast [gedaagde 1] hoofdelijk aansprakelijk jegens [eiseres], nu zij zich vanaf de oprichting van de besloten vennootschap met die naam zich mede verbonden kan hebben voor de schuld van [gedaagde 1]. [gedaagde 2] heeft ook de facturen verzonden voor de advieswerkzaamheden.

3.2 De opdracht aan [gedaagde 1] hield ook in dat [gedaagde 1] diende te adviseren over de vraag hoe om te gaan met de verdere invoer van T-shirts uit Bangladesh.

3.3 Door nimmer op het bestaan of de werking van de Versoepelingsverordening te wijzen en niet het nodige in het werk te stellen om daarvan gebruik te maken, heeft [gedaagde 1] zijn zorgplicht jegens [eiseres] geschonden en is hij toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als redelijk handelend en redelijk bekwaam douaneadviseur.

3.5 Als gevolg van deze tekortkoming heeft [eiseres] schade geleden, omdat zij bij een juist advies van [gedaagde 1] tijdig gebruik zou hebben gemaakt van de door de Versoepelingsverordening geboden mogelijkheid om de betreffende T-shirts, gefabriceerd in Bangladesh uit garens afkomstig uit India, in te voeren zonder betaling van invoerrechten. De schade bestaat uit onnodig betaalde invoerrechten over 1997 en 1998 ad € 150.350,95 in totaal. Deze schade dienen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan [eiseres] te vergoeden.

3.6 [eiseres] heeft buitengerechtelijke incassokosten moeten maken tot een bedrag groot € 3.780,-- te vermeerderen met BTW. [eiseres] vordert primair vergoeding van dit bedrag op grond van artikel 6:96 BW, en subsidiair vergoeding van € 2.842,-- exclusief BTW op grond van Rapport Voor-werk II.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiseres] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van in de kosten van het geding.

[gedaagden] hebben daartoe het volgende aangevoerd.

4.1 Primair is [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering jegens [gedaagde 1]. Zij heeft geen opdracht verstrekt aan [gedaagde 1] in persoon, en evenmin heeft zij aan [gedaagde 2] opdracht verstrekt met het oog op de persoon van [gedaagde 1] als bedoeld in artikel 7:404 BW. Van hoofdelijke verbondenheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is geen sprake.

4.2 Subsidiair is [gedaagde 2] niet tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en heeft zij evenmin onrechtmatig gehandeld.

4.2.1 Tot de opdracht behoorde niet het beoordelen van en adviseren over de douanesituatie van [eiseres] met betrekking tot andere zaken dan die, waarvoor een navorderingsaanslag was opgelegd.

4.2.2 [gedaagde 2] heeft daarenboven aan haar verplichtingen als redelijk bekwaam en redelijk handelend belastingadviseur voldaan door in de bespreking van 2 april 1998 [eiseres] erop te wijzen dat voor Bangladesh de Versoepelingsverordening bestond, en de werking daarvan toe te lichten. Verder strekkende verplichtingen rustten in dit verband niet op [gedaagde 2].

4.3 Meer subsidiair worden schade en causaal verband betwist. Betwist wordt dat de importen die tot de betaling van de onderhavige invoerrechten hebben geleid onder de Versoepelingsverordening vielen, met name wat de herkomst van de garens betreft.

4.4 Uiterst subsidiair kan aan [eiseres] eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW worden verweten, omdat zijzelf heeft nagelaten een beroep op de Versoepelingsverordening te doen, hoewel zij van het bestaan en de werking daarvan op de hoogte was, althans had moeten zijn.

[eiseres] heeft voorts geen actie ondernomen om haar schade te beperken door alsnog certificaten van oorsprong aan te vragen. Ook daarvan komen de gevolgen voor haar rekening en risico.

4.5 De werkzaamheden die hebben geleid tot de declaraties waarvan [eiseres] terugbetaling vordert zijn succesvol geweest en naar tevredenheid van [eiseres] verricht. Voor terugbetaling bestaat geen grond.

4.6 Betwist wordt dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, en dat deze als preprocessueel zijn aan te merken.

5 De beoordeling

De identiteit van de opdrachtnemer

5.1 [persoon 4] heeft 26 maart 1998 telefonisch contact gehad met [gedaagde 1], kennelijk ten behoeve van [eiseres], waarbij zij instructies heeft verstrekt om ten behoeve van [eiseres] stappen te nemen. [persoon 4] heeft daarop stukken opgestuurd naar “Adviesgroep Indirecte Belastingen, t.a.v. [gedaagde 1]”, aan het kantooradres van [gedaagde 2], met het verzoek contact op te nemen met Panalpina (zie onder 2.7 hierboven).

Voorts heeft op 2 april 1998 een bespreking plaatsgevonden tussen de heer [persoon 1] van [eiseres] – die in de fax van [persoon 4] reeds als contactpersoon was genoemd – en [gedaagde 1]. Naar aanleiding van deze bespreking heeft [gedaagde 1] nog diezelfde dag namens en op briefpapier van [gedaagde 2] een brief gestuurd aan [eiseres] (zie onder 2.8 hierboven).

Bij het verrichten van de opgedragen werkzaamheden heeft [eiseres] haar correspondentie, naar uit de overgelegde producties valt af te leiden, gericht tot [gedaagde 2], ter attentie van [gedaagde 1], en heeft [gedaagde 1] (vrijwel) steeds op briefpapier van [gedaagde 2] en namens [gedaagde 2] gecorrespondeerd.

Voor de in de loop der jaren verrichte werkzaamheden heeft [gedaagde 2] declaraties verzonden, die door [eiseres] zijn betaald.

Uit deze, door [gedaagde 2] overgelegde en door [eiseres] in zoverre niet bestreden, declaraties blijkt, dat deze zien op werkzaamheden verricht door [gedaagde 1] of diens collega [persoon 5], en incidenteel door derden.

5.2 Deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden tot het oordeel dat niet [gedaagde 1] maar [gedaagde 2] als opdrachtnemer van [eiseres] heeft te gelden.

5.3 Indien [eiseres] voor ogen stond dat niettemin [gedaagde 1], en niet [gedaagde 2] haar opdrachtnemer zou zijn, had zij dit op 2 april 1998 expliciet aan de orde moeten stellen. Gesteld noch gebleken is dat zij dit heeft gedaan. Bij pleidooi heeft [eiseres] weliswaar gesteld dat zij op 2 april 1998 tegen [gedaagde 1] heeft gezegd “u bent mij aanbevolen als douanespecialist, ik heb een probleem met import uit Bangladesh, wilt u mij helpen om dat op te lossen”, of woorden van gelijke strekking, maar dat doet er niet aan af dat [gedaagden], gelet op de eerder door [persoon 4] aan [gedaagde 2] verstrekte opdracht en op het (ook in 1998 bestaande) gebruik dat in kantoorverband werkende adviseurs opdrachten namens het kantoor plegen te aanvaarden, de opdracht in redelijkheid mochten opvatten als een opdracht aan [gedaagde 2], en [eiseres] kan zich er onder deze omstandigheden niet met succes op beroepen dat zij beoogde een overeenkomst met [gedaagde 1] tot stand te brengen.

Artikel 7:404 BW

5.4 In de stellingen van [eiseres], dat [gedaagde 1] zich als douanespecialist en specialist in internationale handel afficheerde en dat zij daarom met haar opdracht de persoon van [gedaagde 1] op het oog had, ligt – mede gelet op de vordering tot hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] – een beroep op artikel 7:404 BW besloten.

5.5 [gedaagden] hebben betwist dat de opdracht is verleend met het oog op de persoon van [gedaagde 1]. Zij hebben ook betwist ook dat [gedaagde 1] op grond van artikel 7:404 BW hoofdelijk naast [gedaagde 2] is verbonden.

5.6 Indien de opdracht van [eiseres] aan [gedaagde 2] – via welke vennootschap [gedaagde 1] (ook) destijds al zijn beroep uitoefende – is verleend met het oog op de persoon van [gedaagde 1], was hij ingevolge artikel 7:404 BW in beginsel gehouden om zelf de opgedragen werkzaamheden te verrichten.

In dat geval is [gedaagde 1] naast [gedaagde 2] hoofdelijk verbonden jegens [eiseres], en rust eventuele aansprakelijkheid uit hoofde van toerekenbare niet-nakoming van de opdracht hoofdelijk op [gedaagde 2] en [gedaagde 1].

5.7 Voor beoordeling van de vraag, of de opdracht door [eiseres] is verleend met het oog op de persoon van [gedaagde 1], acht de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden van belang.

a. Ten tijde van het verstrekken van de opdracht genoot [gedaagde 1] een goede reputatie als (naar de rechtbank ambtshalve bekend is: een van de weinige) specialisten op het gebied van douane en internationale handel.

b. [gedaagde 1] was aan [eiseres] aanbevolen vanwege zijn specialistische kennis en ervaring, hetgeen [eiseres] op 2 april 1998 aan [gedaagde 1] kenbaar heeft gemaakt (zie onder 2.8 hierboven).

c. Bij pleidooi heeft de heer [persoon 1] van [eiseres] over de bespreking op 2 april 1998 verklaard: “[gedaagde 1] was voor mij de [persoon 6] van het belastingadvies op dit gebied. [gedaagde 1] wilde deze klus zelf doen omdat de FIOD een rol speelde in het dossier”, of woorden van gelijke strekking. Noch [gedaagde 2], noch [gedaagde 1], die ook zelf bij pleidooi enige tijd het woord heeft gevoerd, heeft deze verklaring betwist.

d. In de brief van 26 maart 1998 schreef [gedaagde 1] namens [gedaagde 2]: “Het dossier [eiseres] B.V. wordt door ondergetekende beheerd/bewaakt. Ik zal er daarbij voor zorgdragen dat de ingediende bezwaren deel zullen uitmaken van de proefprocedures die zullen worden gevoerd in samenwerking met de overige gedupeerden. De proefprocedures worden gevoerd door het zogenaamde importplatform.(...)”. Hieruit leidt de rechtbank af dat [gedaagde 1] persoonlijk de verantwoordelijkheid voor het dossier op zich nam, terwijl partijen het erover eens waren dat ook het zogenaamde importplatform werkzaamheden zou verrichten (in het midden kan blijven of deze vielen onder de opdracht aan [gedaagde 2], zoals [eiseres] stelt, dan wel onder een separate opdracht aan [persoon 7], zoals [gedaagden] stellen).

5.8 Op grond van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat [gedaagden] niet voldoende (nader) gemotiveerd heeft weersproken dat de opdracht door [eiseres] is verleend met het oog op de persoon van [gedaagde 1].

5.9 Aan bovenvermeld oordeel doet niet af dat ook [persoon 5] werkzaamheden voor [eiseres] heeft verricht, zoals blijkt uit de door [gedaagde 2] verzonden declaraties. Uit de declaraties blijkt dat voor Wabeke een aanzienlijk lager uurtarief werd berekend dan voor [gedaagde 1]. De rechtbank leidt daaruit af dat Wabeke minder ervaren en/of deskundig was dan [gedaagde 1], en zijn of haar werkzaamheden onder diens verantwoordelijkheid heeft verricht (vgl. artikel 7:404 BW).

5.10 De slotsom op dit punt moet dan ook zijn dat [gedaagde 1] op grond van het bepaalde in artikel 7:404 BW hoofdelijk naast [gedaagde 2] tot nakoming van de opdracht is verbonden. Omtrent een andersluidende overeenkomst tussen partijen is niets gesteld of gebleken.

De uit de opdracht voortvloeiende verbintenissen

5.11 De rechtbank neemt met partijen tot uitgangspunt dat op [gedaagde 1] als bekwaam en deskundig adviseur, gelet op de verstrekte opdracht en op de kennis die hij had van de bedrijfsactiviteiten van [eiseres], onder de gegeven omstandigheden de verplichting rustte om [eiseres] tijdig op het bestaan en de werking van de Versoepelingsverordening te wijzen.

5.12 [eiseres] neemt daarenboven het standpunt in – zoals de rechtbank dit na de pleidooien begrijpt – dat [gedaagde 1] had moeten onderzoeken of [eiseres] een beroep kon doen op de Versoepelingsverordening, in het bijzonder door haar eigener beweging te vragen naar de herkomst van de garens in de textielproducten waarin [eiseres] handelde. Ter onderbouwing van dit standpunt stelt [eiseres] dat de opdracht mede inhield dat [gedaagde 1] diende te adviseren over de vraag hoe om te gaan met de verdere invoer van T-shirts uit Bangladesh.

Voor zover [eiseres] tevens bedoelt te betogen dat [gedaagde 1] als adviseur zelfstandig stappen had moeten te nemen om namens [eiseres] een beroep te doen op de Versoepelingsverordening, is dat standpunt onjuist. Zonder specifieke instructie daartoe, die is gesteld noch gebleken, past een dergelijke opstelling niet bij de rol van adviseur, nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] daartoe feitelijk over de nodige gegevens beschikte.

5.13 [gedaagden] betwisten dat enige verplichting bestond om te onderzoeken of [eiseres] van de Versoepelingsverordening gebruik kon maken. Zij stellen dat [gedaagde 1] geen inzicht had in de herkomst van de gebruikte garens, dat het op de weg van [eiseres] lag om de voor een beroep op de Versoepelingsverordening benodigde gegevens bij haar leveranciers te verzamelen, en dat [gedaagde 1] [eiseres] hierop heeft gewezen tijdens de bespreking van 2 april 1998 en in de e-mail van 17 december 2002.

5.14 Gelet op deze betwisting dient [eiseres] te bewijzen dat de aan [gedaagde 2] verstrekte opdracht mede het adviseren omtrent de invoer van T-shirts uit Bangladesh vanaf 15 oktober 1997 omvatte.

5.15 Indien [eiseres] slaagt in dit bewijs, dan zal de rechtbank daaraan, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, de conclusie verbinden dat op [gedaagden] de verplichting rustte niet alleen om [eiseres] te informeren over het bestaan en de werking van de Versoepelingsverordening, maar ook om op eigen initiatief te onderzoeken of [eiseres] daarvan gebruik kon maken. In dit laatste verband dienden [gedaagden] te vragen naar de herkomst van de garens in de textielproducten waarin [eiseres] handelde.

5.16 Indien [eiseres] niet slaagt in dit bewijs, dan zal de rechtbank daaraan, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, de conclusie verbinden dat op [gedaagden] wel de verplichting rustte om [eiseres] te informeren over het bestaan en de werking van de Versoepelingsverordening, maar niet de verplichting eigener beweging te onderzoeken of [eiseres] daarvan gebruik kon maken.

De gestelde toerekenbare tekortkoming

5.17 De rechtbank zal, gelet op de betwistingen door [gedaagden], [eiseres] – als partij die de rechtsgevolgen van deze stelling inroept – in de gelegenheid stellen om te bewijzen dat [gedaagde 1] haar nimmer, althans niet tijdens de besprekingen van april 1998 of naar aanleiding van de fax van [eiseres] van 10 december 2002, heeft gewezen op het bestaan en de werking van de Versoepelingsverordening.

De bewijsopdracht wordt aldus toegespitst, omdat ook het debat tussen partijen zich concentreert op de besprekingen in april 1998 en de e mails van 10 en 17 december 2002, en [gedaagden] niet, althans onvoldoende concreet stellen dat zij op andere momenten nog op de Versoepelingsverordening hebben gewezen.

Omdat aan [eiseres] bewijs van een negatief feit wordt opgedragen, zullen aan deze bewijslevering geen strenge eisen worden gesteld. Niettemin geven de omstandigheden van het geval onvoldoende aanleiding om de bewijslast om te keren en het bewijsrisico ten nadele van [gedaagden] te verschuiven.

5.18 Indien [eiseres] slaagt in dit bewijs, staat daarmee vast dat [gedaagde 2] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de onder 5.11 hierboven bedoelde verbintenis.

5.19 Indien [eiseres] echter niet slaagt in dit bewijs, dan zullen haar op dit verwijt gegronde vorderingen worden afgewezen.

5.20 Indien [eiseres] slaagt in het onder 5.14 hierboven bedoelde bewijs, treft doel het verwijt dat [gedaagde 2] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de onder 5.15 hierboven bedoelde verbintenis, nu tussen partijen vast staat dat [gedaagden] niet, althans niet expliciet, hebben gevraagd naar de herkomst van de garens.

Schade en causaal verband

5.21 Indien komt vast te staan dat [gedaagde 2] enige toerekenbare tekortkoming

als in het voorgaande bedoeld valt te verwijten, is [gedaagde 2] aansprakelijk voor de ten gevolge daarvan door [eiseres] geleden schade. In dat geval zal moeten worden onderzocht welke schade [eiseres] ten gevolge van deze tekortkoming(en) heeft geleden. Op dat punt wordt thans reeds het volgende overwogen.

5.22 Bij een juiste nakoming door [gedaagden], zo begrijpt de rechtbank het standpunt van [eiseres], zou zij terzake van de resterende invoer in 1997 en 1998 de juiste certificaten hebben kunnen aanvragen, waarmee zij voor het preferentiële tarief in aanmerking zou komen, en zou zij voor de periode na 31 oktober 1997 tot eind maart 1998 nieuwe certificaten hebben kunnen aanvragen en op basis daarvan teruggave van reeds betaalde invoerrechten hebben kunnen verkrijgen.

5.23 [gedaagden] betwisten de schade en het causaal verband, en wijzen erop dat [eiseres] nog immer geen bewijs heeft overgelegd van haar stelling dat de oorsprong van de door haar in de relevante periode geïmporteerde producten voldeed aan de vereisten voor toepassing van de Versoepelingsverordening.

Van [eiseres] wordt verwacht dat zij dit bewijs bij conclusie na enquête overlegt, en voor zover dit bewijs niet schriftelijk kan worden geleverd, zoveel mogelijk concretiseert op welke wijze zij het hier bedoelde bewijs zal kunnen leveren.

5.24 Van [eiseres] wordt verwacht dat zij bij conclusie na enquête de gestelde schade van € 150.350,95 nader uitwerkt en onderbouwt, zoveel mogelijk onder overlegging van de onderliggende stukken (voor zover niet reeds in het geding).

Daarbij dient zij tevens haar productie 9 bij akte houdende overlegging producties te completeren, nu deze stukken -in ieder geval ten aanzien van de zendingen genummerd 1, 2, 9, 12 en 29- niet compleet zijn, zoals bij pleidooi is besproken.

Voor zover in deze productie 9 stukken zijn opgenomen waaruit blijkt van een aangehouden in plaats van een beëindigde verificatie, dient [eiseres] de rechtbank te informeren over het eindresultaat van de verificatie, en terzake stukken over te leggen.

5.25 Van [eiseres] wordt gelet op het voorgaande verwacht dat zij bij conclusie na enquête nader onderbouwt dat zij voor de relevante zendingen niet alleen in theorie maar ook feitelijk toepassing van het preferentiële tarief had kunnen bewerkstelligen.

In dit verband wordt van [eiseres] ook verwacht dat zij concreet toelicht en onderbouwt dat zij -bij juiste nakoming door [gedaagden]- teruggave van reeds betaalde invoerrechten had kunnen verkrijgen voor de zendingen, die blijkens voornoemde productie 9 reeds vóór het eerste contact dan wel de eerste bespreking met [gedaagde 1] uit Bangladesh waren verscheept. Zij dient in dit licht ook in te gaan op het onder 2.16 hierboven genoemde bericht van [persoon 3] d.d. 26 juni 2003, waarin zij namens DG Taxation and Customs Union aangeeft dat het met terugwerkende kracht verkrijgen van een gecorrigeerd oorsprongcertificaat praktisch onmogelijk is.

5.26 Ieder oordeel omtrent schade en schade-omvang zal worden aangehouden.

Het beroep op eigen schuld

5.27 Pas nadat de schade, al dan niet na verdere bewijslevering, is komen vast te staan, zal het beroep van [gedaagden] op eigen schuld aan de orde komen.

Wettelijke rente

5.28 Bij pleidooi heeft [eiseres] haar rentevordering nader toegelicht. Zij stelt dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf het einde van de in de aansprakelijkstelling door [eiseres] gestelde betalingstermijn, althans vanaf het einde van de in de aansprakelijkstelling door haar advocaat gestelde termijn, althans vanaf de dagvaarding.

5.29 Ieder oordeel omtrent de wettelijke rente zal worden aangehouden.

De vordering tot terugbetaling

5.30 [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar vordering tot terugbetaling van de door haar aan [gedaagden] betaalde kosten slechts gesteld (in het petitum) dat deze ‘ten onrechte’ zijn betaald. Tussen partijen staat echter vast dat [gedaagden] de procedures ten aanzien van de UTB’s en ook het geschil met Panalpina naar tevredenheid hebben begeleid, zodat voor deze vordering, bij gebrek aan nadere toelichting, een deugdelijke grondslag ontbreekt. Deze vordering zal te zijner tijd worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

draagt [eiseres] op te bewijzen:

a. dat de aan [gedaagde 2] verstrekte opdracht mede het adviseren omtrent de verdere invoer van T-shirts uit Bangladesh omvatte;

b. dat [gedaagde 1] haar nimmer, althans niet tijdens de besprekingen van april 1998 of naar aanleiding van de fax van [eiseres] van 10 december 2002, heeft gewezen op het bestaan en de werking van de Versoepelingsverordening;

bepaalt dat indien [eiseres] dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter-commissaris mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan;

bepaalt dat de procureur van [eiseres] binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam - opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden januari tot en met maart 2009 en dat de procureur van [gedaagden] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.P. van Essen, mr. E.J. Rutten en mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

Uitgesproken in het openbaar.

1885/196/209