Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG7510

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
303065 / HA ZA 08-692
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzet dwangbevel. Verbeurde dwangsommen ivm permanente bewoning van recreatiewoning. Bewijslast van permanente bewoning ligt bij gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 303065 / HA ZA 08-692

Uitspraak: 10 december 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [verweerder1],

2. [ver[verweerder2], beiden wonende te Ouddorp, gemeente Goedereede,

opposanten in conventie,

verweerders in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. M.S. van Dijk,

- tegen -

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE GOEDEREEDE,

geopposeerde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

advocaat mr. U.T. Hoekstra.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “[verweerder1]”, “[verweerder2]” en “de gemeente”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- verzetdagvaarding d.d. 26 februari 2008 en de door [verweerder1] en [verweerder2] overgelegde producties;

conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 9 juli 2008, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 27 oktober 2008;

- conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie;

de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [verweerder1] en [verweerder2] overgelegde producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weer¬sproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [verweerder1] en [verweerder2] zijn eigenaar van de recreatiewon[adres] te Ouddorp. Zij staan in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [adres2] te Ouddorp.

2.2 De grond waarop de recreatiewoning is gebouwd is ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “De Kriekel” bestemd voor “recreatieve doeleinden”, met subbestemming “zomerhuizenterrein”. Ingevolge artikel 7 lid 1 aanhef en onder a van de planvoorschriften zijn de gronden die op de kaart als zodanig zijn aangewezen, bestemd voor recreatieve doeleinden (speelterreinen, wegen, paden en groenvoorzieningen) en voor een zomerhuizen¬terrein, waarbij onder zomerhuis wordt verstaan: “elk permanent ter plaatse aanwezig woon¬verblijf dat is bedoeld voor niet-permanente bewoning en waarvan de gebruikers elders hun hoofdverblijf hebben.” Ingevolge artikel 14 lid 1 van de planvoorschriften is het verboden bouwwerken en onbebouwde gronden te gebruiken op een wijze of met een doel strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemmingen en voorschriften. Ingevolge het derde lid van dit artikel wordt onder strijdig gebruik van deze bouwwerken in elk geval verstaan: “het gebruik van een zomerhuis, stacaravan of kampeermiddel voor permanente bewoning”.

2.3 Bij besluit van 21 september 2005 heeft de gemeente aan [verweerder1] en [verweerder2] een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat [verweerder1] en [verweerder2] de permanente bewoning van de recreatiewoning binnen een termijn van zes maanden na de verzenddatum van het besluit dienen te staken en gestaakt te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per maand tot een maximum van € 25.000,-.

2.4 Het door [verweerder1] en [verweerder2] tegen dit besluit ingestelde bezwaar en beroep is ongegrond verklaard. De uitspraak van de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van deze rechtbank d.d. 4 mei 2006 houdt in:

“(...) Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van onder andere de volgende vaststaande feiten en omstandigheden:

-

Verzoekers (rb: bedoeld zijn [verweerder2] en [verweerder1]) staan in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [adres2], vanaf 1978, onderscheidenlijk 9 januari 2004;

-

De (schoon)vader van verzoekers heeft op 9 februari 2006 schriftelijk verklaard dat verzoekers wonen op het adres [adres2];

-

Verzoekers hebben op 1 maart 2006 tijdens de hoorzitting van de Commissie bezwaarschriften (…) verklaard niets te betalen voor de inwoning op het adres [adres2], behoudens een bijdrage in de voedingsmiddelen;

-

De recreatiewoning is in maart 2004 door verzoekers aangekocht voor een bedrag van € 390.000,--;

-

De recreatiewoning heeft een oppervlakte van 135 m² en beschikt over vier slaapkamers, badkamer, sauna en zwembad;

-

Bij schrijven van 13 december 2004 hebben verzoekers verweerder (rb: bedoeld is het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente) verzocht hen een persoonsgebonden gedoogbeschikking ten behoeve van permanente bewoning van de recreatiewoning te verlenen;

-

Verzoekers hebben tijdens de hoorzitting op 1 maart 2006 verklaard dat zij elk weekend, de meeste vakanties en veel vrije tijd in de recreatiewoning door¬brengen;

-

De recreatiewoning is gelegen op 150 à 200 meter van de woning op het adres [adres2];

-

Op de recreatiewoning rust een hypotheek, waarvan de rente sinds 2004 tot en met heden wordt afgetrokken van de inkomstenbelasting;

-

Bij brief van 17 augustus 2001 heeft de voormalige Staatssecretaris van Financiën aan de vaste commissie van VROM en voor Financiën van de Tweede Kamer der Staten Generaal medegedeeld dat hypotheekrenteaftrek op grond van de Wet op de inkomstenbelasting alleen is toegestaan, indien de woning de belastingplichtige duurzaam als hoofdverblijf dient;

-

Vanaf februari 2004 tot oktober 2005 zijn visuele controles uitgevoerd door onderzoeksbureau MB-All. Op grond van de waarnemingen is gerapporteerd dat in het algemeen de indruk ontstond dat de recreatiewoning permanent werd bewoond, ook in de wintermaanden.

(…) Gezien het samenstel van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden heeft verweerder naar oordeel van de voorzieningenrechter zijn vermoeden van overtreden door verzoekers van de voorschriften van het voor het perceel geldende bestemmingsplan voldoende onderbouwd. Uit met name de (handhaving van) de hypotheekrenteaftrek, doch ook de visuele waarnemingen en de verklaringen omtrent de reden van de aankoop en gebruik van de recreatiewoning en de gestelde woonsituatie op de bovenverdieping van de woning op de [adres2], volgt het vermoeden dat de recreatiewoning (mede) voor permanente woondoeleinden wordt gebruikt of, zoals verweerder in de bezwaarfase heeft opgemerkt, dat dit leidt tot een vorm van permanente verblijfsrecreatie die niet past in het bestemmingsplan. Verzoekers hebben de juistheid van dit vermoeden weliswaar steeds ontkend, maar deze ontkenning naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met overtuigende feiten onderbouwd. Verweerder heeft dan ook minder waarde kunnen hechten aan de verklaringen van verzoekers zelf alsmede de schriftelijke verklaringen van hun (schoon)ouders, alsmede de overige door verzoekers aangevoerde feiten en omstandigheden. (…)”

2.5 [verweerder1] en [verweerder2] zijn tegen deze uitspraak niet in hoger beroep gegaan.

2.6 In de periode juni 2006 tot en maart 2007 hebben de controleurs van MB-All controles uitgevoerd aan de [adres] te Ouddorp. In deze periode hebben zij 44 controles uitgevoerd: 23 keer kwamen zij tot de conclusie dat de woning een bewoonde indruk maakte, eenmaal dat er geen bewoonde indruk was en 20 keer gaven zij aan dat de situatie onduidelijk was.

2.7 Op 5 februari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente een dwangbevel uitgevaardigd tot betaling van de verbeurde dwangsommen tot het maximum van € 25.000,- en de op de invordering gevallen kosten tot een bedrag van € 2.326,97. Dit dwangbevel is op 11 februari 2008 aan [verweerder1] en [verweerder2] betekend.

3 De vordering in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad het verzet gegrond te verklaren, het dwangbevel van 5 februari 2008 buiten effect te stellen en de gemeente te veroordelen in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [verweerder1] en [verweerder2] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [verweerder1] en [verweerder2] hebben aan de last tot beëindiging van de permanente bewoning gevolg gegeven. Zij hebben dus geen dwangsommen verbeurd.

3.2 Subsidiair is de handelwijze van de gemeente in strijd met haar verplichting zich jegens [verweerder1] en [verweerder2] te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid en/of is de invordering van de dwangsommen onder de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Hierbij is van belang:

a) de vaagheid en subjectiviteit van de bevindingen van MB-All;

b) de onwil van de gemeente om duidelijkheid te verschaffen over de vraag hoe [verweerder1] en [verweerder2] anders dan door verkoop van de woning zouden kunnen aantonen dat zij de woning niet permanent bewonen;

c) het gedoogbeleid ten aanzien van het buurpand;

d) de omvang van het bedrag in verhouding tot wat er feitelijk is vastgesteld.

3.3 [verweerder1] en [verweerder2] betwisten dat de gemeente invorderingskosten heeft gemaakt tot het gevorderde bedrag. Naast de betekening van het dwangbevel is er geen sprake geweest van deurwaardersactiviteiten.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [verweerder1] en [verweerder2] in de kosten van het geding.

De gemeente heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Met formele rechtskracht staat vast dat [verweerder1] en [verweerder2] in 2005 de recreatie¬woning permanent bewoonden en dusdoende in overtreding waren. Nadien heeft de overtreding voortgeduurd.

4.2 Die formele rechtskracht kan slechts in zeer uitzonderlijke situaties ter zijde worden geschoven. Een dergelijke situatie doet zich in dit geval niet voor. Voor zover [verweerder1] en [verweerder2] klagen over de inhoud van de dwangsomaanschrijving en/of opnieuw de eerder aangehaalde onderwerpen uit de bestuursrechtelijke procedure naar voren brengen, dienen deze argumenten te worden gepasseerd, voor zover daarop al is beslist.

4.3 [verweerder1] en [verweerder2] laten na te stellen waar zij thans elders permanent zijn gaan wonen en waaruit dat blijkt. Uitgaande van de vaststaande overtreding in 2006 en de visuele waarnemingen sindsdien, dient ervan worden uitgegaan dat de overtreding voortduurt. Het is aan [verweerder1] en [verweerder2] om dit uitgangspunt te ontkrachten door te stellen en aan te tonen dat zij elders permanent zijn gaan wonen en mitsdien de permanente bewoning van de recreatiewon[adres] hebben gestaakt.

4.4 In de verslagen van MB-All ziet de gemeente voldoende aanknopingspunten dat de permanente bewoning in de periode juni 2006 tot en met maart 2007 is voortgezet. Het blijft ongeloofwaardig dat [verweerder1] en [verweerder2] gezamenlijk, nadat zij in 2004 een verzoek voor een persoonsgebonden gedoogbeschikking indienden, thans hun permanente woon¬verblijf hebben op de bovenverdieping aan de [adres2] te Ouddorp dat daarvoor ongeschikt is, terwijl zij ongeveer 150 à 200 meter verderop een woning bezitten, die is voorzien van alle ruimte en luxe. Dat in de periode van bijna twee jaar de woning vier weken verhuurd is geweest, sluit niet uit dat [verweerder1] en [verweerder2] in overige 48 weken van het jaar permanent in deze woning (kunnen) wonen. Dat de woning als een beleggingsobject is aangeschaft, is niet aannemelijk. Uit de door [verweerder1] en [verweerder2] overgelegde belasting¬aangifte blijkt niet dat zij de hypotheekrente niet meer in aftrek brengen. Die aangifte is onvolledig.

4.5 Er is geen sprake van handelen in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid door de gemeente.

4.6 De deurwaarder is gerechtigd invorderingskosten bij de gemeente in rekening te brengen, met dien verstande dat hij verplicht is die kosten op [verweerder1] en [verweerder2] te verhalen.

5 De voorwaardelijke vordering in reconventie

De voorwaardelijke vordering luidt - verkort weergegeven - om [verweerder1] en [verweerder2] bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan de gemeente € 27.409,21 te voldoen met rente en kosten.

6 Het verweer in voorwaardelijke reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van de gemeente in de kosten van het geding.

7 De beoordeling

in conventie

7.1 [verweerder1] en [verweerder2] vorderen, kort samengevat, dat het dwangbevel buiten effect wordt gesteld. Daartoe stellen zij, voor zover van belang, dat zij na de uitspraak van de bestuursrechter d.d. 4 mei 2006 aan de last gevolg hebben gegeven. Zij hebben vanaf mei 2006 de hypotheekrente voor de woning niet meer in aftrek gebracht voor de inkomsten¬belasting. De veldcontroles van MB-All bevatten geen feiten of omstandigheden die de conclusie recht¬vaardigen dat [verweerder1] en [verweerder2] de recreatiewoning permanent bewonen. Hiermee betwisten [verweerder1] en [verweerder2] dat zij sinds mei 2006 de recreatiewon[adres] te Ouddorp nog als hoofdverblijf hebben gebruikt en daarmee de dwangsommen uit het dwangsombesluit hebben verbeurd, zoals de gemeente heeft gesteld.

7.2 De rechtbank stelt voorop dat in een executiegeschil als het onderhavige de verzetrechter zich ertoe dient te beperken de verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van het dwangsombesluit, eventueel zoals dit door uitleg moet worden vastgesteld. Het dwangsom¬besluit heeft ten opzichte van [verweerder1] en [verweerder2] formele rechtskracht gekregen. Op grond daarvan moet de burgerlijke rechter er in beginsel van uitgaan dat dit besluit zowel wat zijn wijze van totstandkoming als wat betreft zijn inhoud betreft in overeenstemming is met de wettelijke voorschriften en algemene rechtbeginselen.

7.3 Volgens de gemeente zijn [verweerder1] en [verweerder2] aan haar een bedrag van € 25.000,- ter zake van verbeurde dwangsommen verschuldigd omdat zij, zo stelt de gemeente, in strijd met de aan hen in het dwansombesluit gegeven last de recreatiewoning aan de [adres] te Ouddorp ook in de periode van mei 2006 tot en met maart 2007 als hoofdverblijf hebben gebruikt. Die grondslag brengt mee dat bij gemotiveerde betwisting door [verweerder1] en [verweerder2] uit de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat op de gemeente de last rust haar stelling te bewijzen dat [verweerder1] en [verweerder2] last de recreatiewoning aan de [adres] te Ouddorp ook in de periode van mei 2006 tot en met maart 2007 als hoofdverblijf hebben gebruikt.

7.4 Bij de beoordeling van deze vraag moet worden vooropgesteld dat aan bewijslevering door de gemeente geen al te hoge eisen gesteld kan worden, omdat [verweerder1] en [verweerder2] als eigenaren van de recreatiewoning zelf aan hun woonsituatie vorm geven en daarom beter in staat zijn daarover feitelijke gegevens te verschaffen dan de gemeente.

7.5 [verweerder1] en [verweerder2] hebben de stelling van de gemeente gemotiveerd betwist.

7.6 Ten opzichte van de situatie ten tijde van de uitspraak van de bestuursrechter is een aantal wijzigingen opgetreden. Zo moet worden vastgesteld dat [verweerder1] en [verweerder2] sedertdien de hypotheekrente niet meer in aftrek brengen voor hun inkomstenbelasting. De rechtbank ziet namelijk - anders dan gemeente - geen aanleiding om er aan te twijfelen dat de ter gelegenheid van de comparitie van partijen overgelegde kopie van de aangifte inkomsten¬belasting overeenstemt met het origineel zoals dat bij de belastingdienst is ingediend. Voorts staat onweersproken vast dat [verweerder1] en [verweerder2] de recreatiewoning bij de VVV voor verhuurdoeleinden hebben aangeboden en dat de woning in de betreffende periode een paar keer verhuurd is geweest (zij het dat onduidelijk is gebleven hoe vaak precies dit het geval is geweest). Tegenover deze feiten leggen de resultaten van de veldcontroles door MB-All, de kleine behuizing aan de [adres2] en de afstand van die woning tot aan de recreatie¬woning voorlopig onvoldoende gewicht in de schaal om tot het oordeel te kunnen komen dat de gemeente het bewijs heeft geleverd. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat aan dat bewijs niet al te hoge eisen gesteld mag worden. Voorts wordt hierbij in aanmerking genomen dat de bestuursrechter heeft geoordeeld dat op basis van de in haar uitspraak gememoreerde feiten en omstandig¬heden (hierboven in 2.4 weergegeven) de gemeente het vermoeden voldoende heeft onder¬bouwd dat [verweerder1] en [verweerder2] de planvoorschriften hebben overtreden. De bestuurs¬rechter spreekt dus van een vermoeden; zij heeft niet vastgesteld dat van permanente bewoning sprake was. Daarbij is onduidelijk gebleven of de constateringen door MB-All in de periode voorafgaand aan de dwangsom¬beschikking (en waarmee dus de bestuursrechter rekening heeft gehouden) van gelijke inhoud en strekking zijn geweest als de constateringen op basis waarvan thans wordt gesteld dat de permanente bewoning niet is gestaakt.

7.7 De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen, teneinde de gemeente in de gelegenheid te stellen aan te geven of, en zo ja op welke wijze, zij wil bewijzen dat [verweerder1] en [verweerder2] de recreatiewoning aan de [adres] te Ouddorp in de periode mei 2006 tot en met maart 2007 permanent hebben bewoond. Indien zij bewijs wil bij¬brengen door middel van schriftelijke bescheiden, wordt van haar verwacht dat zij dat bij diezelfde gelegenheid doet. [verweerder1] en [verweerder2] kunnen bij antwoordakte desgewenst reageren. In afwachting van deze aktewisseling houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

in (voorwaardelijke) reconventie

7.8 Niet gesteld of gebleken is dat een formeel gebrek aan de executie van het dwangbevel in de weg staat. Voor het overige is de vordering in reconventie onvoldoende onderbouwd. Deze vordering ligt daarom voor afwijzing gereed. Bij eindvonnis zal de gemeente als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

8 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol voor het nemen van een akte door de gemeente als bedoeld in overweging 7.7 van dit vonnis;

in reconventie

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren.

Uitgesproken in het openbaar.

336