Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG3468

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-07-2008
Datum publicatie
05-11-2008
Zaaknummer
291013 / HA RK 07-166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voorlopig getuigenverhoor havenpensioenen-verschoningsrecht notaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 507
RN 2009, 10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 291013 / HA RK 07-166

Uitspraak: 25 juli 2008

beschikking in het incident

naar aanleiding van het beroep op het verschoningsrecht van de getuige

[de getuige],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.N. de Blécourt

in het voorlopig getuigenverhoor van

de stichting STICHTING BELANGENBEHARTIGING PENSIOENGERECHTIGDEN VAN DE VERVOER- EN HAVENBEDRIJVEN,

gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

procureur en advocaat mr. R.B. Gerretsen,

advocaat mr. A.I.M. van Mierlo te Rotterdam,

- tegen -

I de stichting STICHTING OPTAS,

gevestigd te Rotterdam,

advocaten mr. J.W. van der Staay te [woonplaats] en mr. S.E. von Dewall te [woonplaats],

II [verweerder sub 2],

wonende te [woonplaats],

III [verweerder sub 3],

wonende te [woonplaats],

IV [verweerder sub 4],

wonende te [woonplaats],

V [verweerder sub 5],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. R.S. Meijer te [woonplaats],

procureur mr. W.J. Hengeveld,

verweersters.

1 Het verloop van het geding

Bij beschikking van 10 januari 2008 is verzoekster toegestaan een aantal getuigen te horen in het kader van een voorlopig getuigenverhoor. [de get[de getuige] (hierna te noemen [de getuige], de getuige of de notaris) is één van die getuigen.

Ter openbare terechtzitting d.d. 13 juni 2008 heeft [de getuige], na als getuige de belofte te hebben afgelegd, zich ten aanzien van een aantal vragen op zijn verschoningsrecht ex art. 165, tweede lid, onder b van het Wetboek van [de getuige]rgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) beroepen. Verzoekster heeft medegedeeld het beroep op dat verschoningsrecht ongegrond te achten, verweerders hebben zich in beginsel gerefereerd. Met partijen is afgesproken, dat de getuige, verzoekster en verweerders hun standpunten omtrent de gegrondheid van dat beroep (desgewenst) nader schriftelijk aan de rechter-commissaris zouden toelichten, waarna een schriftelijke beslissing zou volgen. Van het verhoor, dat met instemming van betrokkenen is voortgezet, is proces-verbaal opgemaakt.

(De advocaat van) [de getuige] heeft zijn standpunt nader toegelicht bij brief van 25 juni 2008, verzoekster het hare bij brief van 11 juli 2008. Verweerders hebben geen schriftelijk standpunt ingenomen.

De uitspraak van de beslissing op dat beroep is bepaald op heden.

2 Het geschil

2.1

De getuige heeft, met een beroep op het hem toekomende verschoningsrecht, niet willen antwoorden op de volgende vragen:

De precieze inhoud van de aan hem verstrekte opdracht, inclusief het aspect of het ging om onderzoek of advisering;

Alle vragen omtrent hetgeen is voorgevallen tijdens vergaderingen van zowel het dagelijks bestuur als het voltallig bestuur als de stichtingsraad en de mogelijke deelnemersraad van de stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven (hierna: PVH);

De vraag wat in [de getuige]s notitie, productie 4 bij verzoekschrift, de achtergrond is geweest van de formulering van punt 6 en de discussie daaromtrent met zijn cliënt en alles wat daarmee samenhangt;

De verklaring voor het verschil in de redactie van artikel 37 in enerzijds productie 6 bij het verzoekschrift en anderzijds de gepasseerde akte d.d. 31 december 2007, in het bijzonder, maar niet beperkt tot de vraag of er discussie is geweest omtrent de inhoud van dat artikel met [de getuige]s cliënt;

De vraag waarom in artikel 2.3 van productie 5 bij het verzoekschrift gekozen is voor deze formulering, wat daarmee beoogd is en eventuele input van [de getuige]s cliënt op dat punt;

De vraag of de brieven zoals overgelegd als producties 9 tot en met 15 gevoegd bij de brief van mr. Gerretsen d.d. 26 november 2007 door [de getuige]s cliënt aan [de getuige] zijn toegezonden en eventueel contact met zijn cliënt daarover;

Alle mededelingen van [de getuige] aan zijn cliënt, waarbij [de getuige] zijn cliënt omschrijft als PVH, de rechtspersonen die al dan niet direct uit haar zijn voortgekomen en de gehele structuur van rechtspersonen zoals die uiteindelijk is ontstaan, alsmede alle natuurlijke personen die als betrokkene bij die rechtspersonen optraden;

Alle overleg en mededelingen in het kader van deze zaak van de zijde van [de getuige]s cliënt die hebben geleid tot de akten zoals ze uiteindelijk tot stand zijn gekomen en wat daarmee samenhangt, alsmede al zijn adviezen in dat kader;

De bedoelingen van de omzetting, de achtergronden daarvan en de vraag wat er in de toekomst eventueel met de rendementen gedaan zou kunnen worden;

De winstdelingsregeling en de achtergronden daarvan.

De getuige en zijn advocaat, mr. De Blecourt, hebben dat beroep, zeer kort samengevat, als volgt onderbouwd:

Vanwege het [de getuige] toekomende verschoningsrecht in het kader van zijn geheimhoudingsplicht als notaris behoeft hij geen vragen te beantwoorden die betrekking hebben op zaken die hem zijn toevertrouwd althans medegedeeld of die hij heeft geadviseerd, tenzij zijn getuigenis noodzakelijk is met het oog op de uitleg en/of totstandkoming van de transactie waarop de door hem opgemaakte akten zien en verzoekster, als derde, stelt als gevolg van de totstandkoming van die akten in haar rechten te zijn benadeeld, dan wel daaraan een recht ontleent. Voor wat betreft vragen die zien op de voorbereiding van de akten behoeft hij geen vragen te beantwoorden, tenzij beantwoording noodzakelijk is voor de uitleg en de totstandkoming en het geen zaken betreft die als aan hem toevertrouwd hebben te gelden. Daarbij moet de rechter-commissaris marginaal toetsen.

Beoordeeld naar deze maatstaf komt [de getuige] bij de gestelde vragen steeds een beroep op het verschoningsrecht toe.

2.2

Verzoekster is van oordeel, dat de getuige geen beroep op het verschoningsrecht toekomt. Zij heeft daartoe, zeer kort samengevat, aangevoerd dat, nu hier overeenstemming is bereikt omtrent een transactie van zakelijke aard, die tegen derden moet kunnen worden ingeroepen om haar volle werking te hebben en die in openbare akten is neergelegd, bij vragen die zien op uitleg, totstandkoming of voorbereiding daarvan slechts in door [de getuige] te stellen uitzonderlijke omstandigheden sprake zal zijn van feiten of mededelingen die aan hem als notaris zijn toevertrouwd. [de getuige] heeft omtrent die omstandigheden niets aangevoerd. Daarbij doet niet ter zake of het een eenzijdige of een meerzijdige rechtshandeling betreft.

2.3

Verweerders hadden ter zitting aangegeven zich in beginsel te refereren aan het oordeel van de rechter-commissaris en alleen een schriftelijk standpunt in te zullen nemen als zij reden zagen van dat beginsel af te wijken. Nu zijn geen schriftelijk standpunt hebben ingenomen neemt de rechter-commissaris aan dat zij zich refereren.

De beoordeling

3.1 achtergrond

Het onderwerp van de getuigenverhoren is, kort samengevat, de omzetting van PVH in een commerciële verzekeraar en de daarmee samenhangende herstructurering. De achtergrond van de belangstelling van verzoekster daarvoor vormt de recente verkoop door verweerster sub 1 van de aandelen in Optas NV en de voorgenomen aanwending van het daardoor vrijgekomen vermogen van verweerster sub 1 op andere wijze dan voor verbetering van vervoer- en havenpensioenen en premiefaciliteiten voor vervoer- en havenwerkgevers. Verzoekster -een rechtspersoon die ten tijde van de herstructurering nog niet bestond, doch blijkens haar doelstelling de belangen behartigt van (kort samengevat) werkgevers in de haven en vervoersector, hun (ex-)werknemers en nagelaten betrekkingen - beoogt met die verhoren materiaal te verzamelen om een scherper beeld te krijgen van de gang van zaken in verband met een mogelijk te entameren onrechtmatige daadsactie.

3.2 in deze rekestprocedure als vaststaand aan te merken feiten

In het kader van die herstructurering zijn, naar vast staat, door [de getuige] als notaris diverse akten verleden, onder meer inhoudende de omzetting van PVH in de naamloze vennootschap Optas Pensioenen II NV, inclusief de statuten van die laatste vennootschap, en de statuten van de stichting Optas. Daarnaast zijn de naamloze vennootschappen Optas Pensioenen NV en Optas Pensioenen II NV in 1998 gefuseerd, waarbij Optas Pensioenen de verkrijgende rechtspersoon was, en bij welke gelegenheid haar statuten zijn gewijzigd; ook daarbij heeft [de getuige] als notaris de akten opgesteld.

De betreffende akten zijn, conform de wettelijke verplichting daartoe, openbaar gemaakt door neerlegging bij het handelsregister.

3.3 identiteit van de client

De rechter-commissaris stelt voorop, dat in confesso is dat de getuige in zijn hoedanigheid van notaris in de herstructureringsoperatie waarop de vragen betrekking hebben in elk geval PVH bijstond.

De getuige zelf heeft te kennen gegeven dat hij ook als zijn opdrachtgevers beschouwde en beschouwt de rechtspersonen die al dan niet direct uit PVH zijn voortgekomen en de gehele structuur van rechtspersonen zoals die uiteindelijk is ontstaan, alsmede alle natuurlijke personen die als betrokkene bij die rechtspersonen optraden. Dit is kennelijk een interpretatie van de opdracht door de getuige op basis van de gehele situatie en de hem ter beschikking staande gegevens (inclusief de hem toevertrouwde gegevens); van deze omschrijving, die in het licht van de Verordening Beroeps- en Gedragsregels en de aard van de herstructureringsoperatie verdedigbaar voorkomt en voor het overige gebaseerd is op de onder het verband van de belofte afgelegde verklaring van de getuige, waarvan de rechter-commissaris het waarheidsgehalte niet betwijfelt, wordt in het navolgende uitgegaan.

3.4 toetsingskader

Bij de beoordeling van het beroep op het verschoningsrecht dient tot uitgangspunt dat een notaris, gelet op art. 22 van de Wet op het notarisambt, in beginsel een verschoningsrecht toekomt ten aanzien van hetgeen hem in zijn hoedanigheid is toevertrouwd, terwijl het in de eerste plaats aan de notaris zelf is om te bepalen of beantwoording van een hem gestelde vraag hem zou nopen tot het onthullen van dergelijke, geheim te houden, gegevens; daaromtrent bestaat op zichzelf ook geen debat. Dat neemt echter niet weg, dat de rechter-commissaris mag toetsen en ook dient te toetsen of de getuige de grenzen niet te ruim trekt. Hoewel het wettelijk kader op dat vlak summier is heeft de Hoge Raad in een reeks van uitspraken een uitgebalanceerd systeem ontwikkeld. Dat systeem, dat eerst betrekkelijk recent min of meer is uitgekristalliseerd, is als leidraad gehanteerd bij de in dit geval te nemen beslissing. Zoals mede blijkt uit het KNB- preadvies uit 2007 en de commentaren daarop betreft het hier een materie in ontwikkeling; de oudere jurisprudentie en literatuur, waarop door partijen hier en daar een beroep wordt gedaan, is in zoverre achterhaald.

3.4.1

De grondslag van het verschoningsrecht van een notaris ligt in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt moet wijken voor het maatschappelijk belang dat iedereen zich zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene tot een notaris als vertrouwenspersoon moet kunnen wenden. Het verschoningsrecht strekt zich alleen uit tot datgene waarvan de wetenschap de getuige als notaris is toevertrouwd, terwijl datgene dat hem is als notaris is meegedeeld in beginsel ook als hem toevertrouwd heeft te gelden. Dat laatste beginsel -wat is meegedeeld, is toevertrouwd- was in eerdere arresten (bijv. NJ NJ 1986, 173, [persoon1]) voorop gesteld om (onwenselijk te achten) onzekerheid over de reikwijdte van het verschoningsrecht, en discussies over het meer of minder vertrouwelijke karakter van bepaalde informatie (die zouden nopen tot een problematische openbaring van gegevens aan de rechter) te voorkomen.

Uit latere arresten van de Hoge Raad, hierna wel aangeduid als [persoon2] en [persoon3] (resp. NJ 1993,467 en NJ 1995,3) blijkt, dat dat beginsel echter een belangrijke uitzondering kent als het gaat om een situatie waarin partijen hebben onderhandeld over een (zakelijke) transactie, daarover overeenstemming is bereikt en een en ander tot een schriftelijke vastlegging door de notaris heeft geleid. De Hoge Raad heeft in het [persoon2]-arrest beslist dat in zo’n geval -als het een geschil tussen partijen betreft- de notaris ter zake van de totstandkoming en de uitleg van die transactie zal moeten getuigen, en zich dus niet mag verschonen; hetgeen de onderhandelende partijen de notaris hebben medegedeeld geldt dan niet als hem toevertrouwd. In het [persoon3]-arrest is die lijn doorgetrokken in die zin dat, als het gaat om een geschil met een (belanghebbende) derde die door de transactie benadeeld meent te zijn, aan de notaris slechts dan een verschoningsrecht toekomt als de transactie dan wel de feiten van belang voor de uitleg voor die derde verborgen dienen te blijven; alleen dan gelden die transactie en die feiten als de notaris toevertrouwd. Dat dit laatste zich voordoet, zo overweegt de Hoge Raad, ligt in beginsel niet voor de hand als het gaat om een transactie van zakelijke aard als de overdracht van een onderneming die naar haar aard tegen derden moet kunnen worden ingeroepen wil zij haar volle werking hebben. Voor het tegendeel zullen duidelijke aanwijzingen moeten zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat zulks onder meer strookt met (thans) art. 49 van de Wet op het Notarisambt, dat het recht op afgifte regelt.

Voor wat betreft de voorbereiding en de voorbereidende stukken voor die transactie geldt, dat daarover slechts verklaard behoeft te worden voor zover dit “noodzakelijk is met het oog op die totstandkoming en uitleg”. Zodra gevraagd wordt naar hem toevertrouwde feiten, mag de notaris zwijgen.

3.4.2

Hoewel het in het thans voorliggende geval voornamelijk gaat om eenzijdige rechtshandelingen is de rechter-commissaris van oordeel dat deze omstandigheid niet van wezenlijk belang is; ook hier gaat het om een transactie van zakelijke aard die in de kern strekt tot overgang van de gehele onderneming naar een andere rechtspersoon en die, om haar volle werking te hebben, tegenover anderen ingeroepen moet kunnen worden. Bij de omzettingsakte (waarop de vragen zich vooral gericht hebben) werd niet overgedragen aan een andere rechtspersoon, maar werd de ene entiteit werd omgezet in de andere; daarbij kwam echter de zeggenschap in andere handen te liggen, terwijl ook de besluitvormingsstructuur ingrijpend werd veranderd. In een van de andere akten ging het om een fusie. Het gaat hier steeds, naar [de getuige] ook onderkent, om openbaar gemaakte akten die, evenzeer als wanneer het om een aandelenoverdracht was gegaan, -mede- ten doel hebben tegen anderen, zoals verzoekster en degenen wier belangen zij behartigt, ingeroepen te worden. In het kader van dit voorlopig getuigenverhoor moet voorts, op basis van de beschikking en de doelomschrijving van verzoekster worden aangenomen dat verzoekster een belanghebbende “derde” is die meent, mede als gevolg van deze transacties, geschaad te zijn. Dat is op zichzelf door [de getuige] niet bestreden. De aard van de transactie en het beoogde effect naar buiten acht de rechter-commissaris in dit licht van groter belang dan de (betrekkelijk toevallige) omstandigheid of het een een- dan wel meerzijdige rechtshandeling betreft (met uitzondering van het hierna onder 3.4.5 te bespreken aspect van de voorbereiding).

De in de arresten [persoon2] en [persoon3] uitgezette lijn dient dan ook hier te worden toegepast.

Dat betekent, dat vragen die zien op de uitleg en de totstandkoming van de herstructurering zoals die is neergelegd in de diverse akten beantwoord moeten worden. Blijkens de schriftelijke toelichting is [de getuige] het met dat uitgangspunt eens (zij het op iets andere gronden en met een wat afwijkende interpretatie omtrent de reikwijdte).

3.4.3 uitleg

Uit de opstelling van [de getuige] ten tijde van het verhoor en uit de nadere schriftelijke toelichting blijkt, dat [de getuige] kennelijk meent dat het woord uitleg buitengewoon eng moeten worden geïnterpreteerd. In de schriftelijke toelichting lijkt dit voornamelijk gebaseerd te zijn op de parallel met art. 49 van de wet op het Notarisambt.

Die parallel dwingt in de hiervoor geschetste omstandigheden niet tot deze enge uitleg, terwijl recente jurisprudentie aanleiding geeft om een ruimer begrip te hanteren. Zo heeft de Hoge Raad onder meer in het arrest van 4 mei 2007 (NJ 2008,187) beslist, dat bij de uitleg van een akte (in dat geval inhoudende huwelijkse voorwaarden) gewicht toekomt aan datgene wat de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de diverse bepalingen en de betekenis die sommige bepalingen volgens notarieel gebruik normaliter hebben. Dat betekent, dat vragen naar het opnemen dan wel weglaten van bepaalde bepalingen in de betreffende akten en de exacte formuleringen daarvan in beginsel beschouwd moeten worden als vragen naar de uitleg, die niet onder het verschoningsrecht vallen en dus beantwoord moeten worden. De beantwoording zal daarbij, gelet op het vorenstaande en op de algemene notie dat de betekenis van woorden mede afhangt van de context, in het algemeen niet beperkt kunnen blijven tot opmerkingen in de trant van “er staat wat er staat”.

Zoals uit het voorgaande blijkt is een beroep op het verschoningsrecht wel op zijn plaats in het uitzonderlijke geval dat het -anders dan in het algemeen voor de hand ligt- toch om zaken gaat die de notaris zijn toevertrouwd, in die zin dat zij voor anderen, zoals verzoekster, verborgen zouden moeten blijven. In de brief van 25 juni 2008 is weliswaar een beroep gedaan op die uitzondering, maar de duidelijke aanwijzingen die deze gedachte steunen, en die in de door de Hoge Raad ontwikkelde systematiek door [de getuige] aangedragen hadden moeten worden, ontbreken. Uit de wel beschikbare gegevens blijkt immers, dat in ruime kring over de herstructurering werd gesproken en dat bijvoorbeeld allerlei stukken, waaronder de notitie die [de getuige] had opgesteld, zijn verspreid onder de bestuursleden, aan wie het kennelijk vrij stond daarover met hun achterban -zijnde de werkgevers en werknemers wier belangen verzoekster nu (mede) behartigt- te overleggen. Op dit punt zal zo nodig, bij de bespreking per vraag, worden teruggekomen.

3.4.4 totstandkoming

[de getuige] heeft steeds geantwoord op de vraag of de betreffende teksten door hem, althans op zijn kantoor onder zijn verantwoordelijkheid, zijn opgesteld. Er zijn voor het overige geen vragen gesteld die specifiek zien op de totstandkoming van de akten als zodanig. Tussen partijen is immers niet in geschil dat, wanneer en met welke tekst de herstructurering uiteindelijk gestalte heeft gekregen.

3.4.5 voorbereiding

Voor wat betreft de voorbereiding is de norm, dat daaromtrent alleen verklaard hoeft te worden als zulks voor de uitleg en de totstandkoming noodzakelijk is.

In dit verband komt wel betekenis toe aan de omstandigheid dat het hier in een aantal gevallen, in het bijzonder bij meergenoemde omzettingsakte, een eenzijdige rechtshandeling betrof. Er is weliswaar onderhandeld over de herstructurering, maar niet tussen PVH en een ander, doch binnen de kring van PVH en haar organen en dus, vanuit de positie van [de getuige] gezien, binnen de sfeer van zijn cliënt; deze onderhandelingen vallen aldus onder het begrip voorbereiding.

Dat betekent, dat als bij de specifieke vragen ten aanzien van de voorbereiding van deze akte feiten geraakt worden die als door de cliënt aan [de getuige] toevertrouwd hebben te gelden, [de getuige] zich alsnog op zijn verschoningsrecht kan beroepen. Daarop zal hierna per vraag worden ingegaan.

3.4.6 mededelingen/adviezen van [de getuige]

Uit aard en doel van het verschoningsrecht volgt, dat dit ziet op het vertrouwelijk houden van aan de notaris toevertrouwde zaken. Hetgeen de notaris zelf aan zijn cliënt zegt valt in beginsel niet onder het verschoningsrecht; immers, zijn persoonlijke observaties en meningen en hetgeen zijn vakkennis en ervaring hem leren behoeft niet vertrouwelijk te blijven en zijn beroepsgeheim ziet daarop ook niet. Zoals onder meer blijkt uit het arrest van de HR d.d. 13 januari 2006 (NJ 2006, 480) strekt het verschoningsrecht zich alleen dan uit tot dergelijke van de notaris uitgaande mededelingen, adviezen en wat dies meer zij als daaruit -direct of indirect- hem toevertrouwde zaken zouden blijken.

3.5

Voormelde uitgangspunten leiden tot de volgende beslissing per vraag.

Vraag 1

De precieze inhoud van de aan hem verstrekte opdracht, inclusief het aspect of het ging om onderzoek of advisering;

Deze vraag heeft geen betrekking op uitleg, totstandkoming of voorbereiding (als in 3.4.3 tot en met 3.4.5 nader omschreven) van de akten; de rechter-commissaris acht aan redelijke twijfel onderhevig of beantwoording van de vraag naar waarheid zal kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven.

Het beroep op het verschoningsrecht is dus gegrond.

Vraag 2:

Alle vragen omtrent hetgeen is voorgevallen tijdens vergaderingen van zowel het dagelijks bestuur als het voltallig bestuur als de stichtingsraad en de mogelijke deelnemersraad van PVH;

Het beroep op het verschoningsrecht is hier te ruim, nu de zeer algemene en verstrekkende aard daarvan meebrengt dat het zowel ziet, althans kan zien, op kwesties, die betrekking hebben op uitleg, totstandkoming of voorbereiding (als in 3.4.3, 3.4.4 en 3.4.5 nader omschreven) van de akten als op andere zaken. In deze algemene termen is het beroep derhalve ongegrond. De getuige zal, naar aanleiding van elke specifieke vraag, met inachtneming van de hiervoor uiteengezette maatstaf opnieuw dienen te bezien of hij de vraag beantwoordt of niet, waarna in voorkomend geval op een nieuw beroep op het verschoningsrecht beslist zal worden.

Vraag 3

De vraag wat in [de getuige]s notitie, productie 4 bij verzoekschrift, de achtergrond is geweest van de formulering van punt 6 en de discussie daaromtrent met zijn cliënt en alles wat daarmee samenhangt;

Dit is een vraag die, voor zover het betreft een nadere toelichting op de formulering van genoemd punt en de discussie met zijn client daarover, ziet op de uitleg van de akten waarin de herstructurering wordt geëffectueerd, in het bijzonder de interpretatie van [de getuige] zoals die aan zijn client is medegedeeld; gelet op de voorgaande punten in die notitie is dat stuk immers bedoeld om een (juridisch-technische) toelichting te geven op de beoogde structuur, die uiteindelijk in de akten is neergelegd. Dit deel van de vraag zal dus, gelet op 3.4.3 en 3.4.6 hiervoor, beantwoord moeten worden; in zoverre is het beroep op het verschoningsrecht ongegrond.

Overigens verdient daarbij opmerking dat [de getuige] deze vraag niet geheel onbeantwoord heeft gelaten. De verklaring die [de getuige] op dit punt ter zitting wel heeft willen afleggen, inhoudende “Voor wat betreft de tweede zin van punt 6 van die notitie zeg ik u, dat die wat mij betreft duidelijk is. Ik acht wat daar staat zonder nadere toelichting logisch voortvloeiend uit de zin daar voor.” houdt echter niet noodzakelijkerwijs een volledige beantwoording in.

Voor zover de vraag meer omvat (alles wat daarmee samenhangt) is zij te onbepaald voor de getuige om te kunnen beoordelen of hij zich wel of niet op zijn verschoningsrecht kan beroepen. In dat licht kan beantwoording niet gevergd worden. Desgewenst kan de vraag ter zitting nader gespecificeerd worden waarna de getuige kan bezien of hij deze kan beantwoorden of niet. Op een dan mogelijk in te roepen verschoningsrecht zal daarna beslist kunnen worden.

Vraag 4

De verklaring voor het verschil in de redactie van artikel 37 in enerzijds productie 6 bij het verzoekschrift en anderzijds de gepasseerde akte d.d. 31 december 2007, in het bijzonder, maar niet beperkt tot de vraag of er discussie is geweest omtrent de inhoud van dat artikel met [de getuige]s cliënt.

Voor zover deze vraag poogt op te helderen wat men, in het bijzonder verzoekster en degenen wier belangen zij behartigt, moet/mag begrijpen uit de formulering van het artikel in de gepasseerde akte gaat het om een vraag van uitleg van de betreffende akte; deze vraag dient beantwoord te worden en het beroep op het verschoningsrecht is dus ongegrond.

Ten aanzien van het gedeelte van de vraag dat ziet op de discussie tussen [de getuige] en zijn cliënt moet onderscheid gemaakt worden tussen de gepasseerde akte en de tekst in productie 6. Voor wat betreft de tekst van art. 37 in de gepasseerde akte geldt, dat het hier een vraag van uitleg als bedoeld in 3.4.3 betreft. Het beroep op het verschoningsrecht is in zoverre ongegrond.

Voor de tekst in productie 6 geldt, dat het hier gaat om voorbereiding van de akte en dat [de getuige] zich heeft beroepen op eerder genoemde uitzondering, te weten dat het hier om hem toevertrouwde feiten gaat, terwijl de rechter-commissaris aan redelijke twijfel onderhevig acht of beantwoording van de vraag naar waarheid zal kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven. In zoverre is het verschoningsrecht terecht ingeroepen.

Praktisch gesproken betekent dat dus, dat [de getuige] wel zal hebben te verklaren omtrent de betekenis van de formulering zoals die in de definitieve akte is terecht gekomen en de redenen om dat zo en niet anders (bijvoorbeeld zoals in het concept) te verwoorden, maar dat hij zal mogen zwijgen over de vraag waarom eerst voor die andere tekst was gekozen.

Vraag 5

De vraag waarom in artikel 2.3 van productie 5 bij het verzoekschrift gekozen is voor deze formulering, wat daarmee beoogd is en eventuele input van [de getuige]s cliënt op dat punt;

Ervan uitgaande dat deze tekst in de gepasseerde akte is opgenomen geldt daarvoor, dat het hier een vraag van uitleg betreft die beantwoord moet worden. Het beroep op het verschoningsrecht is ongegrond.

Vraag 6

De vraag of de brieven zoals overgelegd als producties 9 tot en met 15 gevoegd bij de brief van mr. Gerretsen d.d. 26 november 2007 door [de getuige]s cliënt aan [de getuige] zijn toegezonden en eventueel contact met zijn cliënt daarover;

Deze vraag betreft niet de uitleg, totstandkoming of voorbereiding van de akten; het beroep op het verschoningsrecht is gegrond.

Vraag 7

Alle mededelingen van [de getuige] aan zijn cliënt, waarbij [de getuige] zijn cliënt omschrijft als PVH, de rechtspersonen die al dan niet direct uit haar zijn voortgekomen en de gehele structuur van rechtspersonen zoals die uiteindelijk is ontstaan, alsmede alle natuurlijke personen die als betrokkene bij die rechtspersonen optraden;

De rechter-commissaris neemt de omschrijving van de cliënt door [de getuige] tot uitgangspunt (zie 3.3 hiervoor).

Zoals uit het voorgaande blijkt is het beroep op het verschoningsrecht te ruim. Het treft in elk geval op de onder 3.4.6 genoemde gronden geen doel voor zover het ziet op mededelingen van [de getuige] aan zijn cliënt die geen hem als notaris toevertrouwde zaken betreffen (maar bijvoorbeeld slechts algemene juridische adviezen, op basis van zijn kennis, zijn ervaring en de notariële gebruiken).

Ook overigens is het beroep te ruim, nu de zeer algemene en verstrekkende formulering meebrengt dat het zowel ziet, althans kan zien op kwesties, die betrekking hebben op uitleg, totstandkoming of voorbereiding (als in 3.4.3 tot en met 3.4.5 nader omschreven) van de akten als op andere zaken. In deze algemene termen is het beroep derhalve ongegrond. De getuige zal, naar aanleiding van elke specifieke vraag, met inachtneming van de hiervoor uiteengezette maatstaf opnieuw dienen te bezien of hij de vraag beantwoordt of niet, waarna in voorkomend geval op een nieuw beroep op het verschoningsrecht beslist zal worden.

Vraag 8

Alle overleg en mededelingen in het kader van deze zaak van de zijde van [de getuige]s cliënt die hebben geleid tot de akten zoals ze uiteindelijk tot stand zijn gekomen en wat daarmee samenhangt, alsmede al zijn adviezen in dat kader;

Hier geldt, op mutatis mutandis dezelfde gronden, hetgeen hiervoor bij vraag 7 is opgenomen.

Vraag 9

De bedoelingen van de omzetting, de achtergronden daarvan en de vraag wat er in de toekomst eventueel met de rendementen gedaan zou kunnen worden;

Deze vraag is zeer algemeen. Op basis van de huidige formulering kan niet worden gezegd dat de achtergronden van de omzetting betrekking hebben op uitleg, totstandkoming en voorbereiding van de akten. In zoverre is het beroep dus gegrond.

Voor zover de bedoelingen van de omzetting en de vraag wat er in de toekomst met de rendementen gedaan zou kunnen worden zien op uitleg en totstandkoming, met bijbehorende voorbereiding, van de akten zullen vragen daarnaar aan de hand van de hiervoor uiteengezette maatstaven beantwoord moeten worden, doch deze vragen zullen nader gespecificeerd dienen te worden om een nadere beoordeling op dat punt mogelijk te maken.

Vraag 10

De winstdelingsregeling en de achtergronden daarvan.

Deze vraag zal nader gespecificeerd dienen te worden, nu onduidelijk is waarop exact gedoeld wordt. Als daarmee louter bedoeld is duidelijkheid te verkrijgen omtrent de uitleg van de akte omdat een bepaling op dit punt ontbreekt, zoals in de brief van verzoekster d.d. 11 juli 2008 aangegeven, betreft het een vraag die ziet op uitleg van de akte en zal deze beantwoord moeten worden.

3.6

De zaak zal worden verwezen naar de, in overleg met partijen en de getuige, reeds bepaalde terechtzitting van 1 oktober 2008 voor voortzetting van het verhoor. Bij die gelegenheid zal verzoekster vragen kunnen stellen. Voor zover het nieuwe vragen betreft, of nadere verduidelijking van de zeer algemene vragen als hiervoor aangegeven, staat het [de getuige] uiteraard vrij zich in voorkomend geval wederom op zijn verschoningsrecht te beroepen. Daarop zal dan in beginsel aanstonds, mondeling, beslist worden.

Vanzelfsprekend zijn verweerders daarna in de gelegenheid vragen te stellen en geldt een en ander voor hun vragen mutatis mutandis even zeer.

3.7

Het wettelijk systeem brengt mee, dat beroep van deze beslissing open staat, voor zover het gaat om de gegrondverklaring van het beroep op het verschoningsrecht voor verzoekster en verweerders, voor zover het gaat om de ongegrondverklaring voor de getuige.

Zoals ter zitting met betrokkenen besproken gaat de rechter-commissaris ervan uit dat de rechtbank door de appellant op de hoogte wordt gesteld van een eventueel ingesteld beroep, met het oog op de planning van voormelde voortzetting.

4 De beslissing

De rechter-commissaris:

verklaart gegrond het beroep op het verschoningsrecht van de getuige [de getuige] voor zover het betreft de vragen 1, 4(deels), 6 en 9 (deels), een en ander zoals hiervoor onder 3.5 overwogen en bepaalt, dat de getuige deze vragen niet behoeft te beantwoorden;

verklaart het beroep op het verschoningsrecht ongegrond voor zover het betreft de vragen 2, 3, 4 (deels), 5, 7, 8, 9 (deels), 10, een en ander zoals hiervoor onder 3.5 overwogen en bepaalt dat de getuige de betreffende (delen van) vragen zal moeten beantwoorden, met dien verstande, dat op de daar aangegeven punten de vragen nader gespecificeerd moeten worden waarna de getuige opnieuw zal hebben te bezien of hij zich op zijn verschoningsrecht wil beroepen of niet;

verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de zitting van 1 oktober 2008 voor voortzetting van de verhoren.

Deze beschikking is genomen door mr. Hofmeijer-Rutten.

Uitgesproken in het openbaar.

106