Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BE9054

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
22-08-2008
Zaaknummer
311945 / KG ZA 08-707
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering wordt afgewezen vanwege het ontbreken van belang. Bestuurder van de BV's was immers al in die hoedanigheid gehouden uitvoering te geven aan het bij een ander vonnis gegeven bevel aan de BV's tot afname van de schepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer 311945 / KG ZA 08-707

Uitspraak: 22 augustus 2008

VONNIS in kort geding in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bonaventura Cruises Holding B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.S. Victoria Amazonica B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.S. Victoria Cruziana B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.S. Victoria Regia B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

M.S. Abel Tasman B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

6. [eiser sub 6],

wonende te ’s-Gravendeel,

7. [eiser sub 7],

wonende te Laren,

eisers,

procureur mr. S.J. Bais,

advocaten mrs. S.J. Bais en B. Verkerk,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dutch River Cruises B.V.,

gevestigd te Papendrecht

3. [gedaagde sub 3],

wonende te Papendrecht,

gedaagden,

procureur mr. M.W. Renzen.

Eisers worden hierna als zodanig aangeduid dan wel afzonderlijk als respectievelijk “Bonaventura Cruises”, “MS Victoria Amazonica”, “MS Victoria Cruziana”, “MS Victoria Regia”, “MS Abel Tasman”, “[eiser sub 6]” en “[gedaagde sub 7]”. Gedaagden worden hierna als zodanig aangeduid dan wel afzonderlijk als respectievelijk “[gedaagde sub 1]”, “Dutch River Cruises B.V.” en “[gedaagde sub 3]”.

1. Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 30 juli 2008;

- pleitnotities en producties van mrs. Bais en Verkerk;

- pleitnotities en producties van mr. Renzen.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van

11 augustus 2008.

2. Het geschil

In dit kort geding wordt van de volgende feiten uitgegaan.

2.1

Dutch River Cruises B.V. is de rechtsopvolgster van Soundstorm B.V.

2.2

Eisers zijn actief op het gebied van de exploitatie van riviercruiseschepen. Zij exploiteren

de volgende vijf schepen: MS Theodor Körner, MS Victoria Amazonica, MS Victoria Cruziana, MS Victoria Regia en MS Abel Tasman (hierna gezamenlijk: de Schepen).

De MS Theodor Körner wordt in privé gehouden door [eiser sub 6] en [gedaagde sub 7]. De overige vier schepen worden gehouden door de dochtermaatschappijen van gedaagde sub 1, te weten gedaagden sub 2 tot en met 5.

2.3

Op 1 juli 2008 is tussen partijen in dezelfde hoedanigheid, waarbij Dutch River Cruises B.V.(gedaagde 2) nog werd aangeduid als Soundstorm B.V. , door de voorzieningen- rechter van de rechtbank Rotterdam het volgende - voor zover hier van belang - vonnis

(hierna: het Vonnis) gewezen:

“……..

4. De beoordeling

4.1

Aannemelijk is geworden dat het zakelijk voortbestaan van eisers aan een zijden draadje hangt; alleen als zij binnenkort de schepen/ondernemingen kunnen leveren en de koopprijs ontvangen kan een faillissement worden afgewend. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.

4.2

De vordering strekt tot nakoming van de door eisers gestelde overeenkomsten.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een dergelijke vordering in het kader van een voorlopige voorziening als een kort geding slechts dan kan worden toegewezen, indien aannemelijk is dat tussen partijen een perfecte overeenkomst van de gestelde inhoud tot stand is gekomen en derhalve voorshands aangenomen moet worden dat ook in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat gedaagden hun daaruit voortvloeiende verplichtingen dienen na te komen.

4.3

Partijen twisten over de uitleg van de (koop)overeenkomsten van februari 2008 in verhouding tot de koopovereenkomst van november 2007.

Het gaat hier om de uitleg van een geschrift waarin de verhouding tussen partijen is geregeld. Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkanders verklaringen en gedragingen en aan de bepalingen van dat geschrift mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het komt daarbij aan op alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

In dat verband is van belang dat aannemelijk is geworden, dat de overeenkomst van november 2007 is opgesteld door een advocaat aan de zijde van eisers en dat partijen bij de totstandkoming van de overeenkomsten van februari 2008 die tekst tot uitgangspunt hebben genomen. Zij werden in februari 2008 geen van alle bijgestaan door een advocaat. Voorts moet ervan worden uitgegaan, dat het gaat om zakelijke overeenkomsten tussen ervaren, professionele partijen. Voor zover gedaagden iets anders hebben willen betogen is dat onvoldoende onderbouwd.

4.4

Dat de overeenkomsten tot stand gekomen zijn en partijen, nog steeds, binden staat tussen hen vast. Gedaagden sub 1 en 2 hebben aangegeven, dat zij nog steeds in staat en bereid zijn om de schepen af te nemen.

Hoewel in de koopovereenkomsten van 6 februari 2008 de leverdatum van 20 november 2007 is blijven staan uit de overeenkomsten van november 2007, is tussen partijen niet in geschil dat tussen hen met betrekking tot de overeenkomsten van februari 2008 geen exacte leverdatum is afgesproken, doch dat levering op zo kort mogelijke termijn werd beoogd. Gedaagden sub 1 en 2 werken echter niet mee aan de levering omdat zij menen dat eisers niet leveren wat is overeengekomen, aangezien er gebreken kleven aan de schepen die volgens hen niet zijn geregeld door de onder 2.7 genoemde overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en eiseres sub 1, zodat eiseres sub 1 daarvoor aansprakelijk is, bij twee schepen het (SI) certificaat ontbreekt, de Theodor Körner niet kan worden omgevlagd, er beslagen liggen op de schepen, touroperators de contracten hebben opgezegd dan wel opgeschort zodat geen sprake is van het leveren van een onderneming en de opschortende voorwaarden van artikel 12.2 niet in vervulling zijn gegaan.

……..

4.11

Per saldo is derhalve voldoende aannemelijk dat ook in een bodemprocedure geoordeeld zou worden dat gedaagden gehouden zijn de overeenkomsten na te komen en de schepen af te nemen, voor de in februari 2008 afgesproken prijs, waarbij gelet op het taxatierapport voor de Theodor Körner € 1.9 miljoen gerekend moet worden. De vordering onder a zal derhalve worden toegewezen voor een bedrag van € 8.900.000,- (€ 7.000.000,- + € 1.900.000,-).

Een belangenafweging leidt bovendien tot hetzelfde resultaat: het belang dat zowel eisers - wier zakelijke voortbestaan van deze transactie afhangt - als diverse derden (touroperators, reizigers, beslagleggers, de bank) hebben bij de levering van de schepen en de daarna te verwachten spoedige reparatie en hervatting van de vaart weegt zeer zwaar, zwaarder dan het belang van gedaagden om niet opgescheept te worden met de problemen rond de schepen. Het restitutierisico speelt hier niet dezelfde rol als bij de eventuele toewijzing van een geldvordering. Weliswaar zullen gedaagden een aanzienlijke som gelds moeten betalen, maar zij verkrijgen daardoor ook de schepen. Als het zo zou zijn dat later in een bodemprocedure toch geoordeeld wordt dat zij niet tot nakoming verplicht waren is hun schade dus beperkt, zelfs als (een of meer) eisers inmiddels failliet zouden zijn, hetgeen overigens in die situatie aanmerkelijk minder voor de hand ligt. Datzelfde geldt indien later mocht blijken dat gedaagden nog een vordering op eisers hebben, bijvoorbeeld in verband met de waarde van de inventaris, hetgeen op zichzelf zeker tot de mogelijkheden behoort.

……..

4.13

Eisers hebben, bij wijziging van eis, nog een beslagverbod gevraagd.

Voor zover zij daarmee niet meer of anders beogen dan een verbod op het frustreren van het gebod tot levering (in die zin dat als, na betaling van de koopprijs, daarop beslag gelegd wordt, aflossing van de schuldeisers van eisers onmogelijk wordt) volgt uit het voorgaande dat dit toewijsbaar is.

Voor zover het verder strekt is er onvoldoende aanleiding om gedaagden een mogelijkheid die de wet biedt om verzekerd te zijn van verhaal voor een schuld reeds op voorhand te ontnemen.

4.14

Op grond van het hiervoor geoordeelde zullen de vorderingen onder a en d worden toegewezen als na te melden, met dien verstande dat de termijn waarbinnen gedaagden sub 1 en 2 uitvoering moeten geven aan de koopovereenkomsten zal worden verruimd (aannemelijk is immers dat het beschikbaar krijgen van de koopprijs enige tijd zal vergen) en de dwangsom zal worden gemaximeerd.

Dat naast [gedaagde sub 1], als contractant, ook gedaagde sub 2 verantwoordelijk en aansprakelijk is voor nakoming van de overeenkomsten volgt uit het noemen van gedaagde sub 2 als meester; dat is door Soundstorm B.V. ook niet betwist.

4.15

Nu de vorderingen b en c zullen worden afgewezen behoeft de vraag of gedaagde sub 3 persoonlijk aansprakelijk is geen beoordeling.

Ten aanzien van de vorderingen onder a en d is onvoldoende gesteld om haar aansprakelijkheid te rechtvaardigen.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

beveelt gedaagden sub 1 en 2 om binnen drie weken na betekening van dit vonnis uitvoering te geven aan de koopovereenkomsten, waaronder het betaalbaar stellen van de koopprijzen ad in totaal

€ 8.900.000,- (zegge: acht miljoen negenhonderdduizend euro) en het medewerking verlenen aan levering van de schepen MS Victoria Amazonica, MS Victoria Cruziana, MS Victoria Regia, MS Abel Tasman en MS Theodor Körner;

verbiedt gedaagden sub 1 en 2 om direct voorafgaand aan de levering en gedurende twee dagen na de levering ten laste van eisers beslag te leggen op de koopprijs van genoemde schepen;

bepaalt dat gedaagden sub 1 en 2 een dwangsom verbeuren voor iedere dag - een gedeelte van een dag voor een hele dag te rekenen - dat zij met de naleving van dit vonnis in gebreke blijven, ter hoogte van € 10.000,- per dag met een maximum van € 5.000.000,- (vijf miljoen euro) in totaal;

veroordeelt gedaagden sub 1 en 2 in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers bepaald op € 4.784,- aan verschotten en op € 816,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

……..”

Eisers hebben appel ingesteld tegen het Vonnis.

3. Het geschil

3.1

Eisers vorderen dat het de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam behage bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. [gedaagde sub 3] te bevelen om binnen twee werkdagen na betekening van het te dezen vonnis, in haar hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. en enig aandeelhouder van Dutch River Cruises B.V., het ertoe te leiden dat [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. uitvoering geven aan het Vonnis zoals in het dictum daarvan is bepaald;

b. te bevelen dat de levering van de Schepen dient plaats te vinden conform de concept leveringsakte zoals laatstelijk door eisers is aangeleverd, en zoals aangehecht als productie 2;

c. voor het geval dat [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. niet binnen twee werkdagen na betekening van het te dezen te wijzen, volledig uitvoering hebben gegeven aan het Vonnis zoals in het dictum daarvan is bepaald, een persoon aan te wijzen die [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. zal vertegenwoordigen terzake van alle rechtshandelingen die [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. nog dienen te verrichten ter uitvoering van hetgeen in het dictum van het Vonnis is bepaald;

d. elk van gedaagden te verbieden om op de datum van levering van de Schepen, alsmede gedurende een periode van een week nadien, beslag te leggen ten laste van eisers en elk van hen afzonderlijk;

e. het gevorderde onder a. en b. onder verbeurte van een dwangsom door ieder van gedaagden van € 100.000,--, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagden of één van hen daarvan in gebreke blijven of blijft, met een maximum van € 200.000;

f. het gevorderde onder d. onder verbeurte van een dwangsom door ieder van gedaagden van € 10.000,--, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat gedaagden of één van hen daarvan in gebreke blijven of blijft;

g. bovengenoemde vorderingen te vermeerderen met de kosten van deze dagvaarding en met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben eisers aan hun vorderingen in essentie ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 3] in haar hoedanigheid van bestuurder van

[gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. onrechtmatig handelt jegens eisers door middels het stellen van steeds nieuwe niet overeengekomen en onredelijke voorwaarden aan eisers het nakomen van het Vonnis doelbewust en onnodig - mede gelet op het feit dat de koop gefinancierd kan worden - te frustreren, waardoor eisers schade lijden. Mitsdien treft

[gedaagde sub 3] een persoonlijk ernstig verwijt terzake van het niet nakomen van het Vonnis door [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V., waarvoor zij in haar hoedanigheid van bestuurder van deze vennootschappen jegens eisers persoonlijk aansprakelijk is. Gelet hierop en gelet op het feit dat het vonnis bijkbaar niet genoeg aansporing vormt om over te gaan tot afname van de schepen en betaling van de koopprijs, zijn verdergaande maatregelen vereist.

3.3

Gedaagden hebben ten verwere aangevoerd dat diverse ontwikkelingen er toe hebben geleid dat zij niet meer bereid en in staat zijn om af te nemen. Toen eisers op woensdagochtend 23 juli 2008 nog altijd niet de mogelijkheid had geboden om alle schepen te inspecteren en zij bovendien geen enkele informatie had ontvangen met betrekking tot de status van de contracten, heeft de private investeerder - nadat hij hierover geïnformeerd was - besloten om niet langer zijn medewerking te verlenen aan het betaalbaar stellen van gelden aan gedaagden voor de financiering van de Schepen. Gelet hierop zijn [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. thans niet in staat om de Schepen af te nemen. [gedaagde sub 3] kan als bestuurder van de B.V.’s hier niet rechtstreeks toe verplicht worden.

4. De beoordeling

4.1

Vooropgesteld wordt dat [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. op basis van het - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - Vonnis (zie onder 2.3) ondermeer gehouden zijn om binnen drie weken na betekening van het vonnis uitvoering te geven aan de koopovereenkomsten, waaronder het betaalbaar stellen van de koopprijzen ad in totaal

€ 8.900.000,-- (zegge: acht miljoen negenhonderdduizend euro) en het medewerking verlenen aan levering van de schepen MS Victoria Amazonica, MS Victoria Cruziana, MS Victoria Regia, MS Abel Tasman en MS Theodor Körner.

Tussen partijen is niet in geschil dat het Vonnis op 7 juli 2008 aan gedaagden is betekend.

4.2

Het onder a gevorderde strekt tot het [gedaagde sub 3] bevelen om in haar hoedanigheid van bestuurder [gedaagde sub 1] en enig aandeelhouder van Dutch River Cruises B.V. uitvoering te geven aan het Vonnis zoals in het dictum gegeven bevel is bepaald.

Gelet op artikel 2:240 BW wordt een besloten vennootschap in haar relatie tot derden vertegenwoordigd door het bestuur en komt de bevoegdheid tot vertegenwoordiging mede aan iedere bestuurder toe. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde sub 3] (mede)bestuurder is van [gedaagde sub 1] en enig bestuurder is van Dutch River Cruises B.V.

Het in het dictum van het vonnis aan [gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. gegeven bevel dient door [gedaagde sub 3] in haar hoedanigheid van bestuurder (mede) te worden uitgevoerd.

[gedaagde sub 1] en Dutch River Cruises B.V. kunnen immers niet zelf handelen.

Eisers hebben dan ook geen belang bij het onder a gevorderde, nu [gedaagde sub 3] als bestuurder op basis van het Vonnis hiertoe al gehouden is.

Dit laat echter onverlet dat zijdens [gedaagde sub 3] sprake kán zijn van onrechtmatig handelen door geen uitvoering te geven aan het vonnis.

Overigens zij opgemerkt dat thans de financiering – anders dan ten tijde van het eerste kort geding – wel een beletsel tot nakoming zou kunnen zijn. Gedaagden hebben gesteld dat de private investeerder zich inmiddels heeft teruggetrokken en in dat verband een verklaring van die investeerder overgelegd. Of die investeerder zich thans nog op het standpunt kan en mag stellen van de financiering af te zien valt in het kader van deze procedure niet te beoordelen.

Met betrekking tot het sub b gevorderde overweegt de voorzieningenrechter dat zijdens gedaagden is gesteld dat de inhoud van de leveringsakte uiteindelijk geen breekpunt zal zijn en dat partijen daar wel uitkomen. Gedaagden hebben slechts op beperkte punten commentaar. Het is overigens niet aan de voorzieningenrechter de inhoud van een leveringsakte vast te stellen. Onder deze omstandigheden is er voor toewijzing van dit onderdeel van de gevraagde voorziening geen plaats.

Met betrekking tot het sub c gevorderde geldt dat -wat er ook zij van de aard van die vordering- het ontbreken van zekerheid over volledige financiering reeds aan toewijzing in de weg staat. Niet valt immers in te zien - en eisers hebben dat ook niet inzichtelijk kunnen maken - hoe een vertegenwoordiger namens gedaagden sub 1 en 2 onder de gegeven omstandigheden aan de betalingsverplichtingen van deze gedaagden zou kunnen voldoen.

Gelet op het voorgaande zal het onder a, b en c gevorderde worden afgewezen. Gelet op deze afwijzing zal het onder d en e eveneens worden afgewezen wegens het ontbreken van belang respectievelijk hierover al bij het Vonnis d.d. 1 juli 2008 door de voorzieningenrechter is beslist.

4.3

De voorzieningenrechter ziet, gelet op het hiervoor overwogene, aanleiding om de proces- kosten te compenseren.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst af het gevorderde;

compenseert de proceskosten aldus dat partijen de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. H.C.Fraaij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar

1862/676