Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BE8796

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
20-08-2008
Zaaknummer
272478 / HA ZA 06-3120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering energieleverancier van elektriciteitskosten die niet door de meter zijn geregistreerd in verband met hennepkwekerij. Bestaan overeenkomsten met leverancier en netwerkbeheerder? Ingeroepen algemene voorwaarden vernietigbaar. Vaststellen inhoud van rechtsverhouding op grond van aanvullende werking redelijkheid en billijkheid. Partijen krijgen gelegenheid zich daaromtrent alsnog uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 272478 / HA ZA 06-3120

Uitspraak: 4 juni 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

De besloten vennootschap ENECO ENERGIE SERVICES B.V., zaakdoende onder de naam Eneco Energie, in haar hoedanigheid van lasthebber van na te noemen lastgevers:

i de besloten vennootschap ENECO ENERGIE RETAIL B.V., voorheen genaamd: ENECO MIXED HOLDING CONSUMENTEN B.V.,

ii de besloten vennootschap ENECO NETBEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur: mr. J. Kneppelhout,

advocaat: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. C.W.F. Jansen,

advocaat: mr. B.A. Fijma.

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk “Eneco” en “[gedaagde]”. De lastgevers als “Eneco Energie Retail” en “Eneco Netbeheer”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 6 november 2006, met producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 21 februari 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 5 september 2007;

- akte aan de zijde van Eneco, met productie;

- antwoordakte.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde] is sinds oktober of november 2004 huurder van het pand aan de Keenstraat 7-15 te Rotterdam.

2.2 In 2005 heeft [gedaagde] een overeenkomst getekend inzake aansluiting en transport van elektriciteit. De overeenkomst vermeldt als partijen Eneco Netbeheer en Prevital, de eenmanszaak van [gedaagde]. De overeenkomst bevat onder meer de volgende bepaling:

“Artikel 6 Algemene voorwaarden Aansluiting en Transport

1. Op deze overeenkomst zijn van toepassing de Tarieven- en vergoedingsregeling van de netbeheerder en de Algemene Voorwaarden Aansluiting en Transport ENECO Netbeheer Elektriciteit 2001 voor zakelijke afnemers (niet zijnde producenten), artikel 5 lid 4 uitgezonderd. […]”

2.3 Op 2 februari 2006 is in het onder 2.1 genoemde pand een hennepkwekerij geconstateerd. Onderzoek heeft uitgewezen dat de hennepkwekerij van stroom werd voorzien door een elektriciteitskabel die voor de elektriciteitsmeter op de hoofdleiding was aangesloten, zodat de voor de kwekerij gebruikte elektriciteit niet door de meter werd geregistreerd.

2.4 Bij brief van 8 februari 2006 heeft Eneco Netbeheer [gedaagde] gesommeerd binnen veertien dagen over te gaan tot betaling van de kosten van het geschatte niet-geregistreerde energieverbruik.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Eneco van een bedrag van € 29.345,99 met rente en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Eneco aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Eneco Netbeheer en Eneco Energie Retail hebben Eneco gemachtigd namens hen in rechte op treden.

3.2 Sinds december 2004 is tussen Eneco en [gedaagde] een overeenkomst van kracht tot levering van energie aan het pand aan de Keenstraat 7-15 te Rotterdam.

3.3 Uit hoofde van de met hem gesloten overeenkomst is [gedaagde] aansprakelijk voor illegale stroomonttrekking ten behoeve van de hennepkwekerij.

3.4 Op de overeenkomst zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden Aansluiting en Transport ENECO NetBeheer Elektriciteit 2005 voor huishoudelijke afnemers. Op grond van die algemene voorwaarden diende [gedaagde] de meetinrichting te beschermen tegen beschadiging en verbreking van de verzegeling en was sabotage van de meetinrichting verboden.

3.5 Op grond van de algemene voorwaarden is [gedaagde] gehouden de kosten van het illegale stroomverbruik te vergoeden op basis van een herberekening over de volledige fraudeperiode. Voorts is [gedaagde] op basis van de algemene voorwaarden een boete verschuldigd.

3.6 Gelet op de omvang en de staat van de hennepkwekerij op het moment van ontdekken moet een en ander becijferd worden op € 35.022, 65.

3.7 Op haar aldus berekende vordering heeft Eneco een vordering van [gedaagde] in mindering gebracht.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Eneco in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Eneco is niet gemachtigd in rechte op treden voor Eneco Netbeheer of voor Eneco Energie Retail.

4.2 [gedaagde] heeft geen overeenkomst gesloten met Eneco Netbeheer noch met Eneco Energie Retail.

4.3 Zo al sprake zou zijn van een overeenkomst met [gedaagde], dan heeft in elk geval te gelden dat de door Eneco ingeroepen algemene voorwaarden niet van toepassing zijn. [gedaagde] heeft die algemene voorwaarden immers nooit ontvangen.

4.4 Hoe dan ook is [gedaagde] niet aansprakelijk voor het illegale stroomverbruik. Uit de door hem gesloten huurovereenkomst met betrekking tot het onderhavige pand blijkt dat in de huurprijs al een vergoeding voor onder meer de levering van elektriciteit is opgenomen. Aldus is niet [gedaagde] maar diens verhuurder aansprakelijk. Voorts geldt dat de hennepkwekerij niet door [gedaagde] maar door zijn onderhuurder is aangelegd. Op grond van het contract van onderhuur is [gedaagde] als verhuurder niet aansprakelijk voor schade, zodat Eneco zich tot de onderhuurder dient te wenden. [gedaagde] heeft van de hennepkwekerij nooit iets gemerkt. Bovendien is de meter niet beschadigd.

4.5 Voorts heeft Eneco haar vordering onvoldoende onderbouwd. Dat geldt voor de stelling van Eneco dat de hennepkwekerij langdurig in gebruik is geweest alsook voor de berekening van het door de kwekerij gebruikte vermogen.

4.6 [gedaagde] heeft voorts van Eneco nog een bedrag tegoed van € 6.580,16. Dit bedrag komt in elk geval in aanmerking voor verrekening met de vordering van Eneco.

5 De beoordeling

5.1 In geschil is allereerst of Eneco – zoals zij stelt en [gedaagde] betwist – volmacht heeft namens Eneco Netbeheer en Eneco Energie Retail in rechte op te treden. Ter onderbouwing van haar stelling heeft Eneco voorafgaande aan de comparitie onder meer een schriftelijke volmacht van Eneco Netbeheer aan Eneco overgelegd. De rechtbank begrijpt de stelling van Eneco aldus dat deze volmacht van kracht is gebleven na de op de volmacht vermelde einddatum van 31 december 2006. Voorts heeft Eneco een brief overgelegd van de directeur van Eneco Energie Retail, waarin deze bevestigt Eneco last te hebben gegeven namens Eneco Energie Retail in rechte op te treden. [gedaagde] heeft de inhoud van deze stukken niet betwist. Op grond van de door Eneco overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat het bestaan van de volmacht van Eneco genoegzaam is aangetoond. Het verweer van [gedaagde] ter zake faalt dus.

5.2 De rechtbank begrijpt de stellingen van Eneco aldus dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de met Eneco Netbeheer en Eneco Energie Retail gesloten overeenkomst, op grond waarvan zij aanspraak maakt op schadevergoeding en een contractuele boete. Voor de beoordeling van deze stellingen is van belang vast te stellen of tussen [gedaagde] en Eneco Netbeheer en Eneco Energie Retail een overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde] betwist het bestaan daarvan. Stelplicht en bewijslast rusten op Eneco. Zij beroept zich immers op de rechtsgevolgen van het bestaan van die overeenkomst. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.

5.3 Ter onderbouwing van haar stelling in dit verband heeft Eneco voorafgaande aan de comparitie de onder 2.2 genoemde overeenkomst tussen Eneco Netbeheer en (de eenmanszaak van) [gedaagde] overgelegd. Ter comparitie heeft [gedaagde] verklaard die overeenkomst te hebben ondertekend. Uit deze verklaring leidt de rechtbank af dat [gedaagde] zijn betwisting van het bestaan van de overeenkomst met Eneco Netbeheer niet langer handhaaft. Het bestaan van die overeenkomst staat dus vast.

5.4 Uit de onder 5.3 bedoelde overeenkomst kan niet worden afgeleid dat ook Eneco Energie Retail daarbij partij is. Eneco heeft evenmin andere stukken overgelegd waaruit het bestaan van een overeenkomst tussen [gedaagde] en Eneco Energie Retail kan worden afgeleid. In dit verband acht de rechtbank evenwel van belang dat [gedaagde] zelf zich beroept op verrekening van de gestelde vordering van Eneco met een door hem gestelde vordering op Eneco. Hij verwijst daartoe naar een eindnota van Eneco, waarop zowel bedragen van Eneco Netbeheer als van Eneco Energie Retail voorkomen. Blijkens de tekst van de eindnota hebben deze bedragen betrekking op transport respectievelijk levering van energie. Verrekening veronderstelt wederkerig schuldenaarschap (artikel 6:127 BW). Zo bezien is de betwisting van het bestaan van een overeenkomst met Eneco Energie Retail niet verenigbaar met het beroep op verrekening ter zake een vordering op (onder andere) diezelfde partij. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] zijn onderhavige betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. Ook het bestaan van de overeenkomst met Eneco Energie Retail staat dus vast.

5.5 Voorts is in geschil de inhoud van de onderhavige overeenkomsten. Eneco stelt dat [gedaagde] heeft gehandeld in strijd met de op de overeenkomsten toepasselijke algemene voorwaarden. [gedaagde] stelt dat die algemene voorwaarden niet toepasselijk zijn. Hij voert daartoe aan dat hij de algemene voorwaarden nooit heeft ontvangen. De rechtbank begrijpt dit verweer aldus dat [gedaagde] niet zozeer de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden betwist, maar op grond van het bepaalde in artikel 6:233 sub b BW meent dat de onderhavige algemene voorwaarden vernietigbaar zijn omdat Eneco aan [gedaagde] niet de redelijke mogelijkheid heeft geboden van die algemene voorwaarden kennis te nemen. In dit verband overweegt de rechtbank het volgende.

5.6 Ter comparitie heeft Eneco gesteld dat aan [gedaagde] algemene voorwaarden zijn toegezonden bij gelegenheid van de sluiting van de onder 2.2 genoemde overeenkomst. De in die overeenkomst genoemde algemene voorwaarden zijn evenwel niet dezelfde als die waarop Eneco zich beroept, daargelaten dat die overeenkomst niet met Eneco Energie Retail is gesloten. De hier bedoelde stelling ter comparitie kan dus niet dienen als voldoende onderbouwde betwisting van de stelling van [gedaagde] dat hem geen redelijke mogelijkheid is geboden van de door Eneco ingeroepen algemene voorwaarden kennis te nemen. Aldus slaagt het beroep van [gedaagde] op vernietigbaarheid. De door Eneco ingeroepen algemene voorwaarden maken geen deel uit van de onderhavige overeenkomsten. Dat betekent dat de vordering van Eneco niet toewijsbaar is, voor zover deze betrekking heeft op de contractuele boete van € 910. De gestelde verschuldigdheid daarvan baseert Eneco immers (uitsluitend) op de algemene voorwaarden.

5.7 Eneco stelt dat [gedaagde] op grond van de overeenkomsten aansprakelijk is voor de illegale stroomonttrekking ten behoeve van de hennepkwekerij. Zoals volgt uit 5.6 maken de daartoe door Eneco ingeroepen algemene voorwaarden geen deel uit van de overeenkomsten. Evenmin is gesteld of gebleken dat partijen in dit verband andere rechtsgevolgen zijn overeengekomen. Aldus is – mogelijk – sprake van een leemte in hetgeen partijen zijn overeengekomen. Op grond van artikel 6:248 lid 1 BW heeft een overeenkomst echter niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit onder meer de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Partijen hebben zich in het tot nu toe gevoerde partijdebat nog niet uitgelaten over de inhoud van hun rechtsverhouding voor het geval dat die rechtsverhouding – zoals nu is vastgesteld – niet (mede) wordt bepaald door de algemene voorwaarden. De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten teneinde partijen daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

5.8 [gedaagde] heeft een beroep gedaan op verrekening van de vordering van Eneco met een bedrag dat hij nog van Eneco tegoed zou hebben. Naar aanleiding van dit verweer heeft Eneco haar eis ter comparitie verminderd. De rechtbank leidt daaruit af dat Eneco het beroep op verrekening op voorhand heeft geaccepteerd. In dit verband wenst de rechtbank tijdens de onder 5.7 bedoelde comparitie van partijen tevens te worden voorgelicht over de hoogte van het bedrag waarmee Eneco haar vordering heeft verminderd, gelet op de omstandigheid dat dit bedrag niet gelijk is aan het bedrag vermeld op de eindnota waarop [gedaagde] een beroep doet.

5.9 De rechtbank zal elke verdere beslissing aanhouden.

5.10 Indien een partij verhinderd is op de hieronder vermelde datum, dient deze dat binnen twee weken na uitspraak van dit vonnis bij brief te melden aan de griffie van de rechtbank (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en daarbij opgave te doen van de verhinderdata van beide partijen voor de komende drie maanden.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, [gedaagde] in persoon en Eneco deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld door hun raadslieden te verschijnen in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. Th. Veling, op vrijdag 18 juli 2008 van 9.30 uur tot 11.00 uur teneinde inlichtingen te verstrekken als bedoeld in rechtsoverwegingen 5.7 en 5.8;

bepaalt dat bescheiden die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in de procedure zijn overgelegd door de partij die deze ter gelegenheid van de comparitie ter sprake wil brengen uiterlijk twee weken vóór de zitting aan de rechter (sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam) en aan de wederpartij dienen te worden toegezonden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling.

Uitgesproken in het openbaar.

1980/106