Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BG0235

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-10-2008
Datum publicatie
17-10-2008
Zaaknummer
10/630118-07
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BR2433, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis.

Een drugsdeal in een woning in een woonwijk in Rotterdam is dramatisch uit de hand gelopen doordat de verdachte, in plaats van te betalen voor de geleverde heroïne, nadat deze aan hem was overgedragen en in zijn auto was geplaatst, de leveranciers van de heroïne heeft neergeschoten met een automatisch vuurwapen. Eén van de twee slachtoffers raakte dodelijk gewond, het andere slachtoffer raakte zwaar gewond.

Gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met afrek van voorarrest.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Wetboek van Strafrecht 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/630118-07

Datum uitspraak: 15 oktober 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen [detentieadres],

raadsman mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het ten laste gelegde komt er op neer dat aan de verdachte het verwijt wordt gemaakt dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

- 1 primair: het medeplegen van de moord op [slachtofer 1] op 27 april 2007 te Rotterdam;

- 1 subsidiair: het medeplegen van het opzettelijk van het leven beroven (doodslag) van [slachtoffer 1] op 27 april 2007 te Rotterdam, welke doodslag werd gepleegd om het bezig van een hoeveelheid verduisterde heroïne te verzekeren;

- 1 meer subsidiair: het medeplegen van het opzettelijk van het leven beroven (doodslag) van [slachtoffer 1] op 27 april 2007 te Rotterdam;

- 2 primair: het medeplegen van de poging tot moord op [slachtoffer 2] op 27 april 2007 te Rotterdam;

-2 subsidiair: het medeplegen van de poging tot het opzettelijk van het leven beroven (doodslag) van [slachtoffer 2] op 27 april 2007 te Rotterdam, welke doodslag werd gepleegd om het bezig van een hoeveelheid verduisterde heroïne te verzekeren;

-2 meer subsidiair: het medeplegen van de poging tot het opzettelijk van het leven beroven (doodslag) van [slachtoffer 2] op 27 april 2007 te Rotterdam;

- 3: het medeplegen van het vervoeren van ongeveer 20 kilogram heroïne;

-4: het voorhanden hebben van een pistool en daarbij behorende munitie.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie, mr. Vreugdenhil, heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren met aftrek van voorarrest;

- niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] in haar vordering;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot het bedrag van € 3.095,00, alsmede tot oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair, 2 primair en 4 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Feiten 1 primair en 2 primair.

Niets uit de dossierstukken en het onderzoek ter terechtzitting wijst erop dat de verdachte en/of zijn mededaders hebben gehandeld na een moment van kalm beraad en rustig overleg, voorafgaand aan de uitvoering van de schietpartij waarbij [slachtoffer 1] om het leven kwam en [slachtoffer 2] zwaar gewond raakte.

Feit 4.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het vuurwapen, dat tijdens de doorzoeking van zijn woning, in de kelderbox was aangetroffen, van hem was. Omtrent de aldaar tevens aangetroffen munitie heeft de verdachte niets willen verklaren. Echter in het dossier ontbreekt een technisch proces-verbaal van bevindingen waaruit blijkt dát het vuurwapen en de munitie een vuurwapen en munitie zijn zoals ten laste gelegd.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 is van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan.

Op 27 april 2007, omstreeks 20.17 uur, gingen verbalisanten van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, na een melding van de meldkamer daartoe, naar de Oost-Sidelinge te Rotterdam, alwaar ter hoogte van pandnummer 75 een schietpartij zou hebben plaatsgevonden. Ter plaatse gekomen, zagen de verbalisanten, voor het portiek van de woningen 73A tot en met D, een man op de grond liggen die later bleek te zijn het slachtoffer [slachtoffer 2]. Het overhemd dat [slachtoffer 2] droeg was bebloed, hij was gewond aan zowel zijn rechter als zijn linker onderarm. Ook de broek die [slachtoffer 2] droeg was ter hoogte van het achterwerk bebloed. Desgevraagd verklaarde [slachtoffer 2] dat hij was beschoten. [slachtoffer 2] verklaarde voorts dat in een woning van het portiek waarvoor hij lag nog een tweetal slachtoffers aanwezig moest zijn.

Naar aanleiding van deze verklaring van [slachtoffer 2] zijn verbalisanten vervolgens het portiek binnen gegaan. In het trappenhuis lagen op meerdere plaatsen bloeddruppels op de vloer. De verbalisanten zagen dat achter de voordeur van woning 73D het stoffelijk overschot van, naar later werd vastgesteld, [slachtoffer 1] lag. Het stoffelijk overschot werd in beslag genomen en overgebracht naar het mortuarium Goetzee aan de Boezemsingel 36 te Rotterdam en op 29 april 2007 overgebracht naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) te Den Haag. Het stoffelijk overschot werd geïdentificeerd door middel van afgenomen vingerafdrukken en een confrontatie op 29 april 2007 met de echtgenote van het slachtoffer.

Op 29 april 2007 werd door de arts en patholoog-anatoom A. Maes een uit- en inwendige schouwing verricht op het stoffelijk overschot van het slachtoffer [slachtoffer 1]. Bij de beoordeling komt de patholoog-anatoom tot de conclusie dat [slachtoffer 1] is overleden door schotletsels. Er waren twee inschoten en twee doorschoten aan het lichaam. De schotkanalen verliepen van boven naar beneden door het lichaam. In het lichaam, in de rechterborstholte en in de rechterlong, bevonden zich nog twee kogels. Het overlijden wordt zonder meer verklaard door bloedverlies en functieverlies.

Door de forensisch arts L.L. Los werd op 1 mei 2007 een letselbeschrijving van het slachtoffer [slachtoffer 2] op gemaakt. De forensisch arts constateerde bij [slachtoffer 2] diverse rond/ovale verwondingen, van ongeveer één tot anderhalve centimeter doorsnede, net onder de rechter elleboog, aan de binnenzijde van de rechter onderarm en bij de linker elleboog. Midden op de buik was een operatiewond te zien. Ter hoogte van de rechter ribbenboog was eveneens een verwonding zichtbaar. Op de linkerbil bevonden zich twee verwondingen, net onder de bil, aan de achterzijde van het linker bovenbeen bevond zich één verwonding. Alle verwondingen passen bij schotverwondingen. Bij operatie werd schampletsel van de maag gezien, alsmede schampletsel aan twee segmenten van de lever. Op een röntgenfoto van de linker elleboog is een kogel te zien. Het letsel is potentieel dodelijk.

Op de Oost Sidelinge te Rotterdam werd de aldaar ter plaatse aanwezige verbalisant De Nies aangesproken door een hem onbekend gebleven getuige, die verklaarde dat de verdachten in een voertuig met het kenteken [kenteken] waren weggereden.

Uit de gegevens voor de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) bleek dat dit kenteken, behorende bij een Volkswagen Jetta, op naam stond van autobedrijf [autobedrijf] te Amsterdam en dat de Volkswagen Jetta, voorzien van het kenteken [kentkeken], was verhuurd bleek te zijn aan een persoon genaamd [verdachte].

Op 6 mei 2007 verklaarde de verdachte tegenover de politie onder meer dat hij ongeveer anderhalve maand geleden bij autoverhuurbedrijf [autoverhuurbedrijf] in Amsterdam een Volkswagen Jetta had gehuurd, waarvan het kenteken iets met [lettercombinatie] en [cijfercombinatie] was.

Op 28 april 2007 omstreeks 02.00 uur, werd door de verbalisant M.C. Bos forensisch onderzoek verricht in het trappenhuis van de woningen 73A tot en met 73D en 75A tot en met 75D aan de Oost-Sidelinge te Rotterdam. In dit trappenhuis werden door de verbalisant vinger-/handpalmafdrukken zichtbaar gemaakt en veiliggesteld, waaronder een spoor dat werd aangetroffen op de trapleuning tussen de vierde woonlaag en het bordes naar de derde woonlaag (een spoor gekenmerkt als B-016).

Op 7 mei 2007 werd door de verbalisant A.K. Hesselink, vakspecialist Dactyloscopie & DNA, het dactyloscopisch spoor B-016 vergeleken met de vingerafdrukken en/of handpalmafdrukken voorkomende op het dactyloscopisch signalement onder biometrienummer 310001013275, ten name gesteld van verdachte [verdachte]. Bij vergelijking bleek het voornoemd dactyloscopisch spoor identiek te zijn aan de vinger en/of handpalmafdrukken van verdachte [verdachte].

[schoonmaker 1] en zijn collega [schoonmaker 2], beiden werkzaam voor een schoonmaakbedrijf, hebben op 27 april 2007 het portiek Oost Sidelinge 73/75 schoongemaakt. De schoonmaakwerkzaamheden bestonden onder meer uit het met een spons en water met sop schoonmaken van de reling.

Op vragen van zijn raadsman verklaarde de verdachte ter terechtzitting dat zijn vingerafdrukken in het portiek zijn aangetroffen omdat hij daar heeft staan wachten.

Op 27 april 2007 werd in de woning aan de Oost-Sidelinge 73D te Rotterdam een technisch sporenonderzoek ingesteld. Op basis van dit onderzoek wordt onder meer geconcludeerd dat, het mogelijk is dat het slachtoffer [slachtoffer 2] wellicht is geraakt door een schot, afgevuurd in de woonkamer doch zeer waarschijnlijk de overige verwondingen heeft opgelopen terwijl hij in de gang heeft gestaan.

Gezien de plaats waar het dodelijke slachtoffer [slachtoffer 1] werd aangetroffen en de bevindingen tijdens de gerechtelijke sectie op het stoffelijk overschot van het slachtoffer, is [slachtoffer 1] door vier projectielen van het kaliber 9 millimeter Parabellum geraakt en hij zich zeer waarschijnlijk in de gang ter hoogte van de toegangsdeur bevonden toen hij werd beschoten.

Op de vloer tussen de banken in de woonkamer werd onder meer een aardappelschilmesje met een wit heft aangetroffen.

Door het NFI werd vastgesteld dat de beige poeder aangetroffen op het aardappelschilmesje met het witte heft, heroïne bevat.

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verklaringen van de medeverdachte

[medeverdachte 1] uitgesloten dienen te worden van het bewijs. [medeverdachte 1] zou in het geheel van de feiten 1 en 2 een dubieuze rol spelen. In de onderlinge verklaringen van [medeverdachte 1] zitten genoeg tegenstrijdigheden. [medeverdachte 1], ten tijde van de schietpartij aanwezig in de woning aan de Oost-Sidelinge 73D te Rotterdam, zou niet goed hebben kunnen zien wie de schutter(s) was/waren, omdat hij op het moment van het schieten weggedoken zat achter een bank. Ook op andere onderdelen is [medeverdachte 1] niet consequent in zijn verklaringen.

Zo ook voor wat betreft de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 2]. Naar het oordeel van de raadsman vult [slachtoffer 2] zijn verklaringen in. Zijn verklaringen bevatten een scala aan tegenstrijdigheden.

Dit verweer wordt verworpen.

Evenals de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] in hun geheel geloofwaardig zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Zowel zijn relaas met betrekking tot het schietincident als hetgeen daaraan vooraf is gegaan wordt op essentiële punten ondersteund door technisch onderzoek en bewijs dan wel door verklaringen van getuigen of verbalisanten.

- Zowel [medeverdachte 1] als het slachtoffer [slachtoffer 2] hebben zeer kort na het incident verklaard. Beiden verklaren eensluidend over de aanwezigheid van drie Surinaamse mannen in de woning, over de hoeveelheid heroïne en over het testen daarvan in de woning. Beiden zijn het er verder over eens dat het de Surinamers zijn geweest die met het automatische vuurwapen hebben geschoten op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Dit betreft de eerste verklaringen van beide medeverdachten, vrijwel direct na het incident. Niet aannemelijk is dat zij hun verklaringen op enigerlei wijze op elkaar hebben afgestemd. Beide verklaringen kunnen voor het bewijs gebezigd worden.

- Wanneer de verbalisanten op 27 april 2007, omstreeks 20.10 uur voor het portiek aan de Oost-Sidelinge 73A tot en met D het slachtoffer [slachtoffer 2] aantreffen, verklaart deze uit eigen beweging dat hij en een andere man via een contactpersoon bij het adres aan de Oost-Sidelinge waren gekomen. Zij waren met zijn drieën en zouden twintig kilo heroïne op dit adres verhandelen aan drie Surinamers. Op het moment dat zij elkaar ontmoetten, begonnen de Surinamers te schieten.

Nadat de medeverdachte [medeverdachte 1] is aangehouden, verklaart hij tijdens zijn insluitingsfouillering, zonder daarnaar gevraagd te zijn, dat hij weet naar wie de politie zoekt, namelijk de drie donkere negers die ook de dag ervoor door de politie in Hilversum zijn gecontroleerd. [medeverdachte 1] zat toen met deze drie mannen in de auto. Deze mannen, zo verklaarde [medeverdachte 1], hadden net in het huis geschoten.

Op 26 april 2007, omstreeks 21.48 uur, werden te Hilversum door verbalisanten van regiopolitie Gooi en Vechtstreek de vier inzittenden van een Volkswagen Jetta, voorzien van het kenteken 97-SX-SZ, aan de hand van geldige legitimatiebewijzen gecontroleerd. De bestuurder bleek te zijn de verdachte [verdachte]. De overige inzittenden waren [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3].

Op 4 december 2007 verklaarde [medeverdachte 1] tegenover de rechter-commissaris onder meer dat hij op 27 april 2007 in de flatwoning aan de Oost-Sidelinge, met, op een gegeven moment, nog zes andere personen, aanwezig was. Dat waren [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], een hem onbekend gebleven Turkse man (ook wel de Koerd of de Aleviet genoemd), [een zekere D.], het broertje van [voornoemde D.] en de Engelsman. [D.], het broertje van [D.] en de Koerd gingen op een gegeven moment met de drugs naar beneden. [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], de Engelsman en [medeverdachte 1] bleven achter in de woning. Een paar minuten later was er gerommel aan het slot van de deur. [slachtoffer 1] liep richting de deur. De voordeur ging open en [medeverdachte 1] zag dat [D.] naar binnen kwam. Vervolgens zag [medeverdachte 1] dat [slachtoffer 2], [slachtoffer 1], [D.] en het broertje van [D.] met elkaar aan het worstelen waren. De Engelsman liep naar de gang en vervolgens hoorde [medeverdachte 1] een knal, hetgeen klonk als een schot uit een pistool. [medeverdachte 1] dook hierop gelijk achter een bank en keek een paar keer over de bank heen om te zien wat er gebeurde. [slachtoffer 2] lag inmiddels op de grond, deels in de woonkamer, deels in de gang. Het broertje van [D.] had een uzi in zijn hand en richtte deze op [slachtoffer 2]. [medeverdachte 1] hoorde vervolgens een geluid dat klonk als “prrrmmmm”, het geluid van een automatisch wapen. Nadat [D.] en zijn broertje de woning hadden verlaten, kwam [medeverdachte 1] achter de bank vandaan. [slachtoffer 2] lag gewond en kreunde van de pijn. [slachtoffer 1] zat op zijn knieën naast de deur.

[medeverdachte 1] verklaarde op 19 juni 2007 tegenover de politie onder meer dat, toen hij en de overige inzittenden van de Volkswagen Jetta door de politie te Hilversum werden gecontroleerd, ‘het broertje van [D.] achter het stuur zat, dat [D.], voorin naast zijn broertje, ging zitten en dat hij, samen met ‘de Engelsman’, achterin zat.

Op het moment dat [D.] en zijn broertje de woning aan de Oost-Sidelinge binnenstapten, zag [medeverdachte 1] dat het broertje van [D.] een zwarte rugzak bij zich had. [medeverdachte 1] keek een seconde naar de televisie en hoorde ineens “Ho ho” roepen. Toen hij opkeek, zag hij dat het broertje van [D.] aan het worstelen was. Er klonk een schot uit de richting van de gang. De gewonde Koerd ([slachtoffer 2]) lag op de grond en schopte in de richting van het broertje van [D]. Het broertje van [D.] had een uzi in zijn linkerhand en richtte deze op de gewonde Koerd. Inmiddels achter de bank in de woonkamer gezeten, zag [medeverdachte 1] dat het broertje van [D.] de uzi op de gewonde Koerd richtte, waarna hij een salvo schoten hoorde, gevolgd door nog een enkel schot. Het geluid van de schoten kwam beide keren uit de richting van de voordeur.

Op 19 juni 2007 werd een fotobewijsconfrontatie gehouden waarbij aan [medeverdachte 1] een tiental foto’s van personen werd getoond. Eén van deze foto’s betrof een foto van de verdachte uit het fotobestand van de politie Rotterdam-Rijnmond. Deze foto van de verdachte kwam op plaatsnummer 5. Terwijl [medeverdachte 1] naar de fotoselectie keek, wees hij naar foto 5 en verklaarde: “Dat is het broertje van [D.], hij had het machinegeweer in zijn hand.”

Op 20 juni 2007 verklaarde [slachtoffer 2] tegenover de politie onder meer dat hij in de woning aan de Oost-Sidelinge met de Engelsman (een donkere man, hij leek Surinaams) op de bank zat op het moment dat hij hoorde dat er op de deur werd geklopt. [slachtoffer 1] liep naar de deur en riep direct: “Wat gebeurt er?” [slachtoffer 2] zag dat de Engelsman een uzi uit zijn tasje pakte. Hierop hoorde [slachtoffer 2] een salvo uit een automatisch wapen, vanuit de richting van de deur. De Engelsman richtte vervolgens op [slachtoffer 2] en vuurde van links naar rechts een salvo op [slachtoffer 2] af. [slachtoffer 2] schopte de uzi uit de handen van de Engelsman en viel daardoor op de grond. [slachtoffer 2] voelde veel pijn in zijn borst en kon moeilijk ademhalen. De Engelsman probeerde de uzi te pakken, waarop [slachtoffer 2] ging schoppen in de richting van de Engelsman. Vanuit de gang hoorde [slachtoffer] opnieuw een salvo uit een automatisch wapen, waarop hij voelde dat hij in zijn billen en bovenbenen werd geraakt. Hij zag dat de grotere Surinamer een uzi vast had en dat hij in de gang stond.

De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat de verklaring van de medeverdachte

[medeverdachte 4] uitgesloten dient te worden van het bewijs. [medeverdachte 4] is, ter uitvoering van een rechtshulpverzoek daartoe, op 10 september 2008 door de rechtbank in Izmir te Turkije in aanwezigheid van de verbalisanten J.M. van Dijk en R.H. Hendriks en in afwezigheid van een Nederlandse rechter-commissaris gehoord. De verdediging heeft [medeverdachte 4] bij die gelegenheid, ondanks een eerder verzoek daartoe, niet kunnen horen.

Dit verweer wordt verworpen.

Door de rechter-commissaris werd in de onderhavige zaak een rechtshulpverzoek ingediend bij de Turkse autoriteiten, teneinde [medeverdachte 4] als getuige te horen. In dit rechtshulpverzoek werd uitdrukkelijk verzocht om de raadsman van de verdachte in de gelegenheid te stellen rechtstreeks vragen te stellen aan deze getuige.

Op 23 juni 2008 ontving de rechter-commissaris bericht dat de getuige [medeverdachte 4] op 30 juni 2008 zou worden gehoord door de rechtbank in Izmir. Aan de raadsman werd, blijkens dat bericht, echter geen toestemming gegeven het verhoor bij te wonen, wel was het de raadsman toegestaan schriftelijke vragen in te dienen. Nadat de rechter-commissaris het standpunt van de Turkse autoriteiten aan de raadsman had doorgegeven, liet de raadsman de rechter-commissaris weten geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om schriftelijke vragen te stellen. Hij persisteerde bij zijn wens de getuige rechtstreeks te kunnen ondervragen.

Het uiteindelijke verhoor van [medeverdachte 4] door de rechtbank in Izmir op 10 september 2008 vond plaats naar aanleiding van een daartoe door de officier van justitie ingediend rechtshulpverzoek d.d. 1 augustus 2007.

De raadsman heeft geen gebruik gemaakt van de hem door de rechter-commissaris geboden mogelijkheid om schriftelijke vragen te stellen en lag het dan ook niet op de weg van de officier van justitie om, bij de uitvoering van het door haar gedane rechtshulpverzoek, de raadsman nogmaals daaromtrent te benaderen.

Overigens is er geen wettelijke of verdragsrechtelijke bepaling die de verdediging het recht geeft om getuigen persoonlijk te ondervragen. De voor de Turkse rechtbank te Izmir afgelegde verklaring van [getuige O] kan aldus voor het bewijs worden gebezigd.

Zoals blijkt uit zijn verklaring d.d. 10 september 2008 tegenover de rechtbank te Izmir (Turkije) reed [medeverdachte 4] op 27 april 2008 in de auto van het slachtoffer [slachtoffer 1], op diens verzoek, naar de woning aan de Oost-Sidelinge te Rotterdam. [slachtoffer 1] reed, in de auto van [medeverdachte 4], eveneens naar die woning. Daar aangekomen ging [slachtoffer 1] de woning binnen, [medeverdachte 4] bleef beneden wachten in de auto van [slachtoffer 1]. Korte tijd later kwam [slachtoffer 1] weer naar buiten, liep naar zijn auto (de auto waarin [medeverdachte 4] zat) en haalde uit de kofferbak van die auto een zwarte koffer. Op dat moment kwam er een Volkswagen aanrijden waaruit twee negers en een Turk stapten. [slachtoffer 1] had aan [medeverdachte 4] gevraagd of hij de koffer in de kofferbak van de Volkswagen Jetta, gekentekend [kenteken], wilde plaatsen.

Geconfronteerd met het gegeven dat het om twintig kilogram heroïne ging, verklaart [medeverdachte 4] te vermoeden dat de koffer die hij vanuit de auto van [slachtoffer 1] in de Volkswagen plaatste die twintig kilogram heroïne bevatte.

Dat de onderhavige drugsdeal ging om twintig kilogram heroïne wordt bevestigd door de medeverdachte [medeverdachte 1], wanneer hij tegenover de politie verklaart dat ‘die negers het geld hadden voor twintig kilo bruin’ en dat ‘de Koerden vertelden dat zij genoeg hadden en twintig kilo konden leveren.’ Ook het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft het tijdens zijn verhoor door de politie over een te leveren hoeveelheid drugs van twintig kilo.

Gelet op al het voorgaande overweegt de rechtbank dat bewezen is dat de verdachte aldus op enig moment 20 kilogram aan verdovende middelen van [slachtoffer 1] overhandigd heeft gekregen. De verdovende middelen werden op verzoek van [slachtoffer 1] door [medeverdachte 4] in de auto van de verdachte geplaatst en de verdachte is daarmee samen met een of meer mededaders weggereden. De verdachte was niet in staat of niet van plan om het in een eerder stadium overeengekomen bedrag voor de verdovende middelen te betalen. In plaats daarvan heeft verdachte of een van zijn mededaders [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] neergeschoten, waarna [slachtoffer 1] dientengevolge overleed en [slachtoffer 2] zwaar gewond achterbleef. De verdachte heeft, met het plegen van deze feiten, beoogd het bezit van het wederrechtelijke verkregene, te weten de door middel van verduistering verkregen verdovende middelen, te verzekeren.

Gelet op al het vorenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder

1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1 subsidiair.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] met twee, althans een,

vuurwapen(s), één of meer kogels in het hoofd en/of lichaam geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een hoeveelheid

heroïne), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2 subsidiair.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven

te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans een,

vuurwapen(s), één of meer kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een

hoeveelheid heroïne), en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het

oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere

deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk

verkregene te verzekeren;

3.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 subsidiair.

Medeplegen van doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

2 subsidiair.

Medeplegen van poging tot doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

3.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Een drugsdeal in een woning in een woonwijk in Rotterdam is dramatisch uit de hand gelopen doordat de verdachte, in plaats van te betalen voor de geleverde heroïne, nadat deze aan hem was overgedragen en in zijn auto was geplaatst, de leveranciers van de heroïne heeft neergeschoten met een automatisch vuurwapen. Eén van de twee slachtoffers ([slachtoffer 1]) raakte dodelijk gewond, het andere slachtoffer ([slachtoffer 2]) raakte zwaar gewond.

Dit zijn zeer ernstige feiten. Met de doodslag op het slachtoffer [slachtoffer 1], gepleegd met een automatisch wapen in een woning, gelegen in een woonwijk, heeft de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] het meest fundamentele recht, namelijk het recht op leven, ontnomen. Daarnaast heeft de verdachte de nabestaanden van [slachtoffer 1] onherstelbaar leed aangedaan. Een dergelijk feit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaakt daarnaast gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving.

De omstandigheid dat het slachtoffer [slachtoffer 2] niet aan zijn verwondingen is overleden is een gelukkige, die geenszins aan het handelen van de verdachte te danken is.

Uit het totaal van de onderliggende dossierstukken ontstaat de indruk dat de verdachte en zijn mededaders al op voorhand van plan waren de heroïne niet te betalen en in plaats daarvan een zogenaamde ripdeal te plegen. Aan dat voornemen hebben zij uiting gegeven door een zeer brutaal optreden. Het kennelijke gemak waarmee de verdachte en zijn mededaders tot een dergelijk gewelddadig handelen zijn overgegaan, kan niet anders dan als zeer schokkend worden omschreven.

De verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het vervoer van de hiervoor genoemde heroïne.

Heroïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof. Daarnaast is het gebruik ervan ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de met de verdere verspreiding daarvan gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van zeer aanzienlijke duur.

Uit het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 8 mei 2007 blijkt dat de verdachte reeds eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank is niet in staat rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van de verdachte nu deze zich – ook daaromtrent – heeft beroepen op het hem toekomende zwijgrecht.

Hoewel de verdachte, in tegenstelling tot hetgeen waartoe de officier van justitie rekwireerde, wordt vrijgesproken van het onder feit 4 ten laste gelegde, zal aan de verdachte evenwel een gevangenisstraf worden opgelegd voor de duur als door de officier van justitie geëist.

Gelet op de ernst van met name de thans onder 1 subsidiair en 2 subsidiair bewezen verklaarde feiten, is het feit zoals onder 4 ten laste gelegd van betrekkelijk minder belang, in die zin dat het, bij bewezenverklaring van dat feit, niet van invloed zou zijn geweest bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], terzake van feit 2. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 95,00 en immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,00.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering voor wat betreft de materiële schade worden toegewezen.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde straf¬bare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 3.000,00, zodat ook dit onderdeel van de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

BENADEELDE PARTIJ [benadeelde partij 1]

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]. Het dossier bevat weliswaar een voegingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde partij 1], maar uit dit voegingsformulier blijkt niet van enig gevorderd schadebedrag. Er is aldus geen sprake van een vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij 1].

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 45, 47, 57 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 10 van de Opiumwet.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van achttien (18) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 3.095,00 en veroor¬deelt de verdachte dit bedrag tegen kwij¬ting aan [benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], te betalen € 3.095,00 (zegge: drieduizend vijfennegentig euro);

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de bena¬deelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoer¬legging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen

€ 3.095,00 (zegge: drieduizend vijfennegentig euro), bij gebreke van volledige betaling en volle¬dig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van éénenzestig (61) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hech¬tenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Puite, voorzitter,

en mrs. Van der Ven en Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van Meulendijk-Giese, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 oktober 2008.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 15 oktober 2008.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade

een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben

verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg, voornoemde [slachtoffer 1] met twee, althans één, vuurwapen(s)

één of meer kogels in het hoofd en/of het lichaam geschoten, tengevolge

waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(artikel 289 jo. 47 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] met twee, althans één,

vuurwapen(s), één of meer kogels in het hoofd en/of lichaam geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een hoeveelheid

heroïne), en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van

dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping

op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid

en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] met twee, althans één,

vuurwapen(s), één of meer kogels in het hoofd en/of lichaam geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

(artikel 287 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon

genaamd [slachtoffer 2] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig

overleg, voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één, vuurwapen(s), één of meer

kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft geschoten, zijnde de uitvoering

van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

(artikel 289 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven

te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één,

vuurwapen(s), één of meer kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft

geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid,

welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal/verduistering (van een

hoeveelheid heroïne), en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het

oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere

deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk

verkregene te verzekeren;

(artikel 288 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 2] van het leven

te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 2] met twee, althans één, vuurwapen(s),

één of meer kogels in de arm(en) en/of het lichaam heeft geschoten, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 287 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 27 april 2007 te Rotterdam tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 20 kilogram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Art. 2 B/C jo 10 Opiumwet)

4.

hij op een of meer tijdstippen in op of omstreeks de periode van 1 januari

2007 tot en met 7 mei 2007 te Amsterdam een vuurwapen in de zin van

artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1, van categorie III onder 1 van

de Wet wapens en munitie, te weten een pistool van het merk Taurus, type PT

945, kaliber .45 ACP en voorzien van het serienummer NNL31004,

en/of

munitie in de zin van artikel 1, onder 4 gelet op artikel 2, lid 2, van

categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 49 kogelpatronen van het

kaliber .45 Auto (voorzien van bodemstempel PMC)

voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

(Art. 26 jo. 55 Wet wapens en munitie)