Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG5706

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
260690 / HA ZA 06-1300
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop. Bodemverontreiniging. Artikel 7:23 BW. Tijdig geklaagd. Onderzoeksplicht en mededelingsplichten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 17
Burgerlijk Wetboek Boek 7 23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2008/9 met annotatie van Bos
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 260690 / HA ZA 06-1300

Uitspraak: 15 oktober 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. H.L. Verweel,

- tegen -

[gedaagde],

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L.J. den Hollander.

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

- het tussenvonnis van 24 oktober 2007 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie na tussenvonnis van [eiser], met producties 1 tot en met 5;

- de antwoordconclusie na tussenvonnis.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij voormeld tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over het beroep van [gedaagde] op artikel 7:23 lid 1 BW, alsmede over het verweer van [gedaagde] dat haar een beroep toekomt op een in de leveringsakte opgenomen exoneratiebeding. Voorts is [eiser] verzocht een aantal stukken in het geding te brengen. Partijen hebben in de conclusiewisseling na tussenvonnis hun standpunten nader uiteengezet, [eiser] onder overlegging van de gevraagde stukken.

2.2 Thans dient de verdere beoordeling plaats te vinden van het verweer van [gedaagde] dat [eiser] na het onderzoeksrapport van september 2001 van BKH te lang heeft gewacht met nader onderzoek en dat [eiser] niet tijdig over de verontreiniging heeft geklaagd, zulks in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW.

2.3 Uitgangspunt bij deze beoordeling is dat op de koper in dat kader een onderzoeksplicht en een mededelingsplicht rusten (zie HR 29 juni 2007, JOR 2007/260).

De koper dient ter beantwoording van de vraag of de hem geleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt het redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten. Dit dient te worden ingesteld en uitgevoerd met de voortvarendheid die in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs van hem kan worden gevergd. Daarbij kunnen onder meer van belang zijn de aard en waarneembaarheid van het gebrek, de wijze waarop dit aan het licht treedt en de deskundigheid van de koper. Onder omstandigheden kan een onderzoek door een deskundige nodig zijn voor de koper om zich een beter beeld te kunnen vormen van de aard, ernst en oorzaak van de gebreken, zulks ter beantwoording van de vraag of de zaak aan de overeenkomst beantwoordt.

In dat geval mag de koper in beginsel de uitslag van het onderzoek afwachten zonder de verkoper van het onderzoek op de hoogte te stellen. Wanneer echter mag worden verwacht dat met het onderzoek langere tijd is gemoeid, of zulks tijdens de loop daarvan blijkt, dient de koper onverwijld aan zijn wederpartij kennis te geven van dat onderzoek en de verwachte duur daarvan.

De koper dient voorts binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt, of bij redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek had behoren te ontdekken, dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, hiervan kennis te geven aan de verkoper. In het geval van een niet-consumentenkoop dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door de lengte van de in acht genomen klachttermijn.

2.4 Tegen deze achtergrond wordt het volgende overwogen.

2.4.1 De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat [eiser] direct na de overdracht in 1980 een bodemonderzoek had moeten laten instellen. Er zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaraan [eiser] redelijkerwijs het vermoeden had moeten ontlenen dat sprake was van bodemverontreiniging. De enkele mogelijkheid dat daarvan sprake zou zijn, acht de rechtbank hiervoor niet voldoende.

2.4.2 [eiser] stelt dat de voorgenomen verkoop van zijn bedrijf de aanleiding vormde voor het in 1999/2000 ingestelde bodemonderzoek, dat heeft geleid tot een rapport van 17 september 2001 van BKH. [gedaagde] heeft niet betwist dat dit voor [eiser] de aanleiding was voor het onderzoek. In deze procedure is dan ook uitgangspunt dat dit onderzoek geen onderzoek was ter beantwoording van de vraag of de geleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordde, in welk geval het onder omstandigheden al in 1999/2000 op de weg van [eiser] zou hebben gelegen [gedaagde] te informeren.

2.4.3 Het rapport van 17 september 2001 bevatte evenwel voldoende aanknopingspunten voor [eiser] om tenminste te vermoeden dat sprake was van een verontreinigingsituatie die, vanuit zijn optiek, de conclusie rechtvaardigde dat sprake was van non-conformiteit. In het rapport wordt immers geconcludeerd dat sprake is van lichte tot sterke olieverontreiniging in de grond en een matige olieverontreiniging en lichte verontreiniging met andere stoffen van het grondwater. In lijn hiermee stelt [eiser] zelf bij conclusie na tussenvonnis dat hij (pas) na het rapport van 17 september 2001 wist dat van bodemverontreiniging sprake was en dat het terrein in 1980 "wellicht niet aan de overeenkomst beantwoordde".

De rechtbank acht het - mede gelet op het ontbreken van deskundigheid van [eiser] ten aanzien van verontreinigingen, hetgeen niet in discussie is tussen partijen - gerechtvaardigd dat [eiser] vervolgens nader onderzoek heeft laten instellen om zich een beter beeld te kunnen vormen van de aard, ernst en oorzaak van de gebreken. Nu echter, zo dit al niet moest worden verwacht, feitelijk is gebleken dat de resultaten van het onderzoek langere tijd op zich lieten wachten, had [eiser] op enig moment [gedaagde] in kennis moeten stellen van dat nadere onderzoek. Er is sprake geweest van conceptrapporten van maart 2002 en van juli 2002, gevolgd door een definitief vervolgrapport van [bedrijf1] van 7 oktober 2002. Indien [eiser] al niet tussentijds [gedaagde] had moeten informeren over het (vervolg)onderzoek, had hij dit in elk geval na ontvangst van het definitieve rapport van 7 oktober 2002 moeten doen. De rechtbank acht het niet gerechtvaardigd dat [eiser] zonder [gedaagde] daarvan in kennis te stellen daarna nog nader onderzoek naar de ernst en aard van de verontreiniging heeft laten instellen. Voorts moet worden vastgesteld dat [gedaagde] zelfs niet is geïnformeerd na het nadere onderzoek door Ascor Project Management BV, die op 28 februari 2003 een rapport heeft uitgebracht. Uiteindelijk is [gedaagde] pas naar aanleiding van het hierop volgende DCMR-rapport van september 2003, door [eiser] ontvangen bij brief van 5 februari 2004, in augustus 2004 op de hoogte gesteld van het feit dat er een verontreiniging op het perceel is aangetroffen en dat zij daarvoor aansprakelijk wordt gehouden.

2.4.4 De rechtbank concludeert dat [eiser] [gedaagde] al in 2002 in kennis had moeten stellen van het ingestelde (vervolg)onderzoek. Aangenomen moet worden dat [gedaagde] ook toen belang had bij zo spoedige mogelijke mededelingen hierover van [eiser], nu met het verstrijken van de tijd de eigen bewijspositie verslechtert en voorts aannemelijk kan worden geacht dat [gedaagde] dan nog een redelijke gelegenheid had kunnen krijgen om invloed uit te oefenen op de (wijze van) uitvoering van het vervolgonderzoek.

2.4.5 Voorts is met het opeenvolgen van rapporten voor [eiser] ook de gehoudenheid - op straffe van verval van rechten - gegroeid om [gedaagde] ervan in kennis te stellen dat de zaak in zijn visie niet aan de overeenkomst beantwoordde. Temeer gelet op de lange periode die de onderzoeken hebben bestreken, had [eiser] dit in elk geval onverwijld na ontvangst van het DCMR-rapport moeten doen. Een periode van een half jaar is in deze omstandigheden beduidend te lang, waaraan niet kan afdoen dat [eiser] zich genoodzaakt voelde juridisch advies in te winnen. Dit geldt temeer nu [eiser] bij conclusie na tussenvonnis zelf stelt dat hij onmiddellijk na ontvangst van het DCMR-rapport in februari 2004 juridisch advies heeft ingewonnen bij zijn rechtsbijstandverzekeraar, zonder feiten en omstandigheden te stellen die zouden kunnen rechtvaardigen dat vervolgens pas een half jaar later [gedaagde] is aangeschreven. Ook hier geldt dat aangenomen moet worden dat de bewijspositie van [gedaagde] nadeel heeft ondervonden van het tijdsverloop.

2.5 Aan het voorgaande kan niet afdoen dat het DCMR-rapport (blijkbaar) het eerste rapport is waarin wordt gesuggereerd dat de verontreiniging is ontstaan door de bedrijfsvoering van [gedaagde]. De mogelijkheid dat [eiser] pas toen op de gedachte is gekomen dat [gedaagde] als verkoper zou kunnen worden aangesproken, hetgeen vanwege de omstandigheid dat de levering al in 1980 had plaatsgevonden niet onbegrijpelijk zou zijn, dient voor risico van [eiser] te blijven. Bovendien is voor een beroep op non-conformiteit niet bepalend of [gedaagde] dan wel een derde (op pagina 3 van DCMR-rapport staat vermeld dat [eiser] meent dat de gemeente Brielle de grond destijds in verontreinigde toestand heeft uitgegeven) de verontreiniging zou hebben veroorzaakt.

2.6 Hieruit volgt dat [eiser] niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 7:23 BW rustende mededelingsverplichtingen, zodat hij jegens [gedaagde] geen rechten meer kan doen gelden aangaande de gestelde non-conformiteit. Onder verwijzing naar overweging 3.4 van het tussenvonnis van 24 oktober 2007 leidt dit tot de gevolgtrekking dat de vorderingen van [eiser] dienen te worden afgewezen.

2.7 [eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van de procedure te dragen.

3. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 1.300,= wegens vast recht en € 2.235,= wegens salaris van de advocaat.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694]