Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG1719

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-10-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
316250 / HA RK 08-253
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wraking afgewezen. In de ogen van verzoeker onjuiste processuele beslissingen van de rechters kunnen in beginsel niet leiden tot het oordeel dat de rechters partijdig zijn of de schijn van partijdigheid hebben opgeroepen; de beoordeling van de juistheid van die beslissingen behoort primair tot de bevoegdheid van de appèlrechter. Dit kan slechts anders zijn indien die beslissingen - gelet op alle omstandigheden van het geval - dermate onbegrijpelijk zijn, dat zij een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees van verzoeker voor partijdigheid van de rechters objectief gerechtvaardigd is. Bepaling dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling wordt genomen, omdat verzoeker nu voor de derde maal vergeefs wraking van de rechters verzoekt op grond van processuele beslissingen ter zitting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 316250

Rekestnummer : HA RK 08-253

Parketnummer : 10/750091-07

Uitspraak : 27 oktober 2008

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

preventief gedetineerd in P.I. Rijnmond, locatie "De IJssel" te Krimpen aan den IJssel,

verzoeker,

strekkende tot wraking van [namen gewraakte rechters], respectievelijk voorzitter en rechters in de meervoudige strafkamer voor de behandeling van strafzaken in deze rechtbank (hierna: de rechters).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 3 oktober 2008 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, welke kamer was samengesteld als hiervoor vermeld, het onderzoek hervat in de tegen verzoeker aanhangig gemaakte strafzaak onder bovenvermeld partketnummer.

Bij die gelegenheid heeft de raadsman van verzoeker de rechters gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de hierboven omschreven strafzaak, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor omschreven zitting.

Voorts heeft de wrakingskamer kennis genomen van de aanvulling op de korte toelichting van het wrakingsverzoek, ingezonden bij faxbericht van de raadsman van verzoeker, gedateerd 6 oktober 2008.

Verzoeker, zijn raadsman, de rechters, alsmede de officier van justitie zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechters zijn in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechters hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 13 oktober 2008, alwaar de behandeling van de gedane wraking is aangevangen, zijn verschenen: de raadsman van verzoeker, mr. [naam advocaat], alsmede de officier van justitie mr. [naam officier van justitie]. De behandeling is op deze zitting geschorst en aangehouden op de wijze als verwoord in het proces-verbaal van de zitting, dat zich eveneens bij de stukken bevindt.

Ter zitting van 24 oktober 2008 is de behandeling - vanwege de gewijzigde samenstelling van de wrakingskamer - opnieuw aangevangen. Op die zitting zijn verschenen: verzoeker, zijn raadsman mr. [naam advocaat] voornoemd, alsmede de officier van justitie mr. [naam officier van justitie] voornoemd.

De raadsman heeft - mede aan de hand van pleitaantekeningen en producties - het standpunt van verzoeker nader toegelicht.

Op laatstgenoemde zitting heeft de raadsman van verzoeker de rechters van de wrakingskamer gewraakt.

Daarop heeft de wrakingskamer verzoeker en diens raadsman meegedeeld dat nog dezelfde middag een nieuwe wrakingskamer zal worden geformeerd en dat bij ongegrondbevinding van het laatstbedoelde wrakingsverzoek de behandeling van het verzoek tegen de rechters aansluitend zal worden voortgezet.

Verzoeker heeft daarop afstand gedaan van het recht bij de behandeling van de wrakingsverzoeken aanwezig te zijn. De raadsman heeft zich omtrent zijn aanwezigheid daarbij op dat moment niet uitgelaten.

Voorafgaande aan de behandeling van het wrakingsverzoek tegen de leden van de wrakingskamer heeft de raadsman de griffier van die wrakingskamer telefonisch medegedeeld dat hij niet aanwezig zal zijn bij de behandeling van het verzoek tegen de leden van de wrakingskamer, hetgeen hij ook per faxbericht heeft bevestigd, en dat hij die middag niet meer ter zitting zal verschijnen.

Bij beslissing van een nieuw geformeerde wrakingskamer van 24 oktober 2008 is laatstgenoemd wrakingsverzoek afgewezen. Deze beslissing zal afzonderlijk worden geminuteerd door de kamer die de beslissing heeft gegeven.

Vervolgens heeft de wrakingskamer ter zitting van 24 oktober 2008 de behandeling van het verzoek tot wraking van de rechters voortgezet. Verzoeker en diens raadsman zijn daarbij niet verschenen. Van zowel de eerste - door de wraking onderbroken - behandeling op 24 oktober 2008 als van de voortgezette behandeling van de wraking is proces-verbaal opgemaakt.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker aangevoerd hetgeen is opgenomen in de brief van de raadsman van verzoeker aan de rechtbank, gedateerd 6 oktober 2008, alsmede in het faxbericht van de raadsman van verzoeker aan de rechtbank, gedateerd 6 oktober 2008 (15.54 uur). Van deze brief en van dit faxbericht en de daarbij behorende bijlagen zijn kopieën aan deze beslissing gehecht en de inhoud ervan wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

2.2

Voorts heeft de raadsman van verzoeker ter zitting van de wrakingskamer op 24 oktober 2008 het woord gevoerd overeenkomstig zijn pleitaantekeningen, die eveneens in kopie aan deze beslissing zijn gehecht en waarvan de inhoud eveneens als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

2.3

De rechters hebben niet in de wraking berust. Zij hebben afgezien van hun recht om ter zitting op het verzoek tot wraking te worden gehoord.

De rechters bestrijden deels de feitelijke grondslag van het verzoek en hebben overigens te kennen gegeven dat geen sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechters kan opleveren.

Zij wijzen er voorts op dat de raadsman van verzoeker in de onderhavige strafzaak eerder wrakingsverzoeken heeft ingediend, welke verzoeken zijn afgewezen. De rechters verzoeken te bepalen dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen.

3. De beoordeling

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de een of meer van de rechters - subjectief - niet onpartijdig waren. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de een of meer van de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe het volgende.

De door verzoeker ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aangedragen argumenten raken noch de subjectieve, noch de objectieve onpartijdigheid van een of meer van de rechters.

Verzoeker is het niet eens met een aantal processuele beslissingen van de strafkamer, die de tegen hem aanhangige strafzaak berecht, met name ten aanzien van de status van de zitting op 3 oktober 2008, nu op die zitting nog geen (volledig) proces-verbaal van de daaraan voorafgaande zitting van 27 september 2008 voorhanden was, omtrent de status van de raadsman die op 3 oktober 2008 al of niet als gemachtigd raadsman in de zin van artikel 279 van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangemerkt, en de beslissing op een aanhoudingsverzoek van de raadsman.

Die in de ogen van verzoeker onjuiste processuele beslissingen van de rechters kunnen in beginsel niet leiden tot het oordeel dat de rechters partijdig zijn of de schijn van partijdigheid hebben opgeroepen; de beoordeling van de juistheid van die beslissingen behoort primair tot de bevoegdheid van de appèlrechter.

Dit kan slechts anders zijn indien die beslissingen - gelet op alle omstandigheden van het geval - dermate onbegrijpelijk zijn, dat zij een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de vrees van verzoeker voor partijdigheid van de rechters objectief gerechtvaardigd is.

De door verzoeker aan de kaak gestelde processuele beslissingen van de rechters, waaruit volgens hem hun partijdigheid blijkt, zijn naar het oordeel van de wrakingskamer niet dermate onbegrijpelijk dat daaruit de gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kan worden gedestilleerd. Bij die beoordeling geldt de inhoud van het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 oktober 2008 als uitgangspunt, doch zelfs indien de lezing van de gebeurtenissen op die terechtzitting, zoals die wordt gegeven door de raadsman van verzoeker juist is, treft de wrakingskamer daarin geen dermate onbegrijpelijke beslissingen van de rechters aan, dat deze grond vormen voor wraking van de rechters.

De klachten die verzoeker en zijn raadsman hebben over de wijze waarop de voorzitter van de strafkamer en de griffier verslag hebben gedaan van de zitting van 3 oktober 2008 in het proces-verbaal van die zitting, liggen niet ten grondslag aan het verzoek tot wraking, zoals dat op die zitting is gedaan. Bedoeld proces-verbaal is immers eerst enige tijd later beschikbaar gekomen. Die klachten kunnen op zichzelf bezien daarom geen grond vormen voor een aanhouding van de behandeling van het wrakingsverzoek, met als doel de geluidsband van de zitting - alsnog in aanwezigheid van de rechters - af te luisteren, teneinde vast te stellen of de wijze van verslaglegging in het proces-verbaal van de zitting correct is geweest.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de klachten die wel aan het verzoek tot wraking ten grondslag zijn gelegd, kan ook het door de raadsman benadrukte belang van de waarheidsvinding omtrent het verhandelde ter zitting van 3 oktober 2008 niet leiden tot een zodanige aanhouding van de behandeling van dit wrakingsverzoek.

Het verzoek tot aanhouding wordt daarom afgewezen.

Op grond van het voorgaande is de wraking ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

Thans wordt het derde verzoek tot wraking afgewezen. De twee voorafgaande wrakingsverzoeken van verzoeker waren gericht tegen de voorzitter van de strafkamer, [naam voorzitter], en waren telkens eveneens gegrond op processuele beslissingen ter zitting, welke in de ogen van verzoeker onjuist waren.

Nu inmiddels driemaal een dergelijk wrakingsverzoek is ingediend, dat vervolgens telkenmale niet gegrond is bevonden, komt de rechtbank tot het oordeel dat er aan de zijde van verzoeker sprake is van misbruik van het middel van wraking, als bedoeld in artikel 515, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, en dat een volgend verzoek tot wraking in deze procedure op die grond niet in meer in behandeling behoort te worden genomen.

4. De beslissing

Wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het verzoek tot wraking totdat de geluidsopnamen van de terechtzitting van 3 oktober 2008 beschikbaar zijn en ter zitting van de wrakingskamer kunnen worden afgeluisterd.

Wijst af het verzoek tot wraking van [namen gewraakte rechters].

Bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking van de behandelend rechters niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven op 27 oktober 2008 door mr. A.J.P. van Essen, voorzitter, mr. S.W. Kuip en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.