Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG6217

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-12-2008
Datum publicatie
08-12-2008
Zaaknummer
317503 / HA RK 08-265
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking toegewezen. De rechter heeft in niet mis te verstane bewoordingen op voorhand een diskwalificatie uitgesproken over de gewenste getuigen à décharge. Voors kan uit zijn bewoordingen worden afgeleid dat hij zich inmiddels een oordeel had gevormd over de schuldvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak : 8 december 2008

Zaaknummer : 317503

Rekestnummer : HA RK 08-265

Parketnummers : 10/711104-08 en 10/710047-08 (tul)

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

strekkende tot wraking van [naam rechter], rechter in de rechtbank Rotterdam, sector strafrecht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting met gesloten deuren van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 augustus 2008, op welke zitting de rechter zitting hield, is behandeld de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak met parketnummer 10/711104-08 (+ parketnummer tul 10/710047-08). Op die zitting is het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en is de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen.

Verzoeker is opgeroepen voor de voortzetting van de behandeling van voornoemde strafzaak tegen de terechtzitting met gesloten deuren van de kinderrechter in deze rechtbank op 27 oktober 2008, alwaar de zaak opnieuw door de rechter zou worden behandeld.

Bij faxbericht van 23 oktober 2008 heeft de raadsman van verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de dossiers van de zaken tegen verzoeker als verdachte (en veroordeelde) met voormelde parketnummers, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de zitting van 15 augustus 2008.

Verzoeker, zijn raadsman [naam advocaat], de rechter, alsmede de officier van justitie [naam officier van justitie] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 24 november 2008, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoeker, zijn raadsman en de officier van justitie. Zij hebben ieder hun standpunt nader toegelicht.

Behalve van de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer voorts nog kennis genomen van het op 24 november 2008 ter griffie binnengekomen faxbericht van de raadsman van verzoeker.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Voorafgaande aan de zitting van 15 augustus 2008 heeft de raadsman van verzoeker aan de rechter-commissaris verzocht bepaalde personen als getuige te horen in het kader van een zogenaamde mini-instructie. Enkele dagen voor de zitting werd dit verzoek afgewezen. Op 13 augustus 2008, de dag dat de raadsman op de hoogte kwam van die afwijzing, heeft de raadsman per faxbericht aan de rechter aangekondigd dat hij de door de verdediging voor te brengen getuigen zou meebrengen naar de terechtzitting.

2.1.2

Op de zitting van 15 augustus 2008 heeft de raadsman - toen er door de rechter niet werd gerept over op de lijst te brengen getuigen - gevraagd of de rechter zijn faxbericht had ontvangen. Dat bleek niet het geval, waarna de raadsman een exemplaar van het bericht heeft overhandigd en heeft verteld dat hij een aantal personen als van de zijde van de verdediging voor te brengen getuigen naar de zitting had meegebracht teneinde deze aldaar te doen horen. De rechter had daar kennelijk geen oren naar blijkens zijn reactie ter zitting: "De in deze brief genoemde getuigen zijn toch allemaal vriendjes van verdachte en die zullen wel verklaren in het voordeel van verdachte."

Hierop heeft de raadsman de rechter gezegd: "U kunt toch niet zeggen dat die getuigen hier maar een potje gaan liegen?", waarop de rechter reageerde als volgt: "Ik heb veel ervaring, ik weet hoe dat gaat."

2.1.3

Met deze uitlatingen heeft de rechter zich bevooroordeeld getoond ten aanzien van personen die hij niet kent en is hij vooruitgelopen op de waardering van de verklaringen van deze getuigen, waardoor, vanuit het gezichtspunt van verzoeker, de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.1.4

In het kader van de verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris zijn vervolgens de door de verdediging aangebrachte getuigen door de rechter-commissaris gehoord en is de verdediging gebleken dat de getuigen à décharge niet 'allemaal vriendjes van' verzoeker zijn, doch vage kennissen en de broer van verdachte, zodat de gewraakte uitlatingen van de rechter over hun hoedanigheid en gedrag aantoonbaar onjuist zijn gebleken.

2.1.5

De getuigen à décharge zijn tijdens hun verhoor door de rechter-commissaris op de verdediging waarachtig overgekomen, terwijl de rechter ter zitting zich over de personen van de getuigen geen oordeel meer kan vormen, waardoor het reeds ingenomen standpunt door de rechter ten aanzien van deze personen en hun verklaringen niet meer kan veranderen door confrontatie met die getuigen, zodat niet te verwachten is dat de rechter zijn meningsvorming nog zal aanpassen. Hierdoor klemt temeer het feit dat de rechter de getuigen niet op de zitting heeft willen horen.

2.1.6

Verzoeker heeft niet aanstonds na de zitting van 15 augustus 2008 een verzoek tot wraking willen doen, omdat de ervaring leert dat een strafzaak na een schorsing en terugwijzing naar de rechter-commissaris lang niet altijd bij dezelfde rechter terugkeert voor de voortzetting van het onderzoek ter zitting. De verdediging gaf er de voorkeur aan - teneinde de indiening van een onnodig verzoek te voorkomen - eerst de verhoren van de getuigen af te wachten en aan te zien welke rechter de vervolgzitting zou gaan doen.

Op 23 oktober 2008 is de verdediging gebleken dat de rechter ook de zitting van 27 oktober 2008 zou gaan voorzitten, waardoor het verzoek tot wraking opportuun is geworden.

2.1.7

Verzoeker vindt ook in de bewoordingen, welke door de rechter in zijn schriftelijk verweer tegen de wraking zijn gebruikt, in het bijzonder hetgeen hij daarin zegt over de handelwijze van de raadsman, aanwijzingen dat de rechter niet meer onpartijdig is, doch jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. Kwalificaties als "onpedagogisch gestuntel van de raadsman" en "onprofessionele werkwijze" zijn in de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek onterecht gebruikt, temeer nu de raadsman al hetgeen hij met betrekking tot het voorbrengen van getuigen à décharge volgens de wettelijke regels en met instemming van verzoeker en zijn moeder heeft gedaan.

2.2

De officier van justitie heeft - verkort en zakelijk weergegeven - meegedeeld:

2.2.1

Naar mijn herinnering is de lezing van de raadsman over de gang van zaken ter zitting van 15 augustus 2008 correct. Een paar dagen voor die zitting ben ik aangesproken door de rechter-commissaris die meedeelde dat hij in de onderhavige zaak een verzoek had gekregen van de verdediging om getuigen te horen en dat hij dat verzoek had afgewezen.

2.2.2

Juist is dat er door de verdediging voorafgaande aan de zitting schriftelijk was aangekondigd dat er getuigen moesten worden gehoord. Dat verzoek is kennelijk niet tijdig aan de rechter en de officier doorgezonden. Bij rechtbank en Openbaar Ministerie laten administratieve processen in dat opzicht met enige regelmaat te wensen over; dat valt de verdediging niet te verwijten.

2.2.3

Het proces-verbaal van de zitting meldt niet dat de rechter heeft gesproken over een mogelijk proces-verbaal wegens meineed, maar hij heeft dat toen wel aan de orde gesteld. Dat was ook het argument om niet alleen de door de verdediging opgegeven getuigen, maar ook de drie andere getuigen à charge te laten horen door de rechter-commissaris en de zaak daartoe te verwijzen.

De discussie ter zitting over deze kwestie was als het ware een pingpongspel tussen de rechter en de raadsman, waar ik mij niet in heb gemengd. Er is door de raadsman toen wel gezegd: "Ik sta op het horen van deze getuigen", waarop de rechter zei: "Als dat zo is, wil ik iedereen doen horen, want dan moet helder zijn voor de rechter-commissaris hoe de verhoudingen liggen".

2.2.4

Er is ter zitting door de rechter gezegd: "De drie getuigen, die de raadsman aangeeft, kunnen toch alleen maar liegen". Ik ken de rechter goed genoeg om te stellen dat hij bij hernieuwde lezing van het dossier de zaak in alle openheid opnieuw zal gaan beoordelen, maar op dat moment gaf hij de indruk niet onbevooroordeeld te zijn.

2.2.5

De raadsman wordt onrecht aangedaan wordt door de toonzetting van de schriftelijke reactie van de rechter. Ik ken de raadsman een jaar of tien, we doen regelmatig zaken en we zijn altijd - ook al staan we voor heel verschillende belangen - op een redelijke manier met elkaar in gesprek.

Ik neem afstand van de door de rechter jegens de raadsman gebruikte aanduiding van "onprofessioneel gedrag"; dat is niet mijn ervaring met deze raadsman en was ook niet aan de orde op de zitting van 15 augustus 2008.

2.3

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

De rechter heeft er daarbij - zakelijk en naar de kern weergegeven - op gewezen dat hij onaangenaam verrast werd door een door hem niet eerder ontvangen mededeling dat verzoeker getuigen ter zitting wilde doen horen, hetgeen wijst op onprofessioneel handelen van de raadsman van verzoeker, die lijkt te miskennen dat in het jeugdstrafrecht de bescherming van de betrokken minderjarige centraal staat. Getuigenverhoren die, zoals in dit geval een niet denkbeeldige kans meebrengen dat proces-verbaal wegens verdenking van meineed moet worden opgemaakt, doen afbreuk aan dat belang. Het gaat in deze zaak om een jongere met een ernstige problematiek die in korte tijd had gerecidiveerd, getuige het tweede feit op de tenlastelegging, ten aanzien waarvan door de verdediging kennelijk geen bewijsproblemen werden gesignaleerd.

De rechter schrijft die als ongewenst ervaren gang van zaken toe aan de raadsman die, mogelijk door gebrek aan ervaring in het jeugdstrafrecht, geïrriteerd is geraakt toen hij ter zitting op dit punt kort werd afgeserveerd, doch wijst erop dat het belang om onder anderen de door de verdediging gewenste getuigen te horen is onderkend, waarop de zaak daartoe de rechter-commissaris is verwezen.

De rechter wijst er voorts op dat zeker niet geaarzeld wordt een jongere vrij te spreken indien geen of onvoldoende bewijs aanwezig is.

3. De beoordeling

3.1

Een verzoek tot wraking van een rechter moet worden ingediend zodra de feiten en omstandigheden, waarop het verzoek is gegrond, aan verzoeker bekend zijn geworden.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1.6 door verzoeker is gesteld, acht de rechtbank aanvaardbaar dat verzoeker eerst de getuigenverhoren heeft afgewacht en vervolgens, nadat hem desgevraagd is bevestigd dat de rechter de zaak tegen de verzoeker inderdaad verder zou behandelen, zijn verzoek tot wraking heeft ingediend. Aldus beschouwd heeft verzoeker zijn verzoek tijdig gedaan. Verzoeker is mitsdien ontvankelijk in zijn verzoek.

3.2

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.3

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden; er is geen reden om aan te nemen dat de rechter, ook na eerdere processuele verwikkelingen, niet tot een vrijspraak zou komen indien er geen of onvoldoende bewijs voorhanden is.

3.4

Te onderzoeken staat vervolgens of niettemin de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de door verzoeker geuite vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.5

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Uit de feitelijke gang van zaken ter zitting van 15 augustus 2008, zoals die uit de stukken en de gegeven toelichtingen naar voren komt, volgt dat de rechter in niet mis te verstane bewoordingen op voorhand een diskwalificatie heeft uitgesproken over de gewenste getuigen à décharge ter zake van de mede aan verzoeker ten laste gelegde diefstal met geweld, nu aannemelijk is dat de rechter erop heeft gewezen dat het bij de gewenste getuigen om 'vriendjes van de verdachte' gaat die waarschijnlijk leugenachtige verklaringen in zijn voordeel zullen gaan afleggen en daarbij tevens door de rechter is vermeld dat het (vervolgens) moeten opmaken van een proces-verbaal meineed niet denkbeeldig was.

Voorts zou uit de door de rechter gekozen bewoordingen afgeleid kunnen worden dat hij zich inmiddels een oordeel had gevormd omtrent de schuld van verzoeker aan de hem ten laste gelegde diefstal met geweld. Dat wordt niet anders indien daarbij ook in ogenschouw wordt genomen dat in het minderjarigenstrafrecht aan opvoedkundig aspecten en adequate hulpverlening een prominente rol toekomt. Ook de omstandigheid dat de rechter, in weerwil van de door hem genoemde mogelijk aan dat getuigenverhoor verbonden complicaties, het verzoek tot het doen horen van getuigen, onder wie de door de verdediging opgegeven getuigen, heeft ingewilligd door de zaak daartoe naar de rechter-commissaris te verwijzen, weegt daar niet tegen op.

3.6

Daar komt nog bij dat de schriftelijke reactie van de rechter deze objectief gerechtvaardigde vrees versterkt, nu de rechter zich daarin persoonlijk geraakt toont en daarin in scherpe bewoordingen een gebrek aan professionaliteit en (levens)ervaring van de raadsman van verzoeker aan de kaak is gesteld, terwijl er bij de behandeling van het wrakingsverzoek geen houvast voor is gevonden dat deze verwijten op goede gronden berusten.

3.7

Op grond van het vorenstaande is de wraking gegrond. Het verzoek wordt toegewezen.

4. De beslissing

wijst toe het verzoek tot wraking van [naam rechter].

Deze beslissing is gegeven op 8 december 2008 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. M.C. van der Kolk en mr. J.M. Hamaker, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.