Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BF1952

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
282741 / HA ZA 07-1090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nabestaande verwijt huisarts beroepsfout als gevolg waarvan partner is overleden. Rechtbank stelt vast dat geen van de gevorderde schadeposten voor toewijzing in aanmerking kan komen, zodat nabestaande geen belang heeft bij rechtsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 474
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 282741 / HA ZA 07-1090

Uitspraak: 6 augustus 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur en advocaat mr. A.W. Dolphijn,

- tegen -

[ge[gedaagde1], wonende te [woonplaats],

[gedaa[gedaagde2], wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. R. van Dijk te Utrecht.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “[eiser]”, “[gedaagde1]” en “[gedaagde2]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 17 april 2007 en de door [eiser] overgelegde producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 5 september 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 5 november 2007;

- de met het oog op de comparitie van partijen door [eiser] op voorhand

toegezonden producties;

- conclusie van repliek, met productie;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 [eiser] was sinds 25 jaar de levensgezel van [[persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] (hierna: [persoon]), en zij voerden samen een huishouding.

2.2 [gedaagde1] was de huisarts van [persoon] en [gedaagde2] de vervangend huisarts bij afwezigheid van [gedaagde1].

2.3 In oktober 2005 was [persoon] opgenomen in het Medisch Centrum Rijnmond Zuid (hierna: MCRZ) vanwege een herseninfarct. Dit infarct heeft geleid tot een verlamming aan de rechterzijde. In verband hiermee heeft [persoon] enige tijd een poliklinische revalidatiebehandeling ondergaan, welke behandeling in de tweede helft van 2006 is afgerond.

2.4 Op 12 december 2006 is [gedaagde1] bij [persoon] op huisbezoek geweest. Hij heeft toen onder andere een antibioticakuur (Augmentin) voorgeschreven.

2.5 Op 18 december 2006 is [gedaagde2] bij [persoon] op huisbezoek geweest. [gedaagde2] heeft tijdens dit bezoek noch de lichaamstemperatuur, noch de bloeddruk van [persoon] opgenomen. Hij heeft onder andere Miconasol (een anti-schimmelmiddel) voorgeschreven. Voorts werd afgesproken dat [persoon] de eerder voorgeschreven antibioticakuur zou afmaken.

2.6 In de nacht van 18 op 19 december 2006 is [persoon] met spoed naar het Ikazia ziekenhuis gebracht, alwaar zij is opgenomen op de afdeling Intensive Care. Op 29 december 2006 is [persoon] in dit ziekenhuis overleden.

2.7 Een brief van het Ikazia ziekenhuis aan [gedaagde1] d.d. 3 januari 2007 houdt – voor zover thans van belang – het volgende in:

“(…)

Reden van opname:

Sepsis op basis van abcessen rond de perineaal regio.

(…)

Klinisch beloop:

Patiënte wordt opgenomen op de Intensive Care in verband met hypertensie bij sepsis en anemie. Patiënte wordt geïntubeerd in verband met dreigende respiratoire insufficiëntie.

(…)

Conclusie:

Sepsis met multi-orgaanfalen op basis van abcessen rond de perineaal regio, gecompliceerd door maagperforatie en door Candidemie leidend tot hersendood.

(…)”.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde2] en/of [gedaagde1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.000,- aan immateriële schade en een bedrag ad € 30.600,- aan materiële schade met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde1] en/of [gedaagde2] hebben niet de mate van zorg verleend, welke mag worden verwacht en/of in overeenstemming is met de professionele standaard. De ontsteking is te lang onbehandeld gebleven, waardoor er bloedvergiftiging heeft kunnen ontstaan. [gedaagde1] wist, althans had moeten weten dat er sprake was van (een) abces(sen) en had daarom geen antibiotica mogen voorschrijven. [gedaagde2] had op 18 december 2006 direct in moeten grijpen en [persoon] naar een ziekenhuis moeten sturen.

3.2 Door de bloedvergiftiging is het hele lichaam van [persoon] ontregeld geraakt. Door de medicatie is een verergering van de bloedarmoede en een verhoging van de bloeddruk bewerkstelligd. In combinatie met de ontsteking(en) en/of sepsis heeft dit tot fatale gevolgen geleid.

3.3 Ingevolge artikel 6:106 lid 1 sub b BW heeft [eiser] recht op vergoeding van schade wegens aantasting in zijn persoon. Er is sprake van shockschade. Het ‘wegvallen’ van [persoon] heeft enorme impact op het leven van [eiser]. De aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde zijn omstandigheden die vergoeding van immateriële schade rechtvaardigen. Deze schade wordt begroot op € 250.000,-, doch [eiser] beperkt zijn vordering tot € 25.000,-.

3.4 Ingevolge artikel 6:108 lid 1 BW heeft [eiser] recht op vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. De schade door het wegvallen van huishoudelijke hulp wordt begroot op € 1.800,- per jaar. Ervan uitgaande dat [persoon] de gemiddelde leeftijd zou bereiken, had zij nog 17 jaren geleefd.

3.5 Ingevolge artikel 6:108 lid 2 BW heeft [eiser] recht op vergoeding van kosten voor de uitvaart, welke € 5.000,- bedroegen.

3.6 [eiser] is aan zijn raadsman buitengerechtelijke kosten verschuldigd geworden. Deze kosten worden begroot conform het incassotarief van de Nederlandse orde van Advocaten, althans volgens het tarief zoals vastgesteld door de Commissie Voorwerk II.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde1] en [gedaagde2] hebben daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [gedaagde1] en [gedaagde2] hebben elk gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend huisarts in dezelfde omstandigheden betaamt.

4.2 [gedaagde1] heeft op 12 december 2006 op gebruikelijke wijze de anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. Hij concludeerde dat er sprake was van een luchtweginfectie en schreef daarvoor de benodigde medicijnen voor. Er was op dat moment geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat er sprake was van andere medische problemen naast de luchtwegproblemen. [persoon] klaagde toen (nog) niet over pijn in haar billen.

4.3 Bij het huisbezoek d.d. 18 december 2006 klaagde [persoon] over pijn en een branderig gevoel in de vagina. Aangezien de steenpuist op de bil van [persoon] niet drukpijnlijk was en ook niet fluctueerde, ging [gedaagde2] er vanuit dat dit een oppervlakkige furunkel betrof, die vaker voorkomt en waarvan het normale beloop kan worden afgewacht. Ter plaatse van de vagina was er een matige zwelling die niet drukpijnlijk was en ook niet fluctueerde. Op grond van deze klachten ging [gedaagde2] uit van een schimmelinfectie (Candida). Ten tijde van het huisbezoek maakte [persoon] een matig zieke indruk. Omdat het daarnaast een plaatselijk en geen systemisch probleem betrof heeft [gedaagde2] de lichaamstemperatuur en de bloeddruk niet opgemeten. [gedaagde2] sprak voorts af dat de volgende dag een herbeoordeling zou plaatsvinden indien de klachten niet zouden afnemen.

4.4 Subsidiair wordt betwist dat het overlijden van [persoon] het gevolg is van een onzorgvuldigheid in de behandeling door [gedaagde1] en/of [gedaagde2].

4.5 Op grond van artikel 6:106 BW kan [eiser] geen immateriële schade vorderen.

4.6 [eiser] behoort niet tot de kring van gerechtigden die worden genoemd in artikel 6:108 BW. Er was geen huwelijk of geregistreerd partnerschap. Tevens is niet gebleken dat [persoon] in het levensonderhoud van [eiser] voorzag of dat zij huishoudelijke taken verrichtte.

4.7 Dat de begrafeniskosten ten laste van [eiser] zijn gekomen, is niet aangetoond.

4.8 Nu er geen sprake is van schade die voor toewijzing in aanmerking kan komen, heeft [eiser] geen civielrechtelijk belang bij voortprocederen, zodat hem ingevolge artikel 3:303 BW geen rechtsvordering toekomt.

5 De beoordeling

5.1 Het hiervoor onder 4.8 vermelde verweer van [gedaagde1] en [gedaagde2] zal als het meest verstrekkende verweer als eerste worden besproken. De rechtbank zal mitsdien eerst bezien of de door [eiser] gevorderde schadeposten voor vergoeding in aanmerking kunnen komen.

5.2 De eerste schadepost waarvan [eiser] vergoeding vordert is de door hem geleden immateriële schade. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het stelsel van de wet volgt dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens de gelaedeerde aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden, de zogenaamde affectieschade. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest en de rechter heeft niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet op dit punt, een zodanige vergoeding toe te kennen.

Onder omstandigheden kan er schade optreden door een ‘shock’ die het gevolg is van het waarnemen van of geconfronteerd worden met een dodelijk ongeval, welke schade wel voor vergoeding in aanmerking kan komen. Dit zal echter slechts in uitzonderlijke omstandigheden het geval zijn. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich in casu niet voor. Het enkele overlijden van een levenspartner door eventueel onzorgvuldig medisch handelen is – hoezeer dit ook pijn, verdriet en gederfde levensvreugde met zich brengt – daartoe onvoldoende.

Het voorgaande brengt met zich dat de door [eiser] gevorderde vergoeding van immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt.

5.3 De tweede schadepost waarvan [eiser] vergoeding vordert is de door hem geleden schade door het derven van levensonderhoud. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 6:108 lid 1 BW noemt limitatief de personen die bij aansprakelijkheid wegens iemands overlijden een vordering tot schadevergoeding wegens het derven van levensonderhoud hebben. Artikel 6:108 lid 1 aanhef onder a en b BW is niet op onderhavige situatie van toepassing, nu [eiser] niet de echtgenoot, geregistreerd partner dan wel een andere bloed- of aanverwant van [persoon] was. [eiser] komt evenmin een vergoeding toe op basis van artikel 6:108 lid 1 aanhef onder c BW. [eiser] heeft ter comparitie aangegeven dat [persoon] en hij leefden van zijn inkomen. Er wordt mitsdien niet voldaan aan de voorwaarde(n) dat [persoon] geheel of voor een groot deel voorzag in het levensonderhoud van [eiser] en/of dat [eiser] na het overlijden van [persoon] niet voldoende in zijn levensonderhoud kan voorzien.

Wil [eiser] een vergoeding krachtens artikel 6:108 lid 1 aanhef onder d BW toekomen dan dient vast komen te staan dat [persoon] in het levensonderhoud van [eiser] bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding en voorts dat hij schade lijdt doordat na het overlijden van [persoon] op een andere wijze in de gang van deze huishouding moest worden voorzien. [eiser] heeft slechts gesteld dat hij samen met [persoon] een huishouding voerde. Hij heeft niet aangegeven welke concrete huishoudelijke taken [persoon] op zich nam en op welke wijze hij daar thans in voorziet. Ter comparitie heeft hij aangegeven dat hij het laatste anderhalf jaar voor het overlijden van [persoon], die in die periode na een herseninfarct halfzijdig verlamd was, het huishouden deed en dat zij 4 uur per week hulp van thuiszorg hadden. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] aldus onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan aangenomen kan worden dat [persoon] in het levensonderhoud van [eiser] bijdroeg door het doen van de gemeenschappelijke huishouding.

Gezien het voorgaande komt de door [eiser] gevorderde vergoeding van door hem geleden schade door het derven van levensonderhoud evenmin voor toewijzing in aanmerking.

5.4 Tot slot heeft [eiser] krachtens artikel 6:108 lid 2 BW vergoeding van de begrafeniskosten gevorderd. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Krachtens genoemd artikel heeft slechts degene te wiens laste deze kosten zijn gekomen recht op een vergoeding hiervan. [gedaagde1] en [gedaagde2] hebben hier in hun conclusie van antwoord op gewezen en gesteld dat bij dagvaarding niet was aangetoond dat de gevorderde begrafeniskosten ten laste van [eiser] zijn gekomen. In zijn processtukken heeft [eiser] niet gesteld dat deze kosten door hem zijn gedragen. Ter comparitie heeft hij wel verklaard dat de begrafeniskosten door hem zijn betaald en dat hij hiervoor niet verzekerd was. [gedaagde1] en [gedaagde2] hebben ter comparitie vervolgens gesteld dat zij niet alleen een bewijs van de hoogte van deze kosten willen zien, maar ook een bewijs dat deze ten laste van [eiser] zijn gekomen. Hierop heeft [eiser] bij conclusie van repliek slechts een aan hem gerichte nota van deze kosten ad € 3.436,50 overgelegd. De rechtbank acht dit echter onvoldoende, nu hieruit niet volgt dat deze kosten daadwerkelijk ten laste van [eiser] zijn gekomen, zoals artikel 6:108 lid 2 BW eist. Gezien de stellingname van [gedaagde1] en [gedaagde2] zowel in hun conclusie van antwoord als ter comparitie had van [eiser] verwacht mogen worden dat hij bij conclusie van repliek tevens bescheiden had overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij deze kosten zelf heeft gedragen. Dit kan immers zeer eenvoudig aangetoond worden door middel van een betalingsbewijs. Nu [eiser] dit heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat hij niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zodat de door hem gevorderde begrafeniskosten evenmin voor toewijzing in aanmerking komen.

5.5 [eiser] heeft in zijn dagvaarding voorts nog gesteld dat hij aan zijn raadsman buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden, doch nu hij ter zake geen vergoeding heeft gevorderd, zal de rechtbank op dit punt niet nader ingaan.

5.6 Uit het voorgaande volgt dat geen van de door [eiser] gevorderde schadeposten voor toewijzing in aanmerking komt, zodat hem krachtens artikel 3:303 BW geen rechtsvordering toekomt. Nu dit door [gedaagde1] en [gedaagde2] gevoerde verweer slaagt, behoeven de overige stellingen van partijen geen bespreking meer. De vordering van [eiser] zal worden afgewezen.

5.7 [eiser] zal als de geheel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde1] en [gedaagde2] bepaald op € 1.135,- aan vast recht, op nihil aan overige verschotten en op € 2.682,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204