Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG6167

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
10/775001-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag van rechtsvervolging na geslaagd beroep op noodweer van verdachte (politieman).

Op moment van schieten was sprake van ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de collega van verdachte en verdediging noodzakelijk. Andere jegens het slachtoffer toegepaste minder zware middelen om hem te doen stoppen, hadden niet het beoogde effect gehad.Het gebruikte geweld (laag gericht schieten) was in verhouding met het beschemd belang en in die situatie een geoorloofd middel. Voldaan aan eisen subsidiariteit en proportionaliteit.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/775001-06

Datum uitspraak: 10 juni 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren op [datum] 1968 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres verdachte],

raadsman mr. B.C.W. van Eijck, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat aan de verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij op 12 oktober 2005 te Berkel en Rodenrijs geprobeerd heeft iemand van het leven te beroven door met een vuurwapen een kogel op het lichaam af te vuren. Als dat niet bewezen kan worden verklaard, wordt hem subsidiair het verwijt gemaakt dat hij door zo te handelen het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, namelijk een schotwond door het been. Voor het geval ook dit feit niet bewezen kan worden verklaard, wordt de verdachte meer subsidiair het verwijt gemaakt dat hij door zo te handelen geprobeerd heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Stuyt heeft gerequireerd tot:

- vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar en tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis.

VRIJSPRAAK

De officier van justitie en de raadsman hebben geconcludeerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit.

De rechtbank is van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen is, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

De bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde volgt uit de navolgende bewijsmiddelen.

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij op 12 oktober 2005 in Berkel en Rodenrijs met zijn dienstvuurwapen op een man heeft geschoten(1).

Het slachtoffer, de heer [naam slachtoffer], is door de politiearts onderzocht en deze heeft vastgesteld dat aan de binnenzijde van het linker bovenbeen, net iets boven de knie, een tweetal ronde wonden te zien zijn van elk ongeveer één bij anderhalve centimeter(2). In het dossier bevinden zich ook twee foto’s van het letsel van het slachtoffer(3).

In de broek van het slachtoffer zaten twee gaten(4). De broek van het slachtoffer is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. In de broek zijn twee beschadigingen aangetroffen. De sporen rond de vrijwel zekere inschotbeschadiging in de achterzijde van de linker broekspijp wijzen op een schootsrichting van achter naar voor(5).

[naam slachtoffer] heeft op de terechtzitting verklaard dat hij door dit letsel 8 weken niet heeft kunnen werken(6).

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 12 oktober 2005 te Berkel en Rodenrijs aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond aan het been), heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk met een vuurwapen een kogel afgevuurd op of in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer], welke kogel het been van die [naam slachtoffer] heeft doorboord.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Zware mishandeling.

De raadsman heeft bepleit dat, bij bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat er sprake is van noodweer, putatief noodweer of noodweer-exces.

De raadsman voert aan dat in dit verband van belang is het moment van schieten en de plaats waar het slachtoffer zich op dat moment precies bevond. In het dossier bestaan hierover drie verschillende lezingen, door de raadsman aangeduid als de lezing van de bouwvakkers (de getuigen [naam getuige 1], [naam getuige 2] en [naam getuige 3], de lezing van [naam slachtoffer] en de lezing van [naam verdachte].

De lezing van de bouwvakkers houdt in dat er is geschoten terwijl het slachtoffer [naam slachtoffer] op de traptrede van de shovel stond, klaar om de cabine in te stappen. De raadsman is van oordeel dat de verklaringen van deze getuigen met betrekking tot het moment waarop zou zijn geschoten niet overtuigend zijn. Voor het geval de rechtbank de lezing van de bouwvakkers mocht volgen, doet de raadsman een beroep op noodweer-exces.

De lezing van [naam slachtoffer] houdt in dat er op hem geschoten is op het moment dat hij voor [naam verdachte] stond en twee bakstenen dreigend omhoog hield. De lezing van [naam slachtoffer] is volgens de raadsman niet aannemelijk, omdat deze niet wordt ondersteund door het technisch onderzoek, noch door getuigenverklaringen.

De lezing van de verdachte is dat hij het laag gerichte schot loste op het moment dat [naam slachtoffer] had plaatsgenomen in de cabine en de shovel in beweging was gekomen. Deze lezing van de gebeurtenissen is naar het oordeel van de raadsman het meest aannemelijk. Op grond van de verklaring van de verdachte en het gegeven dat zijn lezing van de feiten niet wordt uitgesloten door de resultaten van het technisch onderzoek doet de raadsman een beroep op noodweer, dan wel putatief noodweer.

Ter onderbouwing van het beroep op noodweer voert de raadsman aan dat uit het dossier volgt dat het handelen van de verdachte voldeed aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit; er was geen andere uitweg dan schieten, en er was evenredigheid tussen middel (het gerichte schot) en doel (het afwenden van de voor verdachtes collega levensbedreigende situatie).

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voor de lezing van de verdachte in het dossier geen enkele steun te vinden is. De officier van justitie gaat uit van de lezing van de bouwvakkers, dat de verdachte heeft geschoten op het moment dat het slachtoffer bezig was de shovel in te klimmen. Op dat moment was de dreiging voorbij en was er geen sprake van een noodweersituatie. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat ingeval de lezing van de verdachte juist zou zijn, er volgens haar wel sprake zou zijn van een noodweersituatie.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat niet strafbaar is degene die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of andermans lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Voor een geslaagd beroep op deze strafuitsluitingsgrond is allereerst vereist, dat aannemelijk is geworden, dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte of een ander waartegen hij zich moest verdedigen, ofwel van een ‘noodweersituatie’. In deze zaak is van doorslaggevend belang de positie van het slachtoffer toen hij werd beschoten.

De rechtbank acht de lezing van het slachtoffer, de heer [naam slachtoffer], te weten dat hij door de verdachte werd beschoten op het moment dat hij met de stenen in zijn hand met zijn gezicht naar verdachte gekeerd stond, niet aannemelijk. De verklaring van het slachtoffer wordt niet ondersteund door getuigenverklaringen, noch door de resultaten van het technisch onderzoek; het NFI concludeert na het onderzoek aan de broek van het slachtoffer dat hij van achteren is beschoten.

Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 12 oktober 2005 reed de verdachte samen met zijn collega in een als zodanig herkenbaar dienstvoertuig van de politie in de nieuwbouwwijk Meerpolder in Berkel en Rodenrijs. De verdachte zat als bestuurder in de auto. Ze hadden een Directe Hulp Verlening dienst.

Door hen beiden werd gezien dat een chauffeur van een shovel, die later [naam slachtoffer] bleek te zijn, tijdens het rijden op de openbare weg niet handsfree aan het bellen was. Besloten werd de chauffeur van de shovel een stopteken te geven en hem proces-verbaal aan te zeggen. De verdachte is achter de shovel gaan rijden en heeft het bord aangezet met de tekst: “stop politie”. De chauffeur van de shovel heeft deze aan de kant gezet en is uitgestapt. De verdachte heeft zijn dienstvoertuig schuin achter de shovel geparkeerd en is eveneens uitgestapt.

De verdachte heeft de man naar zijn rijbewijs of ander identificatiebewijs gevraagd. De chauffeur antwoordde dat hij dat niet had. Hierop heeft de verdachte de chauffeur gezegd dat hij was staande gehouden en dat proces-verbaal zou worden opgemaakt, omdat gezien was dat hij tijdens het rijden een mobiele telefoon had vastgehouden. De verdachte heeft vervolgens de chauffeur gevraagd zich om te draaien en zijn handen tegen de shovel aan te zetten. De verdachte wilde de chauffeur fouilleren om iets te vinden aan de hand waarvan zijn identiteit zou kunnen worden vastgesteld. De chauffeur draaide zich vervolgens om, nam plaats in de cabine van zijn shovel en reed weg.

De verdachte en zijn collega zijn vervolgens in het dienstvoertuig achter de shovel aangereden terwijl de optische en geluidssignalen aan stonden. Op enig moment is de verdachte naast de shovel gaan rijden. De collega heeft verklaard dat hij op dat moment oogcontact had met de chauffeur van de shovel en dat hij met zijn hand een teken gaf, dat hij aan de kant moest gaan en moest stoppen. Uit de gelaatsuitdrukking van de chauffeur van de shovel leidde de collega af dat deze zichzelf niet meer in de hand had.

De chauffeur van de shovel stuurde op dat moment naar links en de verdachte moest ook naar links sturen om een aanrijding te voorkomen, waardoor het dienstvoertuig in het mulle zand naast de weg terecht kwam.

De chauffeur van de shovel is vervolgens het bouwterrein op gereden en is daar aan het werk gegaan. De verdachte is naar de shovel toe gereden, heeft het dienstvoertuig erachter geparkeerd en zijn collega is naar de shovel toe gelopen. De collega had oogcontact met de chauffeur die op dat moment in de shovel zat. De collega maakte met zijn handen een gebaar naar de chauffeur om uit de shovel te stappen en de zaak te bespreken. De chauffeur wees vervolgens met zijn wijsvinger naar zijn voorhoofd. De collega kreeg de indruk dat de chauffeur helemaal door het lint was.

De chauffeur heeft zijn shovel in beweging gezet waardoor de voorzijde van de shovel in de richting van de collega draaide, zodat hij aan de kant moest stappen.

De verdachte is vervolgens ook naar de shovel gelopen en heeft de deurklink vastgepakt met de bedoeling om de deur te openen. Dit lukte niet omdat de chauffeur de deurklink aan de binnenkant ook vastpakte. De verdachte keek de chauffeur recht in zijn gezicht en zei dat hij moest stoppen. De chauffeur reageerde door te zeggen: “Als je me wilt stoppen, moet je schieten”. De chauffeur heeft de shovel weer in beweging gezet.

De verdachte heeft hierop een straatklinker gepakt, is naast de shovel gaan lopen en heeft de straatklinker dreigend omhoog gehouden. Omdat de chauffeur geen aanstalten maakte om de shovel tot stilstand te brengen heeft de verdachte de straatklinker in de richting van de cabine van de shovel gegooid. De rechtbank tekent hierbij aan dat bepaald niet gezegd kan worden dat deze actie van verdachte de-escalerend heeft gewerkt.

De straatklinker is door de ruit van de deur van de shovel in de cabine terecht gekomen. De chauffeur heeft de shovel tot stilstand gebracht en is op de verdachte afgestormd. De chauffeur heeft verklaard dat hij op dat moment vreselijk kwaad was. De collega heeft de chauffeur horen schreeuwen: “Ik maak je af” en heeft gezien dat hij briesend de cabine uit kwam en op dat moment zeer bedreigend was.

De verdachte heeft nog geprobeerd zijn busje pepperspray te pakken, maar de chauffeur was zo snel bij hem dat hij daar geen tijd voor had. De chauffeur heeft de verdachte geschopt en geslagen. De verdachte probeerde de schoppen en slagen af te weren. Hij was op dat moment zo bang voor de chauffeur dat hij een beetje ontlasting liet lopen. De collega heeft verklaard dat de chauffeur door het lint was en kennelijk niet voor rede vatbaar.

De chauffeur heeft vervolgens twee straatklinkers gepakt, in iedere hand één, en heeft deze dreigend boven zijn hoofd gehouden. De verdachte vond deze situatie zo bedreigend dat hij zijn dienstwapen heeft gepakt en een waarschuwingsschot heeft gelost. De chauffeur liet de stenen niet vallen, in tegendeel, hij wekte de indruk dat hij deze stenen ook daadwerkelijk zou gaan gooien. Hij stond ook zodanig dicht bij verdachte dat zeker niet uitgesloten was dat hij verdachte zou kunnen raken. De verdachte heeft, met het dienstwapen nog steeds op de chauffeur gericht, meermalen geroepen dat de chauffeur de stenen moest laten vallen. De chauffeur reageerde door terug te roepen: “Schiet dan”. Op dit moment heeft de verdachte met zijn portofoon de meldkamer ingelicht. De collega van de verdachte heeft de chauffeur vervolgens met pepperspray bespoten. Hierop liet de chauffeur de straatklinkers vallen, draaide zich om en liep terug naar zijn shovel.

Vanaf dit moment lopen de lezingen van de bouwvakkers en van de verdachte uiteen.

De bouwvakkers hebben verklaard dat de chauffeur werd beschoten op het moment dat hij bezig was in de shovel te klimmen. De technische recherche heeft deze versie gereconstrueerd. Zij hebben een persoon de cabine van de shovel laten inklimmen, terwijl een gespannen lijntje als schotlijn aanwezig was. Op de broek van de persoon was op de plaats van de schotverwonding een witte sticker geplakt. Op het moment dat de persoon met het rechter been op de cabinedorpel stond en het linker been bijtrok om in de cabine te stappen, kwam de witte sticker precies in de schotlijn terecht (foto 28 en 29 bij het technische rapport van de politie, pagina 121 en 122 van het dossier).

De verdachte heeft vanaf het eerste moment en consequent verklaard dat, nadat zijn collega pepperspray had gespoten in de richting van de chauffeur, de chauffeur plaatsnam in de shovel en dat hij gericht zo laag mogelijk op de chauffeur heeft geschoten toen deze wegreed. In het dossier bevindt zich als bijlage II bij het technische rapport een situatietekening waarin het segment/schootsvlak is aangegeven waarbinnen de schutter zich moet hebben bevonden. Hierop is te zien dat binnen dit schootsvlak de meest rechts aangegeven schotlijn langs de stoel van de shovel gaat. Deze schotlijn is ook door middel van een gespannen lijntje zichtbaar gemaakt (foto 27 bij het technisch rapport van de politie). Deze lezing is door de technische recherche niet nader onderzocht of zichtbaar gemaakt met een persoon die in de shovel had plaatsgenomen, zoals bij de versie van de bouwvakkers wel is gedaan. Dat het is gegaan zoals de verdachte heeft verklaard is naar het oordeel van de rechtbank op basis van het technische onderzoek echter niet uit te sluiten en zeker mogelijk te achten.

Na het lezen van de verklaringen die de bouwvakkers, de getuigen [naam getuige 1], [naam getuige 2] en [naam getuige 3], tegenover de politie hebben afgelegd, de verklaringen die de getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] tegenover de rechter-commissaris hebben afgelegd en het bekijken van de DVD met daarop de reconstructie die met deze drie getuigen en de verdachte is gedaan, komt de rechtbank tot het oordeel dat de verklaringen van de getuigen over het moment van schieten door de verdachte en over de plaats waar de chauffeur zich op dat moment bevond, niet consistent en dus niet overtuigend zijn.

De rechtbank acht de verklaringen van de verdachte daarentegen wel geloofwaardig. De verklaringen van de verdachte zijn van meet af aan consistent geweest. De lezing van de verdachte wordt door de resultaten van het onderzoek van de technische recherche niet uitgesloten en bij de reconstructie is deze lezing ook mogelijk gebleken. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de lezing van verdachte het meest aannemelijk is geworden en gaat ervan uit, dat de verdachte heeft geschoten op het moment dat de chauffeur in de cabine van de shovel zat en begon weg te rijden.

Voorts ligt de vraag voor of de verdachte een rechtvaardiging had voor het schieten op de chauffeur. Nadat de verdachte het waarschuwingsschot had gelost en zijn collega de verdachte met pepperspray in het gezicht had gespoten, heeft de chauffeur de straatklinkers laten vallen, is naar de shovel gelopen, in de cabine geklommen en weggereden. De shovel werd naar links gestuurd in de richting van de plaats waarvan de verdachte wist dat zijn collega daar moest staan. De verdachte heeft toen de navolgende afweging gemaakt. De chauffeur had pepperspray in zijn gezicht gehad, was desondanks weer in de shovel gestapt en weggereden in de richting van de plaats waar zich de collega van verdachte moest bevinden en dat terwijl de chauffeur naar het oordeel van de verdachte “door het lint” was en daarmee ontoerekenbaar in zijn handelen. De verdachte wilde een einde maken aan de dreigende situatie en heeft vervolgens met zijn dienstwapen bewust laag gericht op de cabine van de shovel en een kogel afgevuurd. De collega heeft verklaard dat hij, toen de chauffeur met de shovel wegreed, inderdaad een paar stappen moest doen om niet door de achterwielen van de shovel geraakt te worden.

Hieruit volgt dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de collega van de verdachte en dat de verdediging op dat moment noodzakelijk was.

De volgende vraag is of het door de verdachte gebruikte geweld in redelijke verhouding stond met de ernst van de aanranding.

De rechtbank heeft hiervoor de gang van zaken voorafgaande aan het moment van schieten beschreven. Hieruit is af te leiden dat er sprake is van een geweldsopbouw. Het begint met het negeren van een stopverbod, het met een shovel proberen een politieauto van de weg te drukken, het lijfelijk aanvallen van de verdachte waarbij deze is geschopt en geslagen, het negeren van een waarschuwingsschot en het eindigt met het bijna overrijden van de collega van de verdachte. Daarbij komt het feit dat de chauffeur op dat moment, om met zijn eigen woorden te spreken, vreselijk kwaad was.

De telkens jegens de chauffeur toegepaste - minder zware - middelen om hem te doen stoppen hadden niet het beoogde effect gehad. Er restte verdachte op dat moment niets anders dan gericht laag te schieten. De rechtbank is van oordeel dat het door de verdachte toegepaste geweld in verhouding was met het beschermd belang en in die situatie een geoorloofd middel vormde. De verdachte heeft derhalve voldaan aan de eisen van subsididiariteit en proportionaliteit.

De rechtbank oordeelt dat de verdachte heeft geschoten om een einde te maken aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van zijn collega. Aldus slaagt het beroep op noodweer. De rechtbank acht het subsidiair bewezen verklaarde feit niet strafbaar. De verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de heer [naam slachtoffer], wonende te [woonplaats], via de gemachtigde mr. T.H. Slieker, advocaat te ‘s-Gravenhage. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 34.628,08 en immateriële schade tot een bedrag van € 2.000,=.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing heeft gevonden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

- verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdedi¬ging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. De Gruijl-van Benthem en Derkx, rechters,

in tegenwoordigheid van Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2008.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 10 juni 2008:

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 12 oktober 2005 te Berkel en Rodenrijs ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd

[naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een

kogel heeft afgevuurd op of in de richting van het lichaam van die [naam slachtoffer],

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo. 45 wetboek van strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2005 te Berkel en Rodenrijs aan een persoon

genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schotwond

aan het been), heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk met

een vuurwapen een kogel afgevuurd op of in de richting van het lichaam van

die [naam slachtoffer], welke kogel het been van die [naam slachtoffer] heeft doorboord;

(artikel 302 wetboek van strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 oktober 2005 te Berkel en Rodenrijs ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [naam slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

met een vuurwapen een kogel heeft afgevuurd op of in de richting van het

lichaam van die [naam slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf

niet is voltooid;

(artikel 302 jo. 45 wetboek van strafrecht)

VOETNOTEN

(1) De verklaring van de verdachte op de terechtzitting.

(2) Een geschrift, zijnde een medische verklaring/letselbeschrijving van [naam slachtoffer], d.d. 18 oktober 2005 opgemaakt door forensisch arts L.C. Los.

(3) Een geschrift, zijnde een fotografische afbeelding, als bijlage 31 en 32 gevoegd bij het ambtsedig proces-verbaal van de technische recherche van politie Zuid-Holland-Zuid, inhoudende het sporenonderzoek genummerd 05-114793 van 14 oktober 2005.

(4) Het onder 3 genoemde proces-verbaal van de technische recherche.

(5) Een ambtsedig rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te ’s-Gravenhage d.d. 11 november 2005, genummerd 2005.10.18.040.

(6) De verklaring van [naam slachtoffer], op de terechtzitting gebruikmakend van zijn spreekrecht.