Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG7493

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
10/602058-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega-zaak. Handel in versnijdingsmiddelen.

Artikel 10 en 10a van de Opiumwet.

Artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering, schending doorlaatverbod.

Gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zittinghoudende te Dordrecht

Sector strafrecht

parketnummer: 10/602058-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 december 2008

tegenspraak

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren in 1966,

wonende te

thans gedetineerd in de P.I. Flevoland, HvB ‘Lelystad’, te Lelystad.

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de

vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren

heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2003 tot en met 4 februari 2008

te Venhuizen (gemeente Drechterland) en/of Blokker (gemeente Hoorn) en/of

Grosthuizen (gemeente Koggenland) en/of Heerhugowaard en/of Diemen en/of

Amsterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, om een feit als bedoeld

- in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (in de periode van

11 juni 2003 tot en met 30 juni 2006) en

- in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (in de periode van

1 juli 2006 tot en met 4 februari 2008)

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne

en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen en/of voorwerpen en/of (vervoer)middelen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een of meermalen

- een of meer hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 17.275 kilogram) paracetamol

en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of procaïne en/of mannitol en/of inositol

en/of fenacetine en/of (andere) (versnijdings)middelen (bestemd

voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of

cocaïne) (al dan niet via het bedrijf MWF bij de

(farmaceutische) bedrijven Biesterveld en/of Burmester en/of Alcapharm)

besteld en/of ingekocht en/of vervoerd en/of voorhanden gehad en/of

opgeslagen en/of

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen

gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen,

betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne en/of lidocaïne

en/of procaïne en/of mannitol en/of inositol en/of fenacetine en/of die

(andere) versnijdingsmiddelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken

en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) zouden/konden worden besteld

en/of gekocht en/of vervoerd en/of verkocht en/of geleverd en/of verstrekt

en/of gebruikt en/of vermengd en/of

- een of meer hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 16.600 kilogram) paracetamol

en/of cafeïne en/of lidocaïne en/of procaïne en/of mannitol en/of inositol

en/of fenacetine en/of (andere) (versnijdings)middelen

(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne

en/of cocaïne) vervoerd naar en/of verkocht en/of verstrekt en/of

overgedragen aan Y.T. en/of K.A. en/of H.S. en/of

E.S en/of E.S. en/of V.P. en/of B.H. en/of

S.D. en/of een of meer andere (onbekend gebleven) personen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2007 tot en met 4 februari 2008

te Diemen en/of Weesp en/of Blokker (gemeente Hoorn) en/of Amsterdam en/of

elders in Nederland en/of in Spanje tezamen en in vereniging met A.P.

O. en/of een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld

in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het

opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken,

vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van

een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne en/of

cocaïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen en/of voorwerpen en/of (vervoer)middelen en/of gelden en/of andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes

mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die

bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en) en/of

- zich en/of een of meer anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen

tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen en/of

- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen,

te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te

zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) een of meermalen

- een of meer hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 1300 kilogram) paracetamol

en/of cafeïne en/of (andere) (versnijdings)middelen (bestemd voor het

versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) (al dan

niet via het bedrijf T.A..I. bij de (farmaceutische)

bedrijven Biesterveld en/of Alcapharm) besteld en/of (in)gekocht en/of

vervoerd en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen en/of

- afspraken gemaakt en/of ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en/of besprekingen en/of onderhandelingen

gevoerd met en/of inlichtingen en/of aanwijzingen en/of opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en/of een of meer anderen;

3.

hij op of omstreeks 5 februari 2008 te Venhuizen (gemeente Drechterland) en/of Blokker (gemeente Hoorn), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel

10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen,

stoffen en/of voorwerpen en/of middelen voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige

redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen

van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in / bij perceel

[adres medeverdachte V.] (ongeveer) 225 kilogram, althans een hoeveelheid

paracetamol en/of (ongeveer) 175 kilogram, althans een hoeveelheid cafeïne

en/of (ongeveer) 50 kilogram, althans een hoeveelheid inositol en/of (andere)

(versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of

verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad;

4.

hij in of omstreeks de periode van 5 februari 2008 tot en met 11 februari 2008

te Heerhugowaard en/of Blokker (gemeente Hoorn), in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het

vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer

hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk

geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor

te bereiden en/of te bevorderen,

stoffen en/of voorwerpen en/of middelen voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige

redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen

van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in / bij

transport- en opslagbedrijf Beentjes te Heerhugowaard (ongeveer) 75

kilogram, althans een hoeveelheid paracetamol en/of (ongeveer) 75 kilogram,

althans een hoeveelheid cafeïne en/of (ongeveer 25 kilogram, althans een hoeveelheid procaïne en/of (ongeveer) 50 kilogram, althans een hoeveelheid inositol en/of (andere) (versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad;

5.

hij op of omstreeks 5 februari 2008 te Diemen en/of Blokker (gemeente Hoorn),

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel

10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen,

stoffen en/of voorwerpen en/of middelen voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige

had(den) te vermoeden, dat dat/ redenen die bestemd was/waren tot het plegen

van dat/die feit(en)

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) in (een)

opslagbox van Shurgard Self Storage (gelegen aan de

Sniep 21) te Diemen (ongeveer) 175 kilogram, althans een hoeveelheid

paracetamol en/of (ongeveer) 150 kilogram, althans een hoeveelheid cafeïne

en/of (andere) (versnijdings)middelen (bestemd voor het versnijden en/of

bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard nu sprake is van overtreding van het doorlaatverbod dat in artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gegeven, subsidiair verzoekt hij in verband met deze overtreding strafvermindering. De raadsman voert hiertoe ondermeer aan dat verdachte onder het toeziend oog en naast het meeluisterend oor van de recherche gedurende vier maanden vele malen versnijdingsmiddelen heeft afgeleverd zonder dat hij of de afnemers zijn aangehouden. Naar aanleiding van omschreven verweer van de raadsman overweegt de rechtbank het volgende.

De Hoge Raad heeft op 2 juli 2002 (NJ 2002,602) nadrukkelijk bepaald dat uit de tekst en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 126 ff Sv niet blijkt dat die bepaling in het leven is geroepen in het belang van een verdachte. De verdachte, van wie dus geen rechtens te beschermen belang in het geding is, kan zich niet op de niet juiste naleving van het verbod op doorlating beroepen voor zijn betoog dat de officier van justitie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. De wetgever beschouwt het verbod van doorlaten vooral als een norm die binnen het Openbaar Ministerie moet worden gehandhaafd. Bij het overtreden van het verbod zouden bijvoorbeeld disciplinaire sancties kunnen volgen, maar deze reactie heeft geen gevolgen voor de positie van een verdachte.

De raadsman heeft aangegeven dat hij op de hoogte is van voornoemde uitspraak van de Hoge Raad, maar is van mening dat het onderhavige geval toch anders ligt en dat een sanctie als verzocht toch op zijn plaats is. Hij voert hiertoe aan dat in dit geval sprake is van een zodanig stelselmatige en langdurige schending van het doorlaatverbod dat er sprake is van zeer fundamentele inbreuken door met opsporing en vervolging belaste ambtenaren op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor weliswaar het belang van de verdachte niet wordt geschaad, maar wel het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Voorts voert hij aan dat de politie, in strijd met de algemene taakstelling van de politie als vervat in artikel 2 Politiewet in de kern is geschonden doordat in dit geval van heterdaad niet direct is ingegrepen.

In het door de raadsman aangevoerde ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het door de Hoge Raad bepaalde, zoals hiervoor weergeven. Als er al sprake zou zijn van het overtreden van het doorlaatverbod, dan nog kan dat niet in het belang van de verdachte doorwerken als verzocht. De verdachte heeft er in dit geval voor gekozen om gedurende langere tijd strafbare feiten te plegen. Het kan nu niet zo zijn dat hij geen of minder straf moet krijgen omdat de politie hem daar niet van heeft weerhouden. Zoals al hiervoor geschreven, heeft een eventuele overtreding van het verbod geen gevolgen voor de (zelfgekozen) positie van verdachte.

Nu bij het onderzoek ter terechtzitting ook overigens geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan, is de officier van justitie ontvankelijk in haar vervolging.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - het ten laste gelegde onder feit 1 tot en met 5 bewezen achtend - gevorderd aan verdachte op te leggen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht. De vordering ter terechtzitting is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte

1.

in de periode van 11 juni 2003 tot en met 4 februari 2008

te Venhuizen (gemeente Drechterland) en Blokker (gemeente Hoorn) en

Grosthuizen (gemeente Koggenland) en Heerhugowaard en Diemen en

Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen om een feit

als bedoeld

- in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (in de periode van

11 juni 2003 tot en met 30 juni 2006) en

- in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (in de periode van

1 juli 2006 tot en met 4 februari 2008)

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne

en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen en voorwerpen en (vervoer)middelen en gelden en andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes

mededader wisten, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) meermalen

- hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 14.950 kilogram) paracetamol

en cafeïne en lidocaïne en procaïne en fenacetine (bestemd

voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of

cocaïne) via het bedrijf MWF bij de

(farmaceutische) bedrijven Biesterfeld en Burmester en Alcapharm)

besteld en opgeslagen en

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en besprekingen en onderhandelingen

gevoerd met en inlichtingen en aanwijzingen en opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en anderen, betreffende de wijze waarop die

paracetamol en cafeïne en lidocaïne en procaïne en fenacetine (bestemd

voor het versnijden en bewerken en verwerken van heroïne en cocaïne)

zouden/konden worden besteld en gekocht en vervoerd en geleverd en

- hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 14.375 kilogram) paracetamol

en cafeïne en lidocaïne en procaïne en fenacetine (bestemd voor het

versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd

naar en verkocht en overgedragen aan Y.T. en K.A. en H.S. en E.S. en E.S. en

V.P. en B.H. en S.D.

2.

in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 4 februari 2008

te Diemen en Weesp, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne en/of

cocaïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende

lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist, dat die

bestemd waren tot het plegen van die feiten

hebbende verdachte meermalen

- hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 1300 kilogram) paracetamol

en cafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) (al dan niet via het bedrijf T.A.I. bij de (farmaceutische)

bedrijven Biesterfeld en Alcapharm) besteld en (in)gekocht en

vervoerd en voorhanden gehad en opgeslagen en

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en besprekingen en inlichtingen en aanwijzingen gegeven

aan een ander;

3.

op 5 februari 2008 te Venhuizen (gemeente Drechterland), tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel

10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen,

stoffen voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten, dat die bestemd waren tot het plegen

van die feiten hebbende verdachte en zijn mededader in / bij perceel

[adres medeverdachte V.] (ongeveer) 225 kilogram paracetamol en (ongeveer) 175 kilogram cafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad;

4.

in de periode van 5 februari 2008 tot en met 11 februari 2008

te Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het

vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer

hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk

geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor

te bereiden en/of te bevorderen,

stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader wisten

dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten

hebbende verdachte en zijn mededader bij transport- en opslagbedrijf Beentjes te Heerhugowaard (ongeveer) 75 kilogram paracetamol en (ongeveer) 75 kilogram cafeïne en (ongeveer) 25 kilogram procaïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad;

5.

op 5 februari 2008 te Diemen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel

10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen,

stoffen voorhanden heeft gehad,

waarvan verdachte wist dat die bestemd waren tot het plegen

van die feiten

hebbende verdachte in een opslagbox (nummer 4019) van Shurgard Self Storage (gelegen aan de Sniep 21) te Diemen (ongeveer) 175 kilogram paracetamol en (ongeveer) 150 kilogram cafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) voorhanden gehad.

Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverweging

Allereerst overweegt de rechtbank dat volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet van

4 september 1985 tot nadere wijziging van de Opiumwet (Stb. 1985,495) ter verruiming van het verkrijgen van bewijs in het kader van de Opiumwet, als zelfstandig misdrijf strafbaar is gesteld “handelingen welke beogen de handel in heroïne en andere drugs met onaanvaardbaar risico voor te bereiden of te bevorderen”.

De bedoeling van de wetgever met het ontwerpen van artikel 10a Opiumwet was (aldus AG Machielse t.g.v. HR 08-10-2002, 01678/01) om beter grip te krijgen op de winstgevende handel in harddrugs. De wetgever heeft daarom in artikel 10a Opiumwet voorbereidingshandelingen ten aanzien van een zeer ruim arsenaal aan zaken strafbaar willen stellen.

Het gaat, aldus de Memorie van Toelichting, in artikel 10a, lid 1 onder ten derde van de Opiumwet om stoffen waarvan een verdachte weet, of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, dan wel niet of nauwelijks voor een ander doel kunnen worden toegepast. Die bestemming zal uit alle ter zake relevante omstandigheden kunnen worden afgeleid.

In dit verband overweegt de rechtbank dat stoffen als paracetamol, cafeïne, lidocaïne, procaïne, mannitol, inositol en fenacetine, naast (mogelijk) legale toepassingen, ook gebruikt (kunnen) worden als versnijdingsmiddel bij de bereiding en bewerking van harddrugs in het illegale circuit. Uit onderzoeken van o.a. het Nederlands Forensisch Instituut is komen vast te staan dat in monsters cocaïne versnijdingsmiddelen als mannitol, inositol, fenacetine, cafeïne, lidocaïne en procaïne worden aangetroffen. Fenacetine komt het meeste voor.

Daaraan kan worden toegevoegd, aldus drs. W. Best, apotheker-toxicoloog en werkzaam als senior-inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg te Den Haag, in zijn verklaring als getuige bij politie en de rechter-commissaris, dat het middel fenacetine uit de handel is gehaald en tegenwoordig alleen nog gebruikt wordt als versnijdingsmiddel voor harddrugs.

Lidocaïne en procaïne horen, aldus de getuige Best, zeker niet thuis in een headshop en worden de laatste tijd daar ook niet meer aangetroffen. Indien deze stoffen wel worden aan-getroffen duidt dit, aldus getuige Best, op gebruik als versnijdingsmiddel als bedoeld in de Opiumwet.

Uit de diverse NFI-onderzoeken blijkt voorts dat in monsters heroïne vaak de versnijdings-middelen paracetamol en cafeïne worden aangetroffen. De combinatie van paracetamol en cafeïne is het meest gebruikelijke versnijdingsmiddel voor heroïne.

Ook volgens de jurisprudentie ter zake is het (inmiddels) een feit van algemene bekendheid dat middelen als paracetamol en cafeïne, al dan niet vermengd met kleurstof, een veel gezien versnijdingsmiddel is voor heroïne. Volgens de HR (LJN: AE5613, 01678/01) moet (dan ook) worden aangenomen dat onder het begrip “stoffen” als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Opiumwet mede zijn begrepen stoffen die gebruikt kunnen worden voor de versnijding van harddrugs.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft bekend samen met medeverdachte V. over een periode van bijna vijf jaren op grote schaal de stoffen inositol, procaïne, paracetamol, cafeïne, lidocaïne en fenacetine te hebben verhandeld. Deze stoffen werden betrokken van diverse farmaceutische bedrijven in binnen- en buitenland. Medeverdachte V. deed dit ten name van zijn bedrijf [naam bedrijf], een onderneming die wat betreft activiteiten niets met farmaceutische producten te maken heeft. Verdachte heeft evenmin een farmaceutische achtergrond en gebruikte de handel in genoemde middelen als een welkome bijverdienste naast zijn gewone werk. Met medeverdachte de V. werden in versluierde taal telefoongesprekken gevoerd over bestellingen en afleveringen ten einde te trachten deze activiteiten voor derden af te schermen. Betalingen door afnemers vonden cash plaats en van administratie door verdachte van zijn handelsactiviteiten was niet of nauwelijks sprake.

Daar komt nog het volgende bij. Verdachte is eerder veroordeeld tot een langdurige gevangenisstraf wegens handel in versnijdingsmiddelen als thans in geding. Direct na het uitzitten van deze straf heeft verdachte, samen met medeverdachte V. in 2003 contact gehad met zijn advocaat met het verzoek aan te geven hoe je legaal in genoemde stoffen kunt handelen en waar de grens met de Opiumwet ligt. Daaruit resulteerde diverse afspraken tussen verdachte, medeverdachte V. en medeverdachte A. (eigenaar van een headshop) over levering van stoffen aan medeverdachte A. Uit de verklaring van verdachte en die van medeverdachte V. blijkt dat zij na die afspraak stoffen aan medeverdachte A. zijn gaan leveren die voor een groot deel in redelijkheid alleen waren toe te passen als versnijdingsmiddel voor heroïne of cocaïne en die door medeverdachte A. dus ook met die bestemming aan derden zijn verkocht, althans had medeverdachte A. op zijn minst moeten vermoeden dat zijn afnemers er die bestemming aan zouden gaan geven.

Daarnaast werden grote hoeveelheden van de genoemde stoffen aan particulieren geleverd. Deze leveringen betroffen voornamelijk Turkse afnemers. De hoeveelheid transacties van de stoffen die aan hen werden verkocht vormden weldra een veelvoud van de leveringen aan medeverdachte A. Verdachte weerspreekt niet dat de praktijk was dat alleen van leveringen aan medeverdachte A. facturen werden opgesteld en dat facturen aan andere afnemers ontbreken.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de stoffen die hij in- en verkocht gebruikt kunnen worden als versnijdingsmiddel voor harddrugs. Ondanks deze kennis is hij, zo verklaart hij bij de politie, met deze handel doorgegaan. Ook heeft hij toegegeven dat hij wel dacht dat de stoffen die hij aan medeverdachte A. verkocht door deze werden gebruikt om te vermengen met cocaïne en heroïne.

Gelet op het hiervoor overwogene kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte handelde met het opzet om een feit van artikel 10 Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

De rechtbank is niet tot de conclusie kunnen komen dat dit ook dient te gelden voor de stoffen inositol en mannitol, welke stoffen eveneens door verdachte en medeverdachte de V. aan medeverdachte A. geleverd zijn. De rechtbank slaat daarbij acht op de verklaring bij politie en de rechter-commissaris van de hiervoor genoemde getuige drs. W. Best, apotheker-toxicoloog, en de informatie uit NFI-onderzoek. waaruit blijkt dat inositol en mannitol - naast legale toepassingen - ook gebruikt (kunnen) worden als versnijdingsmiddel bij de bereiding en bewerking van harddrugs. Het feit dat deze middelen in headshops worden aangetroffen wil echter niet zonder meer zeggen dat deze middelen dan ook gebruikt zullen worden als versnijdingsmiddel. Het is voor de rechtbank in casu niet duidelijk kunnen worden dat de aan medeverdachte A. geleverde inositol en mannitol met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestemd waren om als versnijdingsmiddel in harddrugs te worden gebruikt.

5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het bewezenverklaarde levert op:

FEIT 1:

MEDEPLEGEN VAN: OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET DERDE EN VIERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN VOORWERPEN EN STOFFEN EN VERVOERMIDDELEN EN GELD EN ANDERE BETAALMIDDELEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT, MEERMALEN GEPLEEGD;

en

MEDEPLEGEN VAN: OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE EN VIJFDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN VOORWERPEN EN STOFFEN EN VERVOERMIDDELEN EN GELD EN ANDERE BETAALMIDDELEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT, MEERMALEN GEPLEEGD;

FEIT 2:

OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE EN VIJFDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN STOFFEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT, MEERMALEN GEPLEEGD;

FEIT 3 en FEIT 4, telkens:

MEDEPLEGEN VAN: OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE EN VIJFDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN STOFFEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT;

FEIT 5:

OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE EN VIJFDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN STOFFEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terecht-zitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Medio 2007 kwam bij de politie een melding binnen van een transportbedrijf dat ten name van het bedrijf [naam bedrijf] leveringen van honderden kilo’s paracetamol en cafeïne plaatsvonden. Deze leveringen werden door MWF opgehaald met steeds verschillende auto’s en door steeds verschillende mensen. Sinds oktober 2006 bleek het te gaan om 19 leveringen van honderden kilo’s per keer. Men vond het opvallend dat een bedrijf dat zich bezighield met mediation dergelijke stoffen en in die hoeveelheden nodig had. Navraag door de politie bij de Inspectie voor de Volksgezondheid leerde bovendien dat voor particulier gebruik geen zinnige toepassingen voor dergelijke grote partijen paracetamol en cafeïne in poedervorm te bedenken zijn.

Uit het onderzoek dat volgde kwam naar voren dat over een periode van enkele jaren grote hoeveelheden versnijdingsmiddelen - voornamelijk paracetamol en cafeïne - werden betrokken van enkele farmaceutische bedrijven in binnen- en buitenland en dat verdachte en medeverdachte de V. een netwerk van afnemers voor deze middelen hadden opgezet. Deze afnemers waren - naast een headshop - hoofdzakelijk particulieren die met enige regelmaat hoeveelheden van tientallen tot honderden kilo’s paracetamol, cafeïne, lidocaïne, procaïne en fenacetine per bestelling geleverd kregen. Uiteindelijk is komen vast te staan dat het ging over circa 14.950 kg. Daarvan is ongeveer 14.375 kg verkocht aan de diverse afnemers. De overige stoffen zijn aangetroffen bij doorzoeking van verschillende locaties in beheer bij verdachte en/of diens medeverdachte de V.

Verdachte speelde een centrale rol in deze handel. Hij bouwde een bestand aan particuliere afnemers op, regelde het transport en zorgde voor opslag van de aangekochte stoffen voor aflevering aan de afnemers. Samen met medeverdachte de V. verhandelde verdachte zeer grote hoeveelheden versnijdingsmiddelen. Ook maakte hij samen met medeverdachte S. en medeverdachte A. afspraken voor leveringen van diverse stoffen aan de headshop van medeverdachte A.. Bovendien heeft hij medeverdachte O. ingeschakeld ten einde via diens onderneming hem enkele grote partijen paracetamol en cafeïne te doen leveren. Het ging daarbij om circa 700 kg paracetamol en 600 kg cafeïne. Hij wist wat hij deed en heeft welbewust het risico genomen dat de mede door hem geleverde zeer grote hoeveelheid stoffen, als versnijdingsmiddel in verdovende middelen als cocaïne en heroïne terecht zou komen.

Verdachte was bovendien een meer dan gewaarschuwd man. Verdachte had net een langdurige gevangenisstraf uitgezeten (30 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk) voor handel in versnijdingsmiddelen als thans in geding. Dat verdachte, amper vrij, aan-sluitend doorgaat met zijn handel in deze middelen rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Het handelen van verdachte is hem ernstig te verwijten. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de handel in het gebruik van verdovende middelen gepaard gaat met veel overlast en allerlei vormen van criminaliteit. Bovendien kleven er aan het gebruik van verdovende middelen veel risico's voor de volksgezondheid. Verdachte heeft zich hier niets van aangetroffen. Het liet hem koud en hij was kennelijk (opnieuw) samen met anderen uit op eigen gewin ten koste van anderen.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat met name rekening met de centrale rol die verdachte speelde, de zeer grote hoeveelheid stoffen die werd verhandeld en de lange periode waarin dat gebeurde.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat verdachte detentieongeschikt zou zijn.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.2.1 De teruggave

De rechtbank gelast de teruggave van de in beslag genomen, aan verdachte toebehorende, goederen, te weten: een geheugenkaart, een cd-rom, een pas en een brief (volgnummers 8, 9, 11 en 15).

7.2.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank gelast de verbeurdverklaring van de in beslag genomen, aan verdachte toebehorende, goederen onder de volgnummers 5, 6, 7, 10, 12, 13 en 14, nu deze voorwerpen zijn gebruikt bij en betrekking hebben op de strafbare feiten, waarvoor verdachte wordt veroordeeld.

7.2.3 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank gelast de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, aan verdachte toebehorende, goederen onder de volgnummers 3 en 4, nu het ongecontroleerd bezit van deze voorwerpen in strijd is met de wet en het algemeen belang, deze bij gelegenheid van het onderzoek zijn aangetroffen en kunnen dienen tot de voorbereiding van soortgelijke feiten als waarvoor verdachte wordt veroordeeld.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde gegrond op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10, 10 (oud) en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIJF (5) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

* gelast de teruggave aan X van:

8. 2.00 STK Kaart, ibsnr.Bl-A-0-ll-5-3 (geheugenkaart)

9. 1.00 STK Cd-Rom, ibsnr.B1-A-0-ll-6-1 (cd-rom)

11. 1.00 STK Pas, ibsnr.Bl-A-O-ll-6-1 (royal caribianinternational pas)

15. 1.00 STK Brief, ibsnr. B3-0-l-0-3(brief geadresseerd aan Shainalal Fashion)

* gelast de verbeurdverklaring van:

5 1.00 STK GSM zaktelefoon, ibsnr.B1-A-0-2-3-4-2 (gsm zonder simkaart)

6 1.00 STK GSM zaktelefoon NOKIA, ibsnr.B1-A-2-l-1-3-1 (met oplader)

7 1.00 STK GSM zaktelefoon NOKIA, ibsnr.Bl-A-0-2-l-2-2

10 2.00 STK Simkaart, ibsnr.B1-A-0-ll-6-1

12 1.00 STK Vuilniszak Kl:grijs, ibsnr. B-2-l (vanuit kofferbak)

13 1.00 STK Vuilniszak Kl:grijs ibsnr.B-2-2 (vanuit kofferbak)

14 1.00 STK Vuilniszak Kl:blauw, ibsnr.B-2-3 (bij reservewiel kofferbak)

* gelast de onttrekking aan het verkeer:

3 1.00 STK Plastic zak, ibnnr.Bl-A-2-I-l-5 (plastic zakje inhoudend wit poeder)

4 1.00 STK Plastic zak, ibsnr.Bl-A-0-2-5-5-2, plastic zakje inhoudend wit poeder

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. A.P. Hameete en mr. M.E.I. Beudeker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange,griffier,en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2008.