Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG7481

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
10/602051-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6762, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mega-zaak. Handel in versnijdingsmiddelen. Artikel 10 en 10a van de Opiumwet.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim viereneenhalf jaar bijna vijftien duizend kilogram versnijdingsmiddelen verhandeld. Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Verweer van raadsman dat rechtbank niet bevoegd is, wordt door de rechtbank verworpen.

Verweer van raadsman dat handel in bepaalde stoffen niet strafbaar is, wordt door de rechtbank verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zittinghoudende te Dordrecht

Sector strafrecht

parketnummer: 10/602051-07

verkort vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 december 2008

tegenspraak

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] in 1948,

wonende te [adres en woonplaats].

De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht.

1. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding is omschreven en zoals deze ter terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Kopieën van de dagvaarding en de vorderingen zijn als bijlagen 1 en 1A aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit.

2. De voorvragen

2.1 De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

2.2 De bevoegdheid van de rechtbank

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is namens verdachte aangevoerd dat de rechtbank niet bevoegd is om van de onder 5. ten laste gelegde feiten kennis te nemen, nu zij zitting houdt te Dordrecht, terwijl Dordrecht niet op de bij wet voorgeschreven wijze als haar nevenzittingsplaats is aangewezen.

De rechtbank verwerpt dit verweer omdat het niet steunt op de daartoe gestelde feitelijke grondslag.

Verdachte is gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam. Ingevolge artikel 40, tweede lid van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO) zijn rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast in een rechtbank van rechtswege rechter-plaatsvervanger in de overige rechtbanken. Dat betekent dat een rechterscombinatie van de rechtbank Dordrecht bevoegd is zaken, als meervoudige strafkamer van de rechtbank Rotterdam, te behandelen. Ingevolge artikel 41,

tweede lid RO kunnen bij algemene maatregel van bestuur nevenzittingsplaatsen worden aangewezen. In dit kader zijn van belang het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen van 10 december 2001, het besluit van 17 juni 2004 tot wijziging van het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen en enkele andere besluiten in verband met een betere benutting van de zittingscapaciteit en het aanwijzingsbesluit nevenzittingsplaatsen megastrafzaken van 1 juli 2004 (gepubliceerd in de Staatscourant van 1 juli 2004, nr. 123 / pag. 12). Op grond van artikel 3 van het onder c. genoemde aanwijzingsbesluit, gelezen in samenhang met de besluiten genoemd onder a. en b., kan de Rotterdamse rechtbank in Dordrecht zitting houden. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2006, LJN AZ3828.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat, indien Dordrecht voor deze zaak ten onrechte als nevenzittingsplaats zou zijn aangewezen, daaraan in dit geval niet het gevolg zou behoeven worden te verbonden als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Verdachte heeft immers niet gesteld dat en op wat voor manier hij daardoor dan in zijn verdedigingsbelangen zou zijn geschaad en de rechtbank heeft daartoe zelf ook geen aanwijzingen gevonden.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten en/of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

2.4 De schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken.

3. Het onderzoek ter terechtzitting

3.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – alle ten laste gelegde feiten bewezen achtend – gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan twee jaren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Een kopie van deze vordering ter terechtzitting is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

3.2 De verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot feit 1, 2 en 3 vrijspraak bepleit en heeft subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. Met betrekking tot feit 4 is een strafmaatverweer gevoerd.

4. De bewijsbeslissingen

4.1De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 11 juni 2003 tot en met 4 februari 2008

te Venhuizen (gemeente Drechterland) en Blokker (gemeente Hoorn) en

Grosthuizen (gemeente Koggenland) en Heerhugowaard en

Amsterdam en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met

Anderen om een feit als bedoeld

- in het derde of vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (in de periode van

11 juni 2003 tot en met 30 juni 2006) en

- in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet (in de periode van

1 juli 2006 tot en met 4 februari 2008)

te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

brengen van een of meer hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne

en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

- stoffen en voorwerpen en (vervoer)middelen en gelden en andere

betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes

mededaders wisten, dat die

bestemd waren tot het plegen van die feiten,

hebbende verdachte en/of (een of meer) van zijn mededader(s) meermalen

- hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 14.950 kilogram) paracetamol

en cafeïne en lidocaïne en procaïne en fenacetine (bestemd voor het

versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne)

(via het bedrijf MWF bij de (farmaceutische) bedrijven Biesterfeld en

Burmester en Alcapharm)

besteld en ingekocht en vervoerd en voorhanden gehad en

opgeslagen en

- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en (al dan niet in versluierd

taalgebruik) telefoongesprekken en besprekingen en onderhandelingen

gevoerd met en inlichtingen en aanwijzingen en opdrachten gegeven

aan zijn mededader(s) en anderen,

betreffende de wijze waarop die paracetamol en cafeïne en lidocaïne

en procaïne en fenacetine (bestemd voor het versnijden en bewerken

en verwerken van heroïne en cocaïne) zouden/konden worden besteld

en gekocht en vervoerd en geleverd en

- hoeveelheden (in totaal -ongeveer- 14.375 kilogram) paracetamol

en cafeïne en lidocaïne en procaïne en fenacetine

(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne

en/of cocaïne) vervoerd naar en verkocht en overgedragen aan Y.T. en K.A en

H.S. en E.S en E.S. en V.P. en B. H. en S.D.;

2.

in de periode van 5 februari 2008 tot en met 11 februari 2008

te Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een

ander om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde

lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden,

bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen

en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een of meer

hoeveelheden (van een materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk

geval (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor

te bereiden en/of te bevorderen,

stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader

wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten

hebbende verdachte en zijn mededader bij

transport- en opslagbedrijf Beentjes te Heerhugowaard (ongeveer) 75

kilogram paracetamol en(ongeveer) 75 kilogram cafeïne en (ongeveer)

25 kilogram procaïne en (ongeveer) 50 kilogram

inositol (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en

cocaïne) voorhanden gehad;

3.

op 5 februari 2008 te Venhuizen (gemeente Drechterland)

tezamen en in vereniging met een ander

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel

10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken,

verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het

grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (van een

materiaal bevattende) heroïne en/of cocaïne, in elk geval (een) middel(en)

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te

bevorderen,

stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader

wisten dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten

hebbende verdachte en zijn mededader in / bij [adres verdachte]

(ongeveer) 225 kilogram

paracetamol en (ongeveer) 175 kilogram cafeïne

(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of

verwerken van heroïne en cocaïne) voorhanden gehad;

4.

in de periode van 26 november 2007 tot en met 28 november

2007 te Venhuizen, gemeente Drechterland

een fax / brief van de Kamer van Koophandel -zijnde een geschrift dat bestemd

was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt

immers heeft verdachte toen en daar valselijk

- die fax/brief opgemaakt en geschreven (alsof het een door iemand die

bevoegd was namens de Kamer van Koophandel op te treden opgemaakte en

geschreven fax / brief was) en

- die fax/brief ondertekend/voorzien van een handtekening (als ware die

handtekening afkomstig van iemand die bevoegd was namens de Kamer van

Koophandel te tekenen,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

en

op 28 november 2007 te Venhuizen, gemeente Drechterland

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een

vervalste fax/brief van de Kamer van Koophandel -zijnde een geschrift dat

bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- als ware dat geschrift

echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die

fax/brief heeft verzonden/gefaxt naar een in Duitsland gevestigde firma

Biesterfeld ter onderbouwing van een bestelling versnijdingsmiddelen.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4.2 De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De rechtbank bezigt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts voor het bewijs van het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De rechtbank bezigt de inhoud van de geschriften als bedoeld in artikel 344, lid 1 sub 5° van het Wetboek van Strafvordering alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen.

4.3 Nadere bewijsoverwegingen

De raadsman heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat er bij verdachte geen sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, zich bezig te houden met middelen die mogelijk voor het versnijden van harddrugs zouden kunnen worden gebruikt. Integendeel, verdachte heeft juist, aldus de raadsman, door zich te beperken tot professionele handel met de headshop van medeverdachte A., gemeend op legale manier bezig te zijn.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het voorhanden hebben en het handelen in de stoffen die in de tenlastelegging zijn genoemd als zodanig niet strafbaar is. Deze stoffen zijn gangbaar voor zelfmedicatie of als (voedings)supplementen. Ander gebruik was, aldus de raadsman, wat verdachte betreft, in het geheel niet aan de orde.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe het volgende.

Allereerst overweegt de rechtbank dat volgens de Memorie van Toelichting bij de Wet van 4 september 1985 tot nadere wijziging van de Opiumwet (Stb. 1985,495) ter verruiming van het verkrijgen van bewijs in het kader van de Opiumwet, als zelfstandig misdrijf strafbaar is gesteld “handelingen welke beogen de handel in heroïne en andere drugs met onaanvaard-baar risico voor te bereiden of te bevorderen”.

De bedoeling van de wetgever met het ontwerpen van artikel 10a Opiumwet was (aldus AG Machielse t.g.v. HR 08-10-2002, 01678/01) om beter grip te krijgen op de winstgevende handel in harddrugs. De wetgever heeft daarom in artikel 10a Opiumwet voorbereidingshandelingen ten aanzien van een zeer ruim arsenaal aan zaken strafbaar willen stellen.

Het gaat, aldus de Memorie van Toelichting, in artikel 10a, lid 1 onder ten derde van de Opiumwet om stoffen waarvan een verdachte weet, of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, dan wel niet of nauwelijks voor een ander doel kunnen worden toegepast. Die bestemming zal uit alle ter zake relevante omstandigheden kunnen worden afgeleid.

In dit verband overweegt de rechtbank dat stoffen als paracetamol, cafeïne, lidocaïne, procaïne, mannitol, inositol en fenacetine, naast (mogelijk) legale toepassingen, ook gebruikt (kunnen) worden als versnijdingsmiddel bij de bereiding en bewerking van synthetische (harddrugs) in het illegale circuit. Uit onderzoeken van o.a. het Nederlands Forensisch Instituut is komen vast te staan dat in monsters cocaïne versnijdingsmiddelen als mannitol, inositol, fenacetine, cafeïne, lidocaïne en procaïne worden aangetroffen. Fenacetine komt het meeste voor.

Daaraan kan worden toegevoegd, aldus drs. W. Best, apotheker-toxicoloog en werkzaam als senior-inspecteur bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg te Den Haag, in zijn verklaring als getuige bij politie en de rechter-commissaris, dat het middel fenacetine uit de handel is gehaald en tegenwoordig alleen nog gebruikt wordt als versnijdingsmiddel voor harddrugs.

Lidocaïne en procaïne horen, aldus de getuige Best, zeker niet thuis in een headshop en worden de laatste tijd daar ook niet meer aangetroffen. Indien deze stoffen wel worden aangetroffen duidt dit, aldus getuige Best, op gebruik als versnijdingsmiddel als bedoeld in de Opiumwet.

Uit de diverse NFI-onderzoeken blijkt voorts dat in monsters heroïne vaak de versnijdingsmiddelen paracetamol en cafeïne worden aangetroffen. De combinatie van paracetamol en cafeïne is het meest gebruikelijke versnijdingsmiddel voor heroïne.

Ook volgens de jurisprudentie ter zake is het (inmiddels) een feit van algemene bekendheid dat middelen als paracetamol en cafeïne, al dan niet vermengd met kleurstof, een veel gezien versnijdingsmiddel is voor heroïne. Volgens de HR (LJN: AE5613, 01678/01) moet (dan ook) worden aangenomen dat onder het begrip “stoffen” als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Opiumwet mede zijn begrepen stoffen die gebruikt kunnen worden voor de versnijding van harddrugs.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft bekend samen met medeverdachte S. over een periode van bijna vijf jaren op grote schaal de stoffen inositol, procaïne, paracetamol, cafeïne, lidocaïne en fenacetine te hebben ingekocht. Deze stoffen werden betrokken van diverse farmaceutische bedrijven in binnen- en buitenland. Verdachte deed dit ten name van zijn bedrijf MWF, een onderneming die wat betreft activiteiten niets met farmaceutische producten te maken heeft. Met medeverdachte S. werden in versluierde taal telefoongesprekken gevoerd over bestellingen en afleveringen ten einde te trachten deze activiteiten voor derden af te schermen. Betalingen door afnemers vonden cash plaats en de administratie van verdachte bleek niet compleet te zijn. Bovendien heeft verdachte, als ware hij een medewerker van de Kamer van Koophandel, een vervalste fax/brief opgemaakt, ondertekend en verstuurd aan een leverancier van voornoemde stoffen, waarin hij het deed voorkomen dat hij een handelslicentie had en door de Kamer van Koophandel gelegitimeerd was dergelijke bestellingen te doen.

Daar komt nog het volgende bij. Verdachte heeft in 2003 contact gehad met de advocaat van medeverdachte S. met het verzoek aan te geven hoe je legaal in genoemde stoffen kunt handelen en waar de grens met de Opiumwet ligt. Daaruit resulteerden diverse afspraken tussen verdachte, medeverdachte S. en medeverdachte A. (eigenaar van een headshop) over levering van stoffen aan medeverdachte A. Uit de verklaring van verdachte en die van medeverdachte S. blijkt dat zij na die afspraak stoffen aan medeverdachte A. zijn gaan leveren die voor een groot deel in redelijkheid alleen waren toe te passen als versnijdingsmiddel voor heroïne of cocaïne en die door medeverdachte A. dus ook met die bestemming aan derden zijn verkocht, althans had medeverdachte A. op zijn minst moeten vermoeden dat zijn afnemers er die bestemming aan zouden gaan geven.

Verdachte merkte, zo heeft hij verklaard, op een gegeven moment dat er ook partijen van genoemde stoffen aan anderen dan aan medeverdachte A. werden geleverd. Deze leveringen waren een veelvoud van de leveringen aan medeverdachte A. Verdachte heeft daar geen navraag over gedaan bij zijn medeverdachten S. en A. en is, ondanks deze wetenschap, doorgegaan met zijn verkoopactiviteiten. Verdachte zegt hierin wat naïef te zijn geweest maar weerspreekt niet dat hij alleen van leveringen aan medeverdachte A. facturen opstelde en dat facturen aan andere afnemers ontbreken.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte heeft verklaard dat hij wist dat de stoffen die hij in- en verkocht gebruikt kunnen worden als versnijdingsmiddel voor harddrugs. Ondanks deze kennis is hij, zo verklaart hij bij de politie, met deze handel doorgegaan. Verdachte wist ook dat medeverdachte S. eerder tot een forse gevangenisstraf was veroordeeld wegens handel in soortgelijke stoffen als thans in geding. Ook heeft hij toegegeven dat hij wel dacht dat de stoffen die hij aan medeverdachte A. verkocht door deze werden gebruikt om te vermengen met cocaïne en heroïne.

Gelet op het hiervoor overwogene treft naar het oordeel van de rechtbank betoog van de raadsman dat verdachte wist noch redelijkerwijze kon weten van de bestemming van die stoffen geen doel. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat verdachte handelde met het opzet om een feit van artikel 10 Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen.

De rechtbank is niet tot de conclusie kunnen komen dat dit ook dient te gelden voor de stoffen inositol en mannitol, welke stoffen eveneens door verdachte en medeverdachte S. aan medeverdachte A. geleverd zijn. De rechtbank slaat daarbij acht op de verklaring bij politie en de rechter-commissaris van de hiervoor genoemde getuige drs. W. Best, apotheker-toxicoloog, en de informatie uit NFI-onderzoek waaruit blijkt dat inositol en mannitol - naast legale toepassingen - ook gebruikt (kunnen) worden als versnijdingsmiddel bij de bereiding en bewerking van harddrugs. Het feit dat deze middelen in headshops worden aangetroffen wil echter niet zonder meer zeggen dat deze middelen dan ook gebruikt zullen worden als versnijdingsmiddel. Het is voor de rechtbank in casu niet duidelijk kunnen worden dat de aan medeverdachte A. geleverde inositol en mannitol met een zekerheid grenzende waarschijnlijkheid bestemd waren om als versnijdingsmiddel in harddrugs te worden gebruikt.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:

1.

MEDEPLEGEN VAN: OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET DERDE EN VIERDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN VOORWERPEN EN STOFFEN EN VERVOERMIDDELEN EN GELD EN ANDERE BETAALMIDDELEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT,

meermalen gepleegd;

en

MEDEPLEGEN VAN: OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE EN VIJFDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN VOORWERPEN EN STOFFEN EN VERVOERMIDDELEN EN GELD EN ANDERE BETAALMIDDELEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT, meermalen gepleegd;

2. en 3., telkens:

MEDEPLEGEN VAN: OM EEN FEIT, BEDOELD IN HET VIERDE EN VIJFDE LID VAN ARTIKEL 10 VAN DE OPIUMWET, VOOR TE BEREIDEN OF TE BEVORDEREN STOFFEN VOORHANDEN HEBBEN, WAARVAN HIJ WEET DAT ZIJ BESTEMD ZIJN TOT HET PLEGEN VAN DAT FEIT;

4.

VALSHEID IN GESCHRIFT.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. De redenen die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

7.1Strafmotivering

De rechtbank heeft de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Medio 2007 kwam bij de politie een melding binnen van een transportbedrijf dat ten name van verdachtes bedrijf MWF leveringen van honderden kilo’s paracetamol en cafeïne plaatsvonden. Deze leveringen werden door MWF opgehaald met steeds verschillende auto’s en door steeds verschillende mensen. Sinds oktober 2006 bleek het te gaan om 19 leveringen van honderden kilo’s per keer. Men vond het opvallend dat een bedrijf dat zich bezighield met mediation dergelijke stoffen en in die hoeveelheden nodig had. Navraag door de politie bij de Inspectie voor de Volksgezondheid leerde bovendien dat voor particulier gebruik geen zinnige toepassingen voor dergelijke grote partijen paracetamol en cafeïne in poedervorm te bedenken zijn.

Uit het onderzoek dat volgde kwam naar voren dat over een periode van enkele jaren grote hoeveelheden versnijdingsmiddelen - voornamelijk paracetamol en cafeïne - werden betrokken van enkele farmaceutische bedrijven in binnen- en buitenland en dat verdachte en medeverdachte S. een netwerk van afnemers voor deze middelen hadden opgezet. Deze afnemers waren - naast een headshop - hoofdzakelijk particulieren die met enige regelmaat hoeveelheden van tientallen tot honderden kilo’s paracetamol, cafeïne, en (voor zover het de headshop betreft) lidocaïne, procaïne en fenacetine per bestelling geleverd kregen. Uiteindelijk is komen vast te staan dat het ging over circa 14.950 kg. Daarvan is ongeveer 14.375 kg verkocht aan de diverse afnemers. De overige stoffen zijn aangetroffen bij doorzoeking van verschillende locaties in beheer bij verdachte en/of diens medeverdachte S.

Verdachte speelde een centrale rol in deze handel. Hij bestelde de stoffen, regelde samen met medeverdachte S. het transport en zorgde ook mede voor opslag van de aangekochte stoffen. Hij leidde een leverancier om de tuin door een valse fax/brief van de Kamer van Koophandel op te stellen en te verzenden waaruit zou moeten blijken dat hij legaal handelde. Ook maakte hij samen met medeverdachte S. en medeverdachte A. afspraken voor leveringen van diverse stoffen aan de headshop van medeverdachte A. en toen al na korte tijd bleek dat buiten deze afspraken om zeer grote hoeveelheden stoffen die gebruikt kunnen worden als versnijdingsmiddel door medeverdachte S. aan derden werden geleverd werkte hij daaraan mee. Hij maakte pro-forma facturen, voerde de administratie en ging geregeld naar medeverdachte A. voor het innen van zijn bijna wekelijkse betaling. Hij wist wat hij deed en heeft welbewust het risico genomen dat de mede door hem geleverde zeer grote hoeveelheid stoffen, als versnijdingsmiddel in verdovende middelen als cocaïne en heroïne terecht zou komen.

Dit is verdachte ernstig te verwijten. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat de handel in het gebruik van verdovende middelen gepaard gaat met veel overlast en allerlei vormen van criminaliteit. Bovendien kleven er aan het gebruik van verdovende middelen veel risico's voor de volksgezondheid. Verdachte heeft zich hier niets van aangetrokken. Het liet hem koud en hij was kennelijk samen met anderen uit op eigen gewin ten koste van anderen. Het handelen van verdachte rechtvaardigt het opleggen van een langdurige vrijheidsstraf.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat met name rekening met de centrale rol die verdachte speelde, de zeer grote hoeveelheid stoffen die werd verhandeld, de lange periode waarin dat gebeurde en de wijze waarop hij, onder andere door het plegen van valsheid in geschrifte, Justitie om de tuin trachtte te leiden. De rol die verdachte in voormelde handel gespeeld heeft is in essentie ook niet minder verstrekkend geweest dan die van zijn compagnon S. Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie geen recht doet aan de ernst van de feiten. Zij zal daarom, mede met het oog op de straf die aan medeverdachte S. zal worden opgelegd, een zwaardere straf opleggen. In de persoonlijke omstandigheden van verdachte heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de conclusie dat verdachte detentieongeschikt zou zijn.

7.2 De inbeslaggenomen voorwerpen

7.2.1 De teruggave

De rechtbank gelast de teruggave van de in beslag genomen, aan verdachte toebehorende, geheugenkaart onder volgnummer 1.

7.2.2 De verbeurdverklaring

De rechtbank gelast de verbeurdverklaring van de in beslag genomen, aan verdachte toebehorende, goederen onder de volgnummers 3, 4, 6 en 8, nu deze voorwerpen zijn gebruikt bij en betrekking hebben op de strafbare feiten, waarvoor verdachte wordt veroordeeld.

7.2.3 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank gelast de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, aan verdachte toebehorende, goederen onder de volgnummers 2, 11 en 13, nu het ongecontroleerd bezit van deze voorwerpen in strijd is met de wet en het algemeen belang, deze bij gelegenheid van het onderzoek zijn aangetroffen en kunnen dienen tot de voorbereiding van soortgelijke feiten als waarvoor verdachte wordt veroordeeld.

8. De toepasselijke wettelijke voorschriften

De opgelegde straffen en maatregel berusten op de volgende wettelijke voorschriften:

artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

artikelen 2, 10, 10 (oud) en 10a van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals vermeld onder 4.1 van dit vonnis;

verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde de onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens die feiten tot:

een GEVANGENISSTRAF voor de duur van VIER (4) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

beveelt de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;

gelast de teruggave van:

1. 1.00 STK Kaart, ibsnr. A1-0-II-0-1 (geheugenkaart);

gelast de verbeurdverklaring van:

3. 3.00 STK GSM zaktelefoon, ibsnr. A1-0-II-05 (3 x gsm),

4. 1.00 DS doos, ibsnr. A1-0-II-0-15, lege doos,

6. 1.00 DS doos, ibsnr. A1-0-III-0-2, doos met literpot,

8. 1.00 STK ton (ronde doos), ibsnr. A1-0-III-0-6, lege ton cafeïne;

gelast de onttrekking aan het verkeer van:

2. 1.00 STK monster (DNA), ibsnr. A1-0-II-0-4 (monster uit bureaulade)

11. 1.00 STK sporen, inositol, ibsnr. A1-0-II-015, sporen inositol

13. 27.00 STK ton (ronde doos), A1-III-4,5,7 t/m 13 elk 25 kg paracetamol, cafeïne inositol en/of procaïne.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. T.F. van der Lugt, voorzitter,

mr. A.P. Hameete en mr. M.E.I. Beudeker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.C. de Hooge, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 december 2008.