Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG7861

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
10/690388-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Witwassen. Uit omstandigheden waaronder het geld bij verdachte is gevonden alsmede de ongeloofwaardige verklaring van verdachte omtrent de herkomst van het geld leidt de rechtbank af dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte hiervan wetenschap had.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/690388-08

Datum uitspraak: 17 december 2008

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Midden Holland, Huis van Bewaring De Geniepoort, te Alphen aan den Rijn,

raadsman mr. H. Bijlsma, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 december 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het tenlastegelegde komt er op neer dat de verdachte al dan niet samen met een ander of anderen (1) geld (94.200 euro en 17.900 US-dollar) heeft witgewassen, (2) 2,38 gram cocaïne in bezit heeft gehad, (3) voorbereidingshandelingen heeft gepleegd gericht op het bereiden, bewerken en verkopen van cocaïne door daartoe een weegschaal voorhanden te hebben.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Lodder heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen van de Stichting Reclassering Nederland, ook indien dit inhoudt het volgen van een behandeling bij GGZ/Bouman te Rotterdam.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in de vervolging, omdat de doorzoeking in de woning van de verdachte onrechtmatig is geweest.

De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De woning van de verdachte is ter inbeslagneming doorzocht. Bij de doorzoeking is noch een rechter-commissaris, noch een officier van justitie aanwezig geweest. De rechter-commissaris heeft weliswaar mondeling toestemming gegeven om de woning te doorzoeken en deze toestemming achteraf schriftelijk bekrachtigd, doch deze handelwijze was te lichtvaardig gelet op de waarborgen waarmee het ingrijpende en vergaande dwangmiddel van de doorzoeking in een woning is omkleed.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Ingevolge artikel 97 van het Wetboek van Strafvordering kan in de in dat artikel genoemde gevallen, bij dringende noodzakelijkheid en indien het optreden van de rechter-commissaris of de officier van justitie niet kan worden afgewacht, een hulpofficier met machtiging van de rechter-commissaris ter inbeslagneming een woning doorzoeken.

De doorzoeking is hier door een hulpofficier geschied met voorafgaande mondelinge machtiging door de rechter-commissaris. Het is de rechter-commissaris volgens vaste jurisprudentie toegestaan een dergelijke machtiging, mits deze voorafgaand aan de doorzoeking is gegeven, mondeling (telefonisch) te geven en deze later schriftelijk te bekrachtigen. Laatstgenoemde bekrachtiging bevindt zich in het dossier. Aan de vereisten van voornoemd artikel is dan ook voldaan, zodat geen sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Het beroep van de raadsman op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie wordt dan ook afgewezen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die aan de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de weg staan. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 3 tenlastegelegde is, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit het verhandelde ter terechtzitting en het dossier onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte voorbereidingshandelingen heeft gepleegd om de handel in cocaïne voor te bereiden of te bevorderen. Het enkele feit dat er in de woning van de verdachte een -geringe- gebruikershoeveelheid cocaïne en een weegschaal met daarop sporen van cocaïne zijn aangetroffen doet hieraan niet af. De rechtbank overweegt hierbij dat de verdachte heeft verklaard zelf cocaïne te gebruiken en sluit niet uit dat deze weegschaal (uitsluitend) bestemd was voor eigen gebruik, het afwegen van gebruikershoeveelheden verdovende middelen hieronder begrepen.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

De overwegingen die leidden tot de verwerping van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, brengen tevens met zich dat voor bewijsuitsluiting van het uit de doorzoeking verkregen bewijsmateriaal, zoals door de raadsman subsidiair is bepleit, evenmin gronden zijn.

Feit 1

Van het volgende wordt uitgegaan:

Op 9 september 2008 wordt (aanvankelijk op grond van de Wet wapens en munitie en later met voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris) een doorzoeking ter inbeslagneming verricht in de woning van de verdachte aan de [adres] te Rotterdam . Daarbij wordt geconstateerd dat alle ramen, als ook het zolderluik van de woning zijn dichtgeschroefd. In een kast, waarvan de deurtjes aan de bovenzijde zijn dichtgeschroefd, wordt een grote boodschappentas aangetroffen. In deze boodschappentas bevinden zich diverse lege flessen en een plastic draagtas. In deze plastic draagtas worden, naast diverse levensmiddelen, pakketjes geld aangetroffen. Alle pakketjes geld zijn verpakt in helder plastic en zijn met bruine of transparante tape dichtgeplakt. Na telling van het geld blijkt dat het gaat om in totaal 94.200 euro en 17.900 US Dollar . De dollarbiljetten betreffen alle biljetten van 100 dollar. De biljetten zijn vrijwel nieuw en waarschijnlijk kort in omloop geweest. De eurobiljetten betreffen coupures van 50, 100, 200 en 500 euro. De eurobiljetten zijn in goede staat, maar zichtbaar gebruikt. De biljetten zijn niet versleten en vooral de biljetten van 200 en 500 euro zijn in goede staat .

Op grond van het vorenstaande staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de verdachte op 9 september 2008 de geldbedragen van 94.200 euro en 17.900 US Dollar voorhanden heeft gehad.

Voor een veroordeling ter zake witwassen dient wettig en overtuigend te worden bewezen dat deze geldbedragen van misdrijf afkomstig waren.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde witwassen wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij verwijst in dit verband naar een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 juli 2008 (LJN BD7281). Het hof komt in dit arrest op grond van de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen, de wijze waarop het geld getransporteerd werd en de financiële situatie van de verdachte tot het bewijs van witwassen. De officier van justitie concludeert dat zich in het onderhavige geval soortgelijke omstandigheden voordoen en dat die omstandigheden de conclusie kunnen dragen dat sprake is van witwassen.

De rechtbank volgt het standpunt van de officier van justitie en overweegt daartoe het volgende.

Aantreffen geldbedragen

De omstandigheden waaronder de aanzienlijke geldbedragen zijn aangetroffen

- gebundeld in pakketjes in een plastic boodschappentas, in een woning waarvan alle ramen zijn dichtgeschroefd - zijn hoogst ongebruikelijk en gaan bovendien gepaard met veiligheidsrisico’s.

Samenstelling van het geld

De geldbedragen bestaan uit coupures van 50, 100, 200 en 500 euro en biljetten van 100 dollar, terwijl de dollarbiljetten vrijwel nieuw zijn en waarschijnlijk slechts kort in omloop zijn geweest. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta.

Bovendien is het tevens een feit van algemene bekendheid dat -gelet op de omstandigheid dat na een kortstondige uitgifte in 2002 de banken geen coupures van € 500,00 meer uitgeven- deze coupures nagenoeg uitsluitend (nog) in het criminele circuit worden gebruikt.

Financiële positie van de verdachte

De verdachte heeft momenteel geen inkomsten uit arbeid. Hij ontvangt een bijstandsuitkering van ongeveer 600 euro per maand . Ook heeft de verdachte ter terechtzitting beaamd dat hij geen aantoonbaar arbeidsverleden heeft , zodat niet kan worden aangenomen dat verdachte de aangetroffen gelden opzij heeft gezet.

De bovenstaande omstandigheden rechtvaardigen een vermoeden van witwassen van opbrengsten van misdrijf.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de eurobiljetten heeft verdiend met de verkoop van een, onder andere door hem en zijn inmiddels overleden vriendin [naam vriendin] ontwikkeld, softwareprogramma. Zijn vriendin heeft het programma verkocht in de periode dat hij gedetineerd zat. Gegevens van de koper(s) van het softwareprogramma heeft de verdachte daarom niet .

Verdachte heeft met deze verklaring bovengenoemd vermoeden niet kunnen ontzenuwen. De rechtbank acht de afgelegde verklaringen van de verdachte met betrekking tot de herkomst van het geld onaannemelijk en ongeloofwaardig. Het komt de rechtbank voor dat de verdachte deze verklaringen heeft afgelegd om de ware herkomst van het geld te verhullen. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Niet aannemelijk is dat [naam vriendin] in staat was een softwareprogramma te ontwikkelen. [Getuige 1] heeft verklaard dat zij sinds het jaar 2000 werkzaam was bij [naam bedrijf] en dat hij daar destijds manager was. [Naam vriendin] was helpdeskmedewerkster bij dit bedrijf. [Naam vriendin] had geen technische kennis van programmataal en ook geen kennis om software te ontwikkelen, aldus [getuige 1] .

Ook is niet aannemelijk dat de verdachte over de kennis beschikte een softwareprogramma te ontwikkelen. Een opleiding daartoe heeft hij niet genoten. Daar waar de verdachte op de zitting aangeeft wel over die kennis te beschikken en het programma in de basis zelf te hebben ontworpen, zegt hij eerder, in zijn verklaring bij de politie, dat hij niet zoveel verstand heeft van computerprogramma’s als zijn vriendin en dat zij degene is geweest die het programma heeft gemaakt .

Op de vraag van de officier van justitie in welke programmeertaal het softwareprogramma is geschreven, beroept de verdachte zich op zijn zwijgrecht.

Verder heeft de verdachte over de herkomst van het geld ter terechtzitting, bij de politie en rechter-commissaris wisselende en onderling tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Geconfronteerd met de constatering van de officier van justitie dat de geldbedragen uit twee valuta bestaan, zegt de verdachte ter terechtzitting, terwijl hij dit nog niet eerder heeft verklaard, dat hij de dollars heeft gespaard .

Ook is van het geldbedrag geen mogelijke legale herkomst gebleken. De verdachte heeft verklaard niet te weten van welk bedrijf of welke bedrijven het geld komt en hier zijn vriendin ook niet naar te hebben gevraagd. Tegelijkertijd verklaart de verdachte evenwel dat hij het geld bewaarde, omdat de kopers van het softwareprogramma zijn vriendin hadden opgelicht en hij hen het geld wilde retourneren, zodat hij zijn programma terug zou krijgen. Nog daargelaten dat deze laatste verklaring de rechtbank volstrekt onaannemelijk voorkomt, stroken de verklaringen niet met elkaar. Ter terechtzitting heeft de verdachte geen antwoord kunnen geven op de vraag hoe het nu kan dat hij enerzijds zijn vriendin niet vraagt wie de kopers zijn, terwijl hij anderzijds toch beweert dat hij al lange tijd -ook toen zijn vriendin nog in leven was- op zoek naar die kopers was om hen het geld terug te geven. Los van deze discrepantie in de verklaringen van de verdachte, acht de rechtbank het bovendien onwaarschijnlijk dat een -bonafide- bedrijf een transactie van een dergelijke omvang in contanten zou hebben verricht.

Gelet op het hiervoor overwogene volgt de rechtbank de verdachte niet in zijn verklaring dat het geld afkomstig is van legale verkoop van softwareprogrammatuur.

Op grond van al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan het niet anders zijn dan dat het aangetroffen geld van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte hiervan wetenschap heeft gehad.

Wettig en overtuigend bewezen is dan ook dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 9 september 2008 te Rotterdam,

een voorwerp, te weten geld (94.200 euro en 17.900 US-dollar),

voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, wist, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Feit 2

Aangezien de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit op de zitting heeft bekend, wordt wat betreft het bewijs volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting;

- een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 11 september 2008,

nr. 2008299815 (doorzoeking ter inbeslagneming);

- een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 11 september 2008, nr. 2008299815-21 (weging en monsterneming);

- een ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 2 oktober 2008, NFI zaaknummer 2008.09.22.042;

- een ambtsedig proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond d.d. 1 december 2008, nr. 2008299815-39 (bevindingen).

Gelet op de inhoud van deze bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 9 september 2008 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad,

5 wikkels inhoudende totaal 2,38 gram van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. Witwassen;

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. De verdachte heeft aanzienlijke geldbedragen, waarvan hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren, voorhanden gehad.

Dit is een ernstig feit. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Tevens heeft de verdachte een hoeveelheid cocaïne voorhanden gehad. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Harddrugs, waaronder cocaïne, bevatten voor de gebruikers daarvan schadelijke stoffen en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 11 september 2008 eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op het omtrent de verdachte op 30 april 2008 uitgebrachte psychologische rapport. De psycholoog concludeert in dit rapport dat de verdachte gelet op een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken in combinatie met misbruik van cocaïne ten aanzien van de feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is te achten. De rechtbank neemt deze conclusie over en maakt die tot de hare.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdachte verplicht reclasseringscontact op te leggen, zoals door psycholoog is geadviseerd en door de officier van justitie is gevorderd. De reden hiervoor vormt het feit dat de verdachte bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter d.d. 6 augustus 2008 reeds de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact voor de duur van twee jaren heeft opgelegd gekregen.

Gelet op het voorgaande en nu een feit minder bewezen wordt verklaard dan door de officier van justitie is gevorderd, zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door officier van justitie is gevorderd en afzien van het opleggen van een voorwaardelijk strafgedeelte.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen 94.200 euro en 17.900 US Dollars verbeurd te verklaren, subsidiair hiervan de bewaring te gelasten ten behoeve van de rechthebbende.

De in beslag genomen 94.200 euro en 17.900 US Dollars zullen worden verbeurd verklaard.

De verdachte kan de geldbedragen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Het bewezen feit 1 is met betrekking tot dit en met behulp van deze geldbedragen begaan.

Ten aanzien van het in beslag genomen zwarte holster zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte, zijnde deze degene bij wie dit zwarte holster in beslag is genomen en die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 33, 33a, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 impliciet primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 8 (acht) maanden;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- verklaart verbeurd: 94.200 euro en 17.900 US Dollars;

- gelast de teruggave aan verdachte van: 1 zwarte holster.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Boven, voorzitter,

en mrs. Van den Berg en Benaissa, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Schut, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 december 2008.