Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG7204

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
17-12-2008
Zaaknummer
07/683 F
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Homologatie akkoord. Artikel 153 Faillissementswet. Het door de gefailleerde aangeboden akkoord is door de rechter-commissaris ten onrechte als aangenomen beschouwd. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat uit het stelsel van de bepalingen (artikelen 145 tot en met 153 Fw) volgt dat in casu niet (eerst) aan de orde is de vraag of het akkoord wel of niet als aangenomen moet worden beschouwd – zulks is immers gegeven –, maar de vraag of er gronden zijn om de homologatie van het aangenomen akkoord te weigeren. Blijkens de strekking van artikel 153 Fw dient de rechtbank homologatie te weigeren indien – kort gezegd – de belangen van de (aan het akkoord gebonden) schuldeisers door het akkoord worden geschaad. Artikel 153 lid 2 Fw noemt een drietal gronden waarop de homologatie geweigerd moet worden. Lid 3 van genoemd artikel geeft de rechtbank daarnaast de vrijheid om ook op andere gronden en ambtshalve de homologatie te weigeren. Het artikel schrijft niet voor dat getoetst moet worden of aan de vereisten tot het aannemen van een akkoord is voldaan en, als dit niet het geval blijkt, dat homologatie dan geweigerd móet worden. Deze stelling is weliswaar te vinden in de literatuur, maar zij vindt geen steun in de tekst van de wet en/of in de wetsgeschiedenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2009, 23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

homologatie akkoord

Insolventienummer: 07/683 F

BESCHIKKING in het faillissement van:

<< gefailleerde>>

wonende te Rotterdam

(hierna: gefailleerde)

curator: mr.drs. M.O. Kraamwinkel

1. Inleiding en standpunten

1.1

Blijkens het proces-verbaal heeft op 7 november 2008 de verificatievergadering plaats-gevonden in bovengenoemd faillissement. Op deze vergadering heeft gefailleerde zijn schuldeisers een akkoord aangeboden. Het akkoord houdt in dat gefailleerde zijn schuldeisers 25% van hun vorderingen voldoet, tegen finale kwijting van het restant. De rechter-commissaris heeft het akkoord na stemming als aangenomen beschouwd.

1.2

De rechter-commissaris heeft in zijn ingevolge artikel 152 Faillissementswet (Fw) uitgebrachte verslag aan de rechtbank van 11 november 2008 gesteld dat het akkoord, achteraf gezien, ten onrechte als aangenomen is beschouwd. Aan het tweede vereiste dat artikel 145 Fw stelt voor het aannemen van een akkoord, te weten de gewone meerderheid van het totaal aan erkende concurrente schuldvorderingen, is namelijk niet voldaan. Er is ten onrechte uitgegaan van de gewone meerderheid van de op de vergadering verschenen erkende concurrente schuldvorderingen. De rechter-commissaris ziet hierin een grond voor weigering van de homologatie.

1.3

De curator heeft bij brief van 14 november 2008 aangevoerd dat de rechter-commissaris niet terug kan komen op zijn eerdere constatering dat het akkoord is aangenomen. Hij wijst in dit verband op artikel 147 Fw. De ruime discretionaire bevoegdheid die de rechtbank bij het al dan niet weigeren van de homologatie heeft, laat de rechtbank de ruimte om in het voorliggende geval toch tot homologatie van het akkoord over te gaan, aldus de curator.

1.4.

De gefailleerde heeft bij monde van mr. M.W. Huijzer, advocaat van gefailleerde, bij brief van 14 november 2008 de stelling van de rechter-commissaris betwist dat niet aan het tweede vereiste van artikel 145 Fw zou zijn voldaan. Hoewel de tekst van artikel 145 Fw anders suggereert, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat, net als in de schuldsaneringsregeling, is bedoeld dat de meerderheid van de op de vergadering aanwezige erkende concurrente schuldvorderingen voldoende is om aan het tweede vereiste van artikel 145 Fw te voldoen.

De gefailleerde is voorts met de curator van oordeel dat gelet op artikel 147 Fw een eenmaal aangenomen akkoord als een vaststaand gegeven dient te worden beschouwd. De rechter-commissaris kan niet terugkomen op zijn eerdere constatering dat het akkoord is aan-genomen. Voor het geval dat wel mogelijk is, stelt de gefailleerde dat hem in dat geval een beroep op artikel 146 Fw is ontnomen. Als de rechter-commissaris tijdig had onderkend dat de benodigde meerderheden voor het akkoord niet gehaald zouden worden, dan had een beroep op dat artikel gedaan kunnen worden.

De gefailleerde voert tot slot aan dat geen van de weigeringsgronden van artikel 153 lid 2 Fw zich voordoet. Ook voor toepassing van artikel 153 lid 3 Fw is geen aanleiding, onder andere omdat na de verificatievergadering van 7 november 2008 nog twee schuldeisers hebben ingestemd met het aangeboden akkoord. De schuldeisers die instemmen met het akkoord vertegenwoordigen hierdoor ongeveer 98,5% van het totaal aan erkende concurrente schuldvorderingen.

1.5

De mondelinge behandeling van de homologatie vond plaats op 18 november 2008, in aanwezigheid van gefailleerde met zijn advocaat en de curator. De uitspraak is nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1

De Faillissementswet bepaalt in artikel 145 dat tot het aannemen van een akkoord aan twee vereisten moet zijn voldaan. Het eerste vereiste is de toestemming van een gewone meerderheid van de op de vergadering verschenen erkende concurrente schuldeisers. Het tweede vereiste is dat de toestemmende, op de vergadering verschenen erkende concurrente schuldeisers ten minste de helft van het totaal aan erkende concurrente schuldvorderingen vertegenwoordigen.

2.2

Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever iets anders heeft bedoeld dan wat is opgeschreven. Het verweer van gefailleerde dat de wetgever – bij latere wetswijzigingen – heeft willen aansluiten bij het in de schuldsaneringsregeling geldende criterium voor het aannemen van een akkoord, snijdt geen hout. De tekst van artikel 332 lid 3 onder b Fw verschilt bovendien op dit punt duidelijk van de tekst van artikel 145 Fw. Waar het eerstgenoemde artikel spreekt over ‘de helft van het totale bedrag van hun vorderingen’, vermeldt artikel 145 Fw dit niet. Het standpunt van gefailleerde vindt daarom geen steun in het recht.

2.3

Uit het proces-verbaal van de verificatievergadering blijkt dat zeven erkende concurrente schuldeisers op de vergadering zijn verschenen. Zij stemden allen vóór het aangeboden akkoord. Aan het eerste vereiste van artikel 145 Fw is daarom voldaan.

De zeven aanwezige erkende concurrente schuldeisers die voor het akkoord stemden, vertegenwoordigen samen € 35.685,78 aan schuldvorderingen. Het totaal aan erkende concurrente schuldvorderingen bedraagt € 78.541,68. Aan het tweede vereiste van artikel 145 Fw is om die reden niet voldaan. De schuldeisers die voor het akkoord hebben gestemd, vertegenwoordigen immers niet meer dan de helft van het totaal aan erkende concurrente schuldvorderingen.

2.4

Het voorgaande brengt mee dat de rechter-commissaris het door de gefailleerde aangeboden akkoord, ten onrechte als aangenomen heeft beschouwd. Evenwel is de rechtbank van oordeel dat, uit het stelsel van de bepalingen (artikelen 145 tot en met 153 Fw) volgt dat in casu niet (eerst) aan de orde is de vraag of het akkoord wel of niet als aangenomen moet worden beschouwd – zulks is immers gegeven –, maar de vraag of er gronden zijn om de homologatie van het aangenomen akkoord te weigeren.

2.5

Blijkens de strekking van artikel 153 Fw dient de rechtbank homologatie te weigeren indien – kort gezegd – de belangen van de (aan het akkoord gebonden) schuldeisers door het akkoord worden geschaad. Artikel 153 lid 2 Fw noemt een drietal gronden waarop de homologatie geweigerd moet worden. Lid 3 van genoemd artikel geeft de rechtbank daarnaast de vrijheid om ook op andere gronden en ambtshalve de homologatie te weigeren. Het artikel schrijft niet voor dat getoetst moet worden of aan de vereisten tot het aannemen van een akkoord is voldaan en, als dit niet het geval blijkt, dat homologatie dan geweigerd móet worden. Deze stelling is weliswaar te vinden in de literatuur, maar zij vindt geen steun in de tekst van de wet en/of in de wetsgeschiedenis.

2.6

Met inachtneming van het voorgaande zal de rechtbank overgaan tot homologatie van het op 7 november 2008 aangenomen akkoord. Zij overweegt daartoe dat zich in de onderhavige zaak geen van de gronden van artikel 153 lid 2 Fw voordoet. De rechtbank ziet voorts in de omstandigheid dat het akkoord ten onrechte is aangenomen, zoals hiervoor onder 2.3 geschetst, geen aanleiding gebruik te maken van de in lid 3 gegeven discretionaire bevoegdheid de homologatie op andere gronden of ambtshalve te weigeren. Tijdens de behandeling van de homologatie is gebleken dat een overgrote meerderheid van de schuldeisers, zowel in getal als in het beloop van hun vorderingen, zich achter het aangeboden akkoord heeft geschaard. Daardoor kan niet worden geoordeeld dat homologatie de belangen van de (gebonden) schuldeisers schaadt en om die reden zou moeten worden geweigerd.

2.7

De rechtbank overweegt ten overvloede dat het beroep van gefailleerde op de artikelen 146 en 147 Fw en het beroep van de curator op artikel 147 Fw onbesproken kan blijven. De situatie waarop deze artikelen zien doet zich in het voorliggende geval namelijk feitelijk niet voor.

2.8

De rechtbank stelt het salaris van de curator vast overeenkomstig de door hem opgegeven uren, vermeerderd met 7,5 uur voor de behandeling van de verificatievergadering en de homologatie van het akkoord alsook de afwikkeling van het faillissement.

3. De beslissing

De rechtbank:

- homologeert het op 7 november 2008 aangenomen akkoord;

- stelt het salaris van de curator voor de werkzaamheden verricht in de periode van

13 november 2007 tot en met het einde van het faillissement definitief vast op

€ 11.892,92 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van de gefailleerde;

- stelt de verschotten over de vermelde periode definitief vast op € 475,72 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van de gefailleerde;

- begroot de publicatiekosten op € 195,00 (inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van de gefailleerde.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.S. van Nijen, rechter, en in aanwezigheid van

mr. T.J. Veth, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 december 2008.