Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG7513

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
306580 / HA ZA 08-1135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident; bevoegdheid rechtbank; exploitatieovereenkomst; benzinestation; (mede) huurovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 306580 / HA ZA 08-1135

Uitspraak: 10 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

tevens h.o.d.n. BP TANKSTATION [ABC],

wonende te Sint Willebrord, gemeente Rucphen,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. M.J. Willemsen,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BP NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. B.J.E.V. van Nispen.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "BP Nederland".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 25 april 2008 en de daarbij overgelegde producties;

- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

incidentele antwoordconclusie houdende exceptie van onbevoegdheid.

2 De standpunten van partijen

In de hoofdzaak

2.1

[eiser] vordert – verkort weergegeven – dat de rechtbank BP Nederland bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt tot betaling van:

€ 3.558,94 ter zake gevolgschade door te late betaling van Routex creditnota’s door BP Nederland;

€ 6.090,09 voor door drooglegging geleden verlies;

€ 1.989,83 inclusief BTW en € 1.095,36 betreffende abonnementskosten;

€ 2.614,44 voor verlies ten gevolge van de vervanging van benzinetanks;

€ 11.737,76 betreffende meetverschillen van het jaar 2006;

vermeerderd met de wettelijke rente – over a tot en met e – vanaf 14 juni 2007, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

€ 1.788,00 ter zake buitengerechtelijke incassokosten;

de kosten van de procedure.

2.2

[eiser] baseert zijn vorderingen op een exploitatieovereenkomst van 7 april 1993. Deze overeenkomst is gesloten tussen [eiser] en Mobil en is later overgenomen door BP Nederland, aldus [eiser]. Hoewel deze overeenkomst met ingang van 1 januari 2005 zou zijn geëindigd, hanteren partijen volgens [eiser] nog altijd de inhoud van de exploitatieovereenkomst om de exploitatie van het tankstation vorm te geven. [eiser] stelt dat hij schade leidt omdat BP Nederland toerekenbaar tekort schiet in de nakoming van haar uit de exploitatieovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.

In het incident

2.3

BP Nederland vordert – verkort weergegeven – dat de rechtbank Rotterdam, sector civiel zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de sector kanton van de rechtbank Breda, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit incident.

2.4

Hieraan heeft BP Nederland ten grondslag gelegd, dat, nu alle vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op de exploitatieovereenkomst welke als kernelement de huur van bedrijfsruimte heeft, en jurisprudentie uitwijst dat zodanige overeenkomsten worden gekwalificeerd als overeenkomsten van huur en verhuur, de zaak ingevolge artikel 93 onder c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) tot de absolute competentie van de kantonrechter behoort.

2.5

Daarnaast voert BP Nederland aan dat de rechtbank Rotterdam relatief onbevoegd is om van de vordering van [eiser] kennis te nemen, nu het gehuurde is gelegen in de gemeente Rucphen, derhalve in het arrondissement Breda, zodat ingevolge art. 103 Rv de rechtbank te Breda, sector kanton, uitsluitend bevoegd is. Mocht de rechtbank Rotterdam, sector civiel, zich bevoegd verklaren, dan beroept BP Nederland zich op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Rotterdam, sector civiel.

2.6

[eiser] heeft het verzoek gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en veroordeling van BP Nederland in de kosten van dit incident.

2.7

[eiser] heeft daartoe – verkort weergegeven – het volgende aangevoerd:

in de exploitatieovereenkomst wordt niet gerefereerd aan huurbepalingen;

de exploitatieovereenkomst eindigt, ingevolge artikel 15 van hoofdstuk 4, op het tijdstip waarop de eventuele onderliggende overeenkomst (bijvoorbeeld huur) eindigt;

de exploitatieovereenkomst bevat geen elementen van huur en verhuur. Er is immers geen sprake van een vaste huurprijs, doch van een winstafhankelijke vergoeding, en er gelden contractuele bepalingen ten aanzien van de levering en afname van brandstoffen die niet onder het huurregime kunnen worden geschaard.

3 De beoordeling

In het incident

3.1

De incidentele conclusie van onbevoegdheid is vóór alle weren en derhalve tijdig genomen.

3.2

Ingevolge artikel 93 onder c Rv worden zaken betreffende een huurovereenkomst door de kantonrechter behandeld en beslist. Teneinde te bepalen of de rechtbank Rotterdam, sector civiel bevoegd is om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen, dient daarom te worden onderzocht of de exploitatieovereenkomst, waarop [eiser] zijn vorderingen baseert, kan worden gekwalificeerd als overeenkomst van huur en verhuur. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.3

Ingevolge artikel 7:201 BW is huur de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.

De rechten en verplichtingen van [eiser] en BP Nederland zijn neergelegd in de hiervoor onder 2.2 genoemde exploitatieovereenkomst. De Hoge Raad heeft reeds bij arrest van 19 juni 1987, NJ 1988, 72 uitgemaakt dat op een exploitatieovereenkomst met betrekking tot een benzinestation de wettelijke bepalingen omtrent huur en verhuur van bedrijfsruimte van toepassing (kunnen) zijn. Ten aanzien van de vraag of de tussen partijen gesloten exploitatieovereenkomst (mede) kan worden aangemerkt als een huurovereenkomst, overweegt de rechtbank het volgende.

3.4

Tussen partijen is niet in geschil dat het benzinestation in eigendom toebehoort aan BP Nederland, hetgeen ook met zoveel woorden is aangegeven in artikel 10.2 van de exploitatieovereenkomst. Uit de exploitatieovereenkomst volgt dat het benzinestation is ingericht voor de (weder)verkoop van Mobil – thans, zo begrijpt de rechtbank uit de stellingen van partijen, BP – motorbrandstoffen ten behoeve van het wegverkeer. Een wezenlijk onderdeel van de exploitatieovereenkomst vormt het in gebruik verstrekken van het benzinestation aan [eiser]. In zoverre is aan het eerste vereiste van een huurovereenkomst – het is gebruik verstrekken van een zaak – voldaan. Het benzinestation kan voorts worden aangeduid als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 lid 2 onder a BW. Immers, er is sprake van een gebouwde onroerende zaak, bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, waarin een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of dienstverlening aanwezig is.

Ook is [eiser] een exploitatievergoeding verschuldigd. Voor het eerste jaar bedroeg deze vergoeding ingevolge artikel 5 lid 1 van de Bijzondere Voorwaarden ƒ15.325,- per maand. Voor de daaropvolgende jaren werd de exploitatievergoeding op grond van artikel 5 lid 3 van de Bijzondere Voorwaarden steeds per jaar herzien. Daarbij werd uitgegaan van een basis exploitatievergoeding van 26% brutowinst motorbrandstoffen plus 30% brutowinst Mobil Mart plus 30% brutowinst Car Wash. Wanneer partijen niet tot een nieuwe exploitatievergoeding komen, blijft de geldende vergoeding van kracht. De tegenprestatie in de vorm van een exploitatievergoeding is, naar het oordeel van de rechtbank, hiermee voldoende bepaald. De exploitatievergoeding kan worden aangemerkt als vergoeding voor de terbeschikkingstelling van de bedrijfsruimte, zodat ook aan het tweede vereiste van een huurovereenkomst is voldaan.

3.5

Op grond van hetgeen onder 3.4 is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat de tussen partijen gesloten exploitatieovereenkomst (mede) moet worden aangemerkt als een overeenkomst van huur van bedrijfsruimte. Derhalve dient de zaak ingevolge artikel 93 onder c Rv te worden behandeld en beslist door de kantonrechter.

3.6

Het benzinestation is gelegen in de gemeente Rucphen; aldus gelegen in het arrondissement Breda. Ingevolge artikel 103 Rv juncto 7:290 BW is de rechter binnen wiens rechtsgebied het gehuurde is gelegen, uitsluitend bevoegd. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het geschil kennis te nemen en zal de zaak verwijzen naar de rechtbank te Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom.

3.7

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van het incident.

4 De beslissing

De rechtbank,

in het incident

verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de sector kanton, locatie Bergen op Zoom, van de rechtbank Breda;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit incident tot aan deze uitspraak aan de zijde van BP Nederland begroot op € 579,00 aan salaris voor de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1902/1729