Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BF7627

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-10-2008
Datum publicatie
10-10-2008
Zaaknummer
315894/KG ZA 08-919
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De gemeentelijke ombudsman vordert dat een artikel naar aanleiding van zijn interview met een journalist niet wordt gepubliceerd, dan wel dat dit artikel aangepast wordt gepubliceerd. Naar aanleiding van het tussenvonnis in deze zaak wordt het artikel aangepast gepubliceerd. Op de voorpagina van de krant wordt is echter nog een ander artikel afgedrukt. De gemeentelijke ombudsman vordert vervolgens rectificatie van dit artikel omdat hij daarin onjuist wordt geciteerd. De vordering tot rectificatie is toegewezen op grond van een belangenafweging tussen persvrijheid als bedoeld in artikel 10 EVRM enerzijds en bescherming van eer, goede naam en reputatie, meer concreet het optimaal kunnen functioneren als gemeentelijke ombudsman, anderzijds. Het belang van de gemeentelijke ombudsman heeft de doorslag gegeven. Hij doet onderzoek naar het handelen van diensten en personen waar de gemeente verantwoordelijk voor is en vervult daarmede een belangrijke publieke functie. Het is in het kader van zijn functie en voor de geloofwaardigheid van zijn positie dan ook van belang dat hij in de media op een correcte manier wordt geciteerd. Het belang van de krant is dat zij de vrijheid heeft om interviews te publiceren en daarmee mogelijke misstanden binnen de gemeente aan de kaak te stellen. De journalist had daarbij extra zorgvuldigheid in acht dienen te nemen nu het hier gaat om de weergave van uitspraken van een publieke functionaris over een andere publieke functionaris en zich rekenschap moeten geven van de belangen van de geïnterviewde gemeentelijke ombudsman.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 528
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 315894/KG ZA 08-919

Uitspraak mondeling tussenvonnis: 1 oktober 2008

Uitspraak eindvonnis: 10 oktober 2008

VONNIS in kort geding in de zaak van:

de GEMEENTELIJKE OMBUDSMAN [naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr.H.J.A. Knijff,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [gedaagde 2] vennoot van gedaagde sub 3,

wonende te [woonplaats],

3. de vennootschap onder firma [naam krant] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. [gedaagde 4]

wonende te [woonplaats], vennoot van gedaagde sub 3,

gedaagden,

in persoon verschenen.

Eiser wordt hierna aangeduid als [eiser]. Gedaagde sub 1 wordt hierna aangeduid als

[gedaagde 1], gedaagde sub 2 als [gedaagde 2] en gedaagde sub 4 als [gedaagde 4].

[Gedaagde 4] was vanwege ziekte niet in staat om ter zitting van 8 oktober 2007 te verschij-nen.

1. Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 30 september en producties;

- ter zitting van 1 oktober 2008 door gedaagden overgelegde e-mailwisseling tussen

[eiser] en [gedaagde 1];

- schriftelijke weergave van het mondeling tussenvonnis van de voorzieningenrechter

d.d. 1 oktober 2008;

- brief van mr. Knijff d.d. 7 oktober 2008 en producties;

- oproeping d.d. 7 oktober 2008;

- pleitnotities van [gedaagde 2].

Mr.Knijff heeft de standpunten van [eiser] toegelicht ter zitting van 1 en 8 oktober 2008. [Gedaagde 2] heeft namens alle gedaagden de standpunten van gedaagden toegelicht ter zit-ting van 1 en 8 oktober 2008.

De zaak is ter zitting van 1 oktober 2008 behandeld door de president van deze rechtbank. In verband met diens verhindering is de behandeling voortgezet door een andere voorzie-ningenrechter.

2. De feiten

2.1

De krant [naam krant] (hierna: de krant) is 2 oktober 2008 voor het eerst verschenen. De krant wordt verspreid in een oplage van 50.000 stuks in het gebied van Hoek van Holland tot Gorinchem.

2.2

Op 11 augustus 2008 heeft een interview plaatsgevonden door journalist [gedaagde 1] met [eiser]. Afgesproken is dat [eiser] het artikel zou inzien alvorens het naar de drukker zou gaan. [eiser] heeft [gedaagde 1] per e-mail laten weten dat hij zich niet kon vinden in de in-houd van het artikel.

2.3

Bij dagvaarding van 30 september 2008 heeft [eiser] - verkort en voor zover van belang weergegeven - gevorderd om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

“primair:

gedaagden te gelasten de op 2 oktober 2008 voorziene verschijning van de krant [naam krant] niet te laten plaatsvinden;

subsidiair:

gedaagden te gelasten de publicatie van de op 2 oktober 2008 voorziene uitgave van de krant [naam krant] niet te laten plaatsvinden, althans niet dan nadat het litigieuze artikel is aangepast met inacht-neming van de kanttekeningen als vermeld onder 10 van de dagvaarding van 30 september 2008;”

2.4

Ter zitting van 1 oktober 2008 heeft [eiser] de primaire vordering ingetrokken.

2.5

Ten aanzien van de subsidiaire vordering zijn partijen ter zitting overeengekomen dat twee zinsneden uit het artikel dat stond gepland voor publicatie op 2 oktober 2008 in de krant zullen worden geschrapt.

2.6

Voorts zijn zij toen overeengekomen dat achter de zinsnede “Van de gemeenteraad deugt niet veel, van de burgemeester nog minder, laat staan de wethouders. En de burgers? Die moeten meer nadenken.” wordt toegevoegd: “zo wordt hij in Rotterdam omschreven” en dat de zinsnede “Geen raadslid weet wat “Trias Politica” (scheiding der machten, 69.600 hits op Google) bete-kent.”, als volgt wordt gewijzigd: “Er bestaat in de raad onvoldoende besef over de trias politi-ca.”

2.7

Met betrekking tot de resterende punten van geschil heeft de voorzieningenrechter op 1 ok-tober 2008 mondeling vonnis gewezen.

Ten aanzien van de zinsnede

“Zo was er het dossier over een hoge ambtenaar, die door vijf vrouwelijke collega’s van ongewenste intimiteiten werd beschuldigd. De man had vele verdiensten en werd zeer coulant behandeld. Hij werd overgeplaatst. Op zijn nieuwe werkplek ging hij opnieuw in de fout. Hij zit nu thuis.”

luidt dit vonnis als volgt:

“Niet is gebleken dat dit een mededeling van de ombudsman is geweest. De zinsnede dient derhalve te worden vervangen door: “Zo is het [naam krant] bekend dat er een dossier lag over een hoge ambtenaar, die door vijf vrouwelijke collega’s van ongewenste intimiteiten werd beschuldigd”.”

Ten aanzien van de zinsnede

“Het was inderdaad een vorm van afdekken”

luidt dit vonnis als volgt:

“Zonder nader onderzoek, die het kader van dit kort geding te buiten gaat, is er geen uitsluitsel over het antwoord op de vraag of [eiser] dit wel of niet heeft gezegd. Het belang van journalistieke vrij-heid en waarheidsvinding staat hier tegenover het belang van een geloofwaardige positie van de om-budsman in de gemeente Rotterdam. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dient de zinsnede derhalve te worden vervangen door: “Het was inderdaad een vorm van afdekken, oordeelt [eiser] tijdens het interview. Later bestrijdt hij dat pertinent zo te hebben gezegd”.”

2.8

De zitting is vervolgens aangehouden om te bezien of gedaagden zich aan dit vonnis hebben gehouden. Wanneer dat niet het geval zou zijn, kon de zitting daarna eventueel worden voortgezet.

2.9

Het ter zitting besproken artikel is geplaatst op bladzijde 3 van de krant van 2 oktober 2008.

2.10

In de krant van 2 oktober 2008 is op de voorpagina een artikel verschenen met de kop “Rot-terdamse ombudsman beschuldigt Opstelten”. In het begin van het artikel staat:

“De Rotterdamse ombudsman [eiser] beschuldigt burgemeester Opstelten van vriendjespolitiek. Hij zou een hoge ambtenaar, die door vijf vrouwelijke collega’s van ongewenste intimiteiten werd be-schuldigd, de hand boven het hoofd te hebben gehouden. De ambtenaar werd zonder straf overge-plaatst. Op zijn nieuwe werkplek ging hij opnieuw in de fout, waarna hij ontslag nam. De ombuds-man, die in het bezit is van het dossier, noemt de gang van zaken “een vorm van afdekken”. Later bestrijdt [eiser] pertinent dat te hebben gezegd.”

Dit artikel is op de zitting van 1 oktober 2008 niet ter sprake gekomen en was ook niet be-kend bij [eiser], terwijl het op dat moment wel al bij de drukker lag om op de voorpagina van de krant van 2 oktober 2008 te worden afgedrukt.

3. Het geschil

3.1

De vordering zoals die is ingesteld bij exploot van 7 oktober 2008 luidt - verkort weergege-ven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagden te gelasten in de eerstvolgende edi-tie van de krant op een volstrekt blanco pagina de in de dagvaarding omschreven rectificatie op te nemen onder de kop Rectificatie in hetzelfde lettertype als gebruikt is in de editie nummer 1 “Rotterdamse Ombudsman beschuldigt Opstelten”, zulks op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering ten grondslag gelegd dat gedaagden jegens [eiser] onrechtmatig hebben gehandeld door ter zitting van 1 oktober 2008 ten overstaan van de voorzieningenrechter het artikel dat klaar lag bij de druk-ker om te worden afgedrukt op de voorpagina van de krant te verzwijgen. Er is sprake van opzettelijke misleiding. Voorts levert publicatie van dit artikel op de voorpagina een on-rechtmatige daad op jegens [eiser], omdat daarin dingen staan die [eiser] niet heeft gezegd in het interview met [gedaagde 1], journalist en schrijver van het artikel.

3.2

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering. Gedaagden hebben daartoe aangevoerd dat zij woensdag 1 oktober 2008 na het kort geding geen tijd hebben gehad om ook de voor-pagina aan te passen, zo dat al noodzakelijk zou zijn geweest. Voorts hebben gedaagden aangevoerd dat zij de inhoud van het artikel op de voorpagina niet ter sprake hebben ge-bracht op de zitting van 1 oktober 2008, omdat op grond van artikel 7 van de Grondwet, di-verse vonnissen en het Europese Verdrag voor de rechten van de mens, toetsing alleen ach-teraf kan geschieden. Tot slot staat het [gedaagde 1] vrij om zijn conclusies weer te geven in de samenvatting aan het begin van het artikel op de voorpagina, aldus gedaagden.

4. De beoordeling

4.1

Partijen twisten over de vraag of publicatie van het artikel op de voorpagina van de krant en het verzwijgen daarvan ter zitting van 1 oktober 2008 onrechtmatig is jegens [eiser]. De vraag of de publicatie in casu onrechtmatig is, ligt in het spanningsveld tussen het recht op persvrijheid als bedoeld in artikel 10 EVRM enerzijds en bescherming van eer, goede naam en reputatie, meer concreet het optimaal kunnen functioneren als gemeentelijke ombuds-man, anderzijds. Welk van deze belangen in dit geval de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden.

4.2

Ter zitting van 1 oktober 2008 hebben partijen gesproken over het al dan niet publiceren van enkele zinsneden uit het artikel van [gedaagde 1]. De voorzieningenrechter heeft toen onder meer geoordeeld dat het zonder nader onderzoek niet mogelijk is om vast te stellen of [eiser] in het interview met [gedaagde 1] heeft gezegd dat het overplaatsen van een hoge ambte-naar, die was beschuldigd van ongewenste intimiteiten, “een vorm van afdekken was”. Der-halve was naar het oordeel van de voorzieningenrechter de toevoeging “Later bestrijdt [ei-ser] pertinent dat te hebben gezegd.” op zijn plaats. In het begin van het artikel - de voorzie-ningenrechter oordeelt dat geen sprake is van een samenvatting, doch veeleer van een inlei-ding - dat vervolgens op de voorpagina van de krant is verschenen, doet [gedaagde 1] er echter nog een schepje bovenop. Daar staat dat [eiser] Opstelten beschuldigt van vriendjes-politiek en dat Opstelten een hoge ambtenaar, die is beschuldigd van ongewenste intimitei-ten, de hand boven het hoofd houdt door hem over te plaatsen naar een andere functie.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wekt deze inleiding de indruk dat het gaat om uitlatingen van [eiser], terwijl [gedaagde 1] ter zitting van 8 oktober 2008 heeft er-kend dat [eiser] die uitlatingen tijdens het interview niet heeft gedaan, zodat vast is komen te staan dat gaat om kwalificaties van [gedaagde 1] naar aanleiding van hetgeen [eiser] in het interview heeft gezegd. Weliswaar staat aan het einde van de inleiding dat [eiser] later be-strijdt dat te hebben gezegd, maar de doorsnee lezer zal denken dat dit terugslaat op de zin-snede daarvoor en niet op bedoelde zinsneden eerder in het artikel.

De kwalificaties van [gedaagde 1] worden niet gerechtvaardigd door de feiten. Ook al zou [eiser] gesproken hebben over een “vorm van afdekken” rechtvaardigt dat nog niet zonder meer de conclusie dat sprake is van “vriendjespolitiek” en “de hand boven het hoofd hou-den”

[eiser] doet als gemeentelijke ombudsman onderzoek naar het handelen van diensten en per-sonen waar de gemeente verantwoordelijk voor is en vervult daarmede een belangrijke pu-blieke functie. Het is in het kader van zijn functie en voor de geloofwaardigheid van zijn positie dan ook van belang dat hij in de media op een correcte manier wordt geciteerd. Wanneer hem ten onrechte genoemde zinsneden in de mond worden gelegd, ontstaat onjuis-te - negatieve - beeldvorming en wordt hij in de uitoefening van zijn functie belemmerd, terwijl ook aannemelijk is dat zulks voor hem beschadigend werkt c.q. kan werken. Dit was ook, in ieder geval naar aanleiding van de zitting van 1 oktober 2008, voor gedaagden vol-doende kenbaar.

Het belang van de krant is dat zij de vrijheid heeft om interviews te publiceren en daarmee mogelijke misstanden binnen de gemeente aan de kaak te stellen. Niet behoeft van [gedaag-de 1]/de krant verlangd te worden dat daarbij ieder woord gewikt en gewogen wordt. Echter [gedaagde 1] had wel extra zorgvuldigheid in acht dienen te nemen nu het hier gaat om de weergave van uitspraken van een publieke functionaris over een andere publieke functiona-ris en zich rekenschap moeten geven van de belangen van de geïnterviewde [eiser]. Ook zonder de hierboven geciteerde inleiding was duidelijk welke mening [eiser] erop na houdt ten aanzien van sommige gemeenteraadsleden en de burgermeester. Elders in het artikel staat bijvoorbeeld dat [eiser] vindt dat Opstelten te pas en te onpas met onveiligheid schermt. Dat kan in zekere zin als een beschuldiging worden gezien. De kop van het artikel is in die zin dan ook niet onjuist.

Tenslotte is bij de onder 4.1 bedoelde afweging van belang het feit dat [gedaagde 1] het ar-tikel op de voorpagina niet vooraf aan [eiser] heeft laten lezen, terwijl dat wel de afspraak was en gedaagden daarover ook ter zitting van 1 oktober 2008 hebben gezwegen, hetgeen in de gegeven omstandigheden, gezien diens kenbare belang - waaraan gedaagden al in zekere mate tijdens de zitting van 1 oktober 2008 tegemoet waren gekomen - als onbehoorlijk je-gens [eiser] heeft te gelden.

Het vorenstaande leidt ertoe dat naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter - ook al moet een publiek-ambtsdrager als [eiser] zich in zijn algemeenheid ter bevordering van het publiek debat meer laten welgevallen - het belang van [eiser] prevaleert boven dat van de krant. In het verlengde van hetgeen de voorzieningenrechter mondeling heeft beslist, zal de krant thans worden veroordeeld om in de - in het gehele onder 2.1 genoemde verschijnings-gebied verspreide - krant de na te noemen rectificatie te plaatsen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- wanneer de krant daar geen gehoor aan geeft.

4.3

Een geldvordering komt voor toewijzing in kort geding in aanmerking indien die vordering, mede gelet op de spoedeisendheid en het restitutierisico, voldoende aannemelijk is. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot betaling van € 5.000,- als voorschot op de door hem te lijden schade. Dit gedeelte van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.4

Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

veroordeelt gedaagden - op straffe van een eenmalig aan eiser te verbeuren dwangsom van

€ 100.000,- bij niet voldoening door gedaagden aan deze veroordeling - om in de eerst vol-gende editie van de krant [naam krant] een rectificatie te plaatsen op de voorpagina in de-zelfde lay-out ( kleur, lettertype, omkadering, tenminste over drie kolommen en als kop het woord “rectificatie” in hoofdletters en vetgedrukt), als het stukje in het groen op de voorpa-gina van de krant [naam krant] van donderdag 2 oktober 2008 met als kop “Publicatiever-bod?”, dat in één kolom is gedrukt, met de volgende inhoud:

“Rectificatie

“Op last van de Voorzieningenrechter in de Rechtbank Rotterdam plaatsen wij de navol-gende rectificatie.

In de uitgave van de krant Rotterdam [naam krant] van 2 oktober 2008 is op de voorpagina een artikel geplaatst onder de kop“Rotterdamse Ombudsman beschuldigt Opstelten”. In dit artikel wordt vermeld dat de Rotterdamse Ombudsman [eiser] burgemeester Opstelten be-schuldigt van vriendjespolitiek. Wij hebben echter niet aannemelijk kunnen maken dat de Ombudsman zich in die zin tegenover [naam krant] heeft uitgelaten. De inhoud van de me-dedeling mist derhalve feitelijke grondslag. Evenmin hebben wij aannemelijk kunnen maken dat de Ombudsman zich uitgelaten heeft in de zin dat de burgemeester een hoge ambtenaar, die van ongewenste intimiteiten werd beschuldigd, de hand boven het hoofd heeft gehouden.

Voorts gelast de Voorzieningenrechter ons te berichten dat wij naar het voorlopig oordeel van de Voorzieningenrechter Ombudsman [eiser] hebben misleid door hem voor publicatie wel de tekst voor te leggen van het artikel dat op pagina 3 is gepubliceerd en dat ten over-staan van de Voorzieningenrechter op een aantal onderdelen is aangepast en niet de tekst van het artikel dat op de voorpagina is verschenen. Wij hebben de voorbereiding en plaat-sing van dat artikel tegenover [eiser] verzwegen.”

veroordeelt gedaagden in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op € 254,- aan verschotten en op € 1.632,- aan salaris voor de advocaat;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. V. Bouchla, griffier.

Uitgesproken in het openbaar.

615/676