Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BF1287

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
18-09-2008
Zaaknummer
310706/FT-EA 08.546
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Instemmen schuldregeling. Artikel 287a Faillissementswet.

Het CJIB stelt zich (blijkbaar) op het standpunt dat een schuldhulpverlenende instantie verplicht is zich aan te sluiten bij de NVVK. Gebeurt dit niet, dan is het CJIB niet bereid mee te werken aan een minnelijke regeling. Dit standpunt vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wet en leidt tot rechtsongelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Rechtsbijstand en schuldhulpverlening 2008/234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

bevel in te stemmen met schuldregeling

rekestnummer: 310706/FT-EA 08.546

uitspraakdatum: 27 augustus 2008

[verzoeker]

wonende te Capelle aan den IJssel,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 14 juli 2008, met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, van de Faillissementswet ingediend om het Centraal Justitieel Incasso Bureau (hierna: CJIB) te Leeuwarden (vertegenwoordigd door gerechtsdeurwaarderskantoor Pruijn & v/d Bergh Groep te Rotterdam), dat weigert mee te werken aan de door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Verzoeker is verschenen ter terechtzitting van 30 juli 2008, tot zijn bijstand vergezeld door mevrouw E. Blok, teamleider Schuldhulpverlening van de gemeente Capelle aan den IJssel. Het CJIB is zonder kennisgeving niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2. Het standpunt van partijen

Verzoeker heeft een totale schuldenlast van € 28.041,60.

In het verzoek wordt gesteld dat verzoeker al het mogelijke heeft gedaan om middels de op hem rustende inspanningsverplichting, zowel arbeidsgerelateerd als financieel, aan zijn crediteuren een zo maximaal mogelijk buitengerechtelijk akkoord voor te leggen. Aan negen van de tien concurrente crediteuren is een aanbod van 5,54% tegen kwijtschelding van het restant van de vordering voorgelegd. Inmiddels hebben deze negen concurrente crediteuren, die tezamen circa 95% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, dit aanbod aanvaard. Aan het CJIB is een voorstel gedaan conform de bepalingen van het convenant dat het CJIB met de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (hierna: NVVK) in augustus 2007 heeft gesloten. Dit houdt in dat in afwijking van het regime voor de overige schuldeisers ten aanzien van het CJIB wordt bepaald dat het restant van de vordering na afloop van de schuldregeling opeisbaar blijft.

Het CJIB heeft bij brief van 27 maart 2008 als volgt op het voostel gereageerd:

Aangezien u geen lid bent van de NVVK zoals beschreven in het convenant, kunnen wij uw verzoek niet conform het convenant behandelen.

Wij adviseren u contact op te nemen met de NVVK. De NVVK werkt aan een certificering voor schuldhulpverlenende instanties. Een door hen gecertificeerde schuldhulpverlenende instantie kan, na toekenning, gebruik maken van de voorwaarden zoals beschreven in het convenant.

Na een verzoek tot heroverweging heeft het CJIB geantwoord bij brief van 2 juni 2008 waarbij verwezen wordt naar de brief van 27 maart 2008.

3. De beoordeling

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of het CJIB in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat het heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van de schuldenaar dat door de weigering wordt geschaad. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en heeft daartoe het volgende overwogen.

Het belang van het CJIB is zoals aangevoerd gelegen in een uniforme benadering zoals vastgelegd in het convenant dat het CJIB heeft afgesloten met de NVVK.

Het belang van verzoeker is gelegen in de mogelijkheid gebruik te maken van een zogenoemde minnelijke regeling om zijn schuldenproblematiek het hoofd te bieden.

Mevrouw Blok heeft ter zitting verklaard dat de gemeente Capelle aan den IJssel om beleidsmatige redenen vooralsnog geen aansluiting heeft gezocht bij de NVVK. Wel wordt de schuldbemiddeling met inachtneming van de NVVK-regels uitgevoerd en is ook bij het voorstel aan het CJIB de systematiek van het convenant gevolgd.

Nu het CJIB niet ter zitting is verschenen om de weigering nader toe te lichten, gaat de rechtbank er van uit dat het CJIB op het standpunt staat dat de schuldhulpverlenende instantie verplicht is zich aan te sluiten bij de NVVK. Indien niet aan deze verplichting wordt voldaan is het CJIB niet bereid medewerking aan een minnelijke regeling te verlenen. Hierbij wordt benadrukt dat een schuldhulpverlenende instantie zou moeten voldoen aan de zogenoemde certificeringseis. De rechtbank neemt aan dat daarmee gedoeld wordt op de regelgeving die in de Wet op het consumentenkrediet is opgenomen.

De rechtbank stelt vast dat in het eerste lid van artikel 48 van de Wet op het consumentenkrediet wordt bepaald dat de gemeenten, gemeentelijke kredietbanken of andere door gemeenten gehouden instellingen, die zich krachtens hun doelstelling met schuldbemiddeling bezighouden een afzonderlijke categorie vormen, die wordt aangewezen om schuldbemiddeling uit te voeren. De zogenoemde certificeringseis is dan ook niet op deze categorie van toepassing.

Het niet nader geadstrueerde standpunt van het CJIB dat de gemeente Capelle aan den IJssel zich moet onderwerpen aan een vorm van certificering, al dan niet door de NVVK, vindt dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen steun in de wet.

Het door het CJIB gehanteerde onderscheid leidt ertoe dat inwoners van een gemeente die om wat voor reden dan ook niet is aangesloten bij de NVVK, in een geheel andere positie komen te verkeren dan degenen die in een gemeente woonachtig zijn, waar de schuldhulpverlening wel, op overigens vrijwillige basis, een lidmaatschap van de NVVK is aangegaan. Nu de wetgever blijkbaar geen aanleiding heeft gezien voor de gemeentelijke schuldhulpverlening enige vorm van certificering verplicht te stellen, is naar het oordeel van de rechtbank een verplicht lidmaatschap in strijd met de gemeentelijke beleidsvrijheid terzake.

Nu bovendien is gebleken dat de voorgestelde regeling is gebaseerd op de systematiek van het convenant en voorts moet worden vastgesteld dat dit er toe zou leiden dat het CJIB nagenoeg geen rechten prijsgeeft, nu de gevraagde medewerking geen finale kwijting inhoudt, is de rechtbank van oordeel dat de weigering van het CJIB de in deze te hanteren redelijkheidstoets niet kan doorstaan.

Het verzoek om het CJIB te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zoals deze is aangeboden in de brief van 4 september 2007, wordt daarom toegewezen.

Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling kan, nu het primaire verzoek wordt toegewezen, onbesproken blijven.

4. De beslissing

De rechtbank:

- beveelt het CJIB om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, voorzitter, en mr. S.S. van Nijen en mr. W.E. Merens, rechters, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2008.