Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG1206

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
22-10-2008
Zaaknummer
281390 / HA ZA 07-873
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rechtsmacht Nederlandse rechter, artikel 7 Rv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 281390 / HA ZA 07-873

Uitspraak: 15 oktober 2008

Vonnis van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de vennootschap naar vreemd recht IF P&C INSURANCE COMPANY LIMITED,

gevestigd te Helsinki, Finland,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. P.H.C.M. van Swaaij,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap HAMPDEN INSURANCE N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

2. de vennootschap naar vreemd recht NEW HAMPSHIRE INSURANCE COMPANY,

gevestigd te New York, Verenigde Staten van Amerika,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. W.J. Hengeveld.

Partijen worden hierna aangeduid als “IF”, respectievelijk “Hampden” en “New Hampshire”.

1 Het verloop van het geding en de vordering in de hoofdzaak

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

dagvaarding van 2 maart 2007 met 18 producties;

stukken betreffende een incident tot oproeping in vrijwaring, eindigende met het

vonnis van 15 augustus 2007;

akte zijdens IF houdende vermindering van eis;

incidentele conclusie zijdens New Hampshire houdende exceptie van

onbevoegdheid;

conclusie van antwoord in het incident;

conclusie van repliek in het incident;

conclusie van dupliek in het incident.

1.2 De gewijzigde vordering in de hoofdzaak luidt om, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met veroordeling van Hampden en New Hampshire in de kosten van het geding:

primair: voor recht te verklaren dat niet IF doch Hampden moet worden aangemerkt als herverzekeraar ter zake van het herverzekeringscontract dat New Hampshire heeft afgesloten met betrekking tot de door haar verzekerde risico’s inzake Sainsbury;

subsidiair: voor recht te verklaren dat IF bevoegd is om de schade die zij heeft geleden als gevolg van de te late melding door New Hampshire, welke schade nog nader dient te worden vastgesteld, te verrekenen met enige uitkering die zij aan New Hampshire dient te doen onder het herverzekeringscontract inzake Sainsbury.

2 De vordering en het verweer in het incident

2.1 New Hampshire heeft gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de subsidiaire vordering van IF kennis te nemen, met veroordeling van IF in de kosten van het geding.

New Hampshire heeft hieraan, verkort weergegeven, ten grondslag gelegd dat artikel 6 lid 1 EEX-Vo – waarop IF ten aanzien van haar vordering in de hoofdzaak tegen New Hampshire de rechtsmacht van de Nederlandse rechter heeft gebaseerd – niet van toepassing is nu tussen de primaire en subsidiaire vordering van IF niet een zodanig nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting van beide vorderingen. Er spelen verschillende rechtsvragen en verschillende feitencomplexen, aldus New Hampshire.

2.2 IF heeft de incidentele vordering gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing ervan. IF heeft hiertoe, verkort weergegeven, het volgende aangevoerd.

Er is sprake van een zodanig nauwe band tussen de vorderingen tegen New Hampshire en de andere gedaagde Hampden dat bij beoordeling door afzonderlijke gerechten het risico van onverenigbare uitspraken bestaat, welke risico dient te worden vermeden. In de vorderingen tegen beide gedaagden staat immers de vraag centraal of IF dekking dient te verlenen aan New Hampshire. De grondslag van beide vorderingen is in dit kader niet relevant. Voorts is het uit oogpunt van proceseconomie wenselijk dat de Nederlandse rechter - zonodig - oordeelt over de subsidiaire vordering van IF, aldus IF.

3 De beoordeling in het incident

3.1 De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring betreft alleen de subsidiaire vordering van IF. Bij de beoordeling van de incidentele vordering stelt de rechtbank het volgende voorop.

Voor de beantwoording van de vraag of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt, is bepalend de grondslag van de vordering zoals die blijkens de dagvaarding is ingesteld. Door IF mogelijk te voeren verweer op een eventueel door New Hampshire in te stellen tegenvordering, bij welke rechter dan ook, is derhalve voor de beoordeling in het onderhavige incident niet relevant.

IF is in Finland gevestigd, Hampden in Nederland en New Hampshire in New York, Verenigde Staten van Amerika.

Tussen Nederland en de staat waar New Hampshire is gevestigd, is geen verdrag van toepassing betreffende rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van een vordering als de onderhavige van IF tegen New Hampshire. De plaats van vestiging (“woonplaats”) van New Hampshire ligt buiten het formele toepassingsgebied van de EEX-Vo (punt 9 van de Considerans en artikel 4 in samenhang met artikel 60 EEX-Vo). Daarom dient de vraag of de Nederlandse rechter ten aanzien van de vordering tegen New Hampshire rechtsmacht toekomt te worden beantwoord aan de hand van het nationale Nederlandse recht zoals bepaald in het WBRv (hierna: Rv).

3.2 Artikel 7 lid 1 Rv voorziet in rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van een niet in Nederland woonachtige gedaagde in het geval dat door de eiser in één zaak vorderingen zijn ingesteld tegen meer gedaagden én de Nederlandse rechter ten aanzien van een van die gedaagden rechtsmacht toekomt (in dit geval: Hampden) én tussen de vorderingen zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Omdat artikel 7 Rv in belangrijke mate is ontleend aan de voorloper van artikel 6 aanhef en onder 1 EEX-Vo, volgt de rechtbank bij de uitleg van artikel 7 Rv de uitleg van dat artikel van de EEX-Vo. Daarom is er sprake van samenhang in de zin van artikel 7 Rv indien tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden gegeven.

3.3 De subsidiaire vordering van IF gaat uit van het bestaan van een herverzekeringsovereenkomst tussen IF en New Hampshire en betreft de vraag of in die relatie een vordering van New Hampshire op IF (uit hoofde van de herverzekeringsovereenkomst) kan worden verrekend met een vordering van IF op New Hampshire (op grond van wanprestatie door New Hampshire jegens IF). Bij de beoordeling van de subsidiaire vordering speelt Hampden dan ook geen rol (meer) en is, meer in het bijzonder, de vraag of Hampden kan worden aangemerkt als herverzekeraar niet (meer) aan de orde. Ten aanzien van de subsidiaire vordering is daarom geen sprake van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 7 Rv. Derhalve komt de Nederlandse rechter in dit geval geen rechtsmacht toe ingevolge artikel 7 Rv.

3.4 Nu gesteld noch gebleken is dat de Nederlandse rechter uit anderen hoofde rechtsmacht toekomt ten aanzien van de subsidiaire vordering tegen New Hampshire, zal de rechtbank zich te dien aanzien onbevoegd verklaren.

3.5 IF zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

4 De beslissing

De rechtbank,

in het incident

verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de subsidiaire vordering van IF tegen New Hampshire;

veroordeelt IF in de proceskosten van dit incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van New Hampshire bepaald op nihil aan verschotten en op € 452,- aan salaris voor de advocaat;

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 12 november 2008 voor conclusies van antwoord.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

625/1928