Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BE2723

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
15-08-2008
Zaaknummer
292197 / HA ZA 07-2417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht bank. Ribank heeft kredietovereenkomst met cliënt. Cliënt stelt dat hij dezelfde dag een beleggingsovereenkomst met DSB Bank is aangegaan, waarbij het met geleend geld heeft belegd. Er is sprake van twee separate overeenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 292197 / HA ZA 07-2417

Uitspraak: 13 augustus 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap RIBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. D.L.A. Voskuilen,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. P.H.C.M. van Swaaij.

Partijen worden hierna aangeduid als "Ribank" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

dagvaarding d.d. 18 september 2007 en de door Ribank overgelegde productie;

incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties;

incidentele conclusie van antwoord tot oproeping in vrijwaring;

vonnis van deze rechtbank d.d. 19 december 2007 waarin Veris is toegestaan om DSB Bank N.V. te dagvaarden teneinde op de eis in vrijwaring te antwoorden en voort te procederen;

conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 27 februari 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 20 mei 2008;

conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

brief zijdens [gedaagde] d.d. 7 april 2008, met producties.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Ribank heeft met [gedaagde] een financieringsovereenkomst gesloten in de vorm van een doorlopend krediet op 26 maart 2001 (hierna: “de kredietovereenkomst”). De kredietovereenkomst is tot stand gekomen via Brofinca Financieringen. Het totale krediet bedroeg NLG 32.086,-.

2.2

[gedaagde] is in gebreke gebleven bij betaling van vervallen termijnen. Bij brief d.d. 19 juli 2007 heeft Ribank het volledige openstaande saldo ad € 13.752,32 opgeëist.

2.3

Tijdens de comparitie van partijen hebben partijen aangegeven er de voorkeur aan te geven dat in deze zaak vonnis zal worden gewezen, en dat deze zaak niet zal worden aangehouden tot het moment dat in de procedure in vrijwaring ook vonnis zal worden gevraagd.

3 Het geschil in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:

te betalen € 13.752,32, vermeerder met de contractuele variabele rente ad 9,24% per jaar vanaf 19 juli 2007;

in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Ribank aan de vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde], na ingebrekestelling en aanmaning gedurende tenminste twee maanden achterstallig gebleven is in de betaling van tenminste één termijnbedrag. Ribank heeft het volledige openstaande saldo van de kredietovereenkomst opgeëist. [gedaagde] is gehouden dit bedrag aan Ribank te voldoen, maar is, ondanks aanmaning en sommatie daartoe, in gebreke gebleven om het verschuldigde aan Ribank te voldoen. Ribank heeft kosten gemaakt om op buitengerechtelijke wijze [gedaagde] tot betaling te bewegen.

[gedaagde] heeft de vordering van Ribank gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel tot afwijzing van de vordering van Ribank, met veroordeling van Ribank in de kosten van het geding.

Het geschil in reconventie

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

primair Ribank tegenover [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten/haar precontractuele zorgplicht heeft geschonden en/of onrechtmatig heeft gehandeld en dat Ribank jegens [gedaagde] aansprakelijk is voor en deswege gehouden is tot vergoeding van de schade die hij heeft geleden of nog zal lijden als gevolg van dit onrechtmatig handelen, nader op te maken bij Staat en te vereffenen volgens de Wet;

dat de hiervoor bedoelde schade bestaat uit hetgeen door [gedaagde] tot en met heden aan rente in totaliteit aan Ribank en de DSB Bank is betaald, te vermeerderen met de premie voor de verzekeringen dan wel een ander bedrag door uw Rechtbank in goede Justitie nader te bepalen te vermeerderen met de wettelijke rente per datum afboeking, dan wel de dag van het instellen dezer eis tot de dag van algehele voldoening en Ribank hierbij te veroordelen dit bedrag [gedaagde] te betalen;

subsidiair dat de in het geding zijnde kredietovereenkomst tussen [gedaagde] en Ribank wordt vernietigd of nietig verklaard wegens dwaling en/of de Wet identificatie dienstverlening, althans dat deze wordt ontbonden, een en ander met de veroordeling van Ribank tot terugbetaling aan [gedaagde] van datgene wat Ribank n.a.v. deze overeenkomst betaald is;

met veroordeling van Ribank in de kosten van deze procedure.

Aan deze vordering heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, en heeft hij aangegeven wie als getuige gehoord zouden kunnen worden in deze procedure.

Ribank heeft de vordering van [gedaagde] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring althans [gedaagde] de vordering te ontzeggen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure in reconventie.

5 De beoordeling

in conventie

5.1

Tussen partijen is de omvang van de vordering van Ribank niet (meer) in geschil, zodat deze vaststaat.

5.2

[gedaagde] heeft aangegeven dat de algemene voorwaarden waar Ribank zich op beroept niet aan [gedaagde] bekend waren ten tijde van het aangaan van de kredietovereenkomst. Ribank heeft hier tegenin gebracht dat de algemene voorwaarden zijn afgedrukt op de achterzijde van de door [gedaagde] ondertekende kredietovereenkomst.

De advocaat van [gedaagde] heeft tijdens de comparitie van partijen erkend dat de algemene voorwaarden zijn afgedrukt op de achterzijde van de kredietovereenkomst, maar dat [gedaagde] deze algemene voorwaarden niet heeft gelezen.

Het feit dat [gedaagde] kennelijk aan hem ter hand gestelde algemene voorwaarden niet heeft gelezen, kan niet aan Ribank worden verweten. [gedaagde] is immers in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Het verweer van [gedaagde] dat de algemene voorwaarden niet aan hem bekend waren, slaagt niet.

5.3

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat Ribank heeft nagelaten, om overeenkomstig de betreffende bepalingen van de Wet identificatie bij dienstverlening, bij het afsluiten van de kredietovereenkomst de identiteit van [gedaagde] vast te stellen.

Ribank heeft dit betwist, en heeft ter onderbouwing van haar verweer dat zij bij het aangaan van de kredietovereenkomst aan de wettelijke vereisten heeft voldaan onder meer een kopie van het paspoort van [gedaagde] overgelegd dat zij voor de totstandkoming van de kredietovereenkomst van [gedaagde] zou hebben gekregen.

Tijdens de comparitie van partijen heeft [gedaagde] verklaard: “Het kan zijn dat ik een kopie van mijn paspoort later aan Ribank heb opgestuurd. Ik weet het niet meer precies, het is vijf jaar geleden. Mogelijk is bij het aangaan van de overeenkomst toch een kopie gemaakt.”

Na de gemotiveerde betwisting van Ribank heeft [gedaagde] onvoldoende concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat Ribank niet aan de bepalingen genoemd in de Wet identificatie bij dienstverlening zou hebben voldaan, zodat ook dit verweer van Ribank niet slaagt.

5.4

Uit hetgeen [gedaagde] naar voren heeft gebracht, en uit hetgeen tijdens de comparitie van partijen is gebleken, maakt de rechtbank op dat [gedaagde] gelijktijdig met het aangaan van de kredietovereenkomst met Ribank een beleggingsovereenkomst met DSB Bank is aangegaan, waarbij hij met geleend geld heeft belegd. Naar de rechtbank begrijpt was het de bedoeling om met de opbrengsten uit deze belegging de kredietovereenkomst af te lossen.

De kredietovereenkomst en deze beleggingsovereenkomst noemt [gedaagde] gezamenlijk: “het samenspel van overeenkomsten”. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu evenwel sprake van twee separate rechtsverhoudingen: de kredietovereenkomst en kennelijk een beleggingsovereenkomst die is overeengekomen tussen [gedaagde] en DSB Bank.

5.5

Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagde] het geld dat hij heeft ontvangen op grond van de kredietovereenkomst niet heeft gebruikt voor het aangaan van beleggingen. Het geld is, zo begrijpt de rechtbank, gebruikt voor andere doeleinden: voor het aflossen van een andere schuld en als consumptief krediet.

Uit hetgeen Ribank naar voren heeft gebracht en [gedaagde] niet heeft betwist, volgt dat van het verstrekte krediet NLG 2.086,- is overgemaakt aan Tadas (een onderdeel van DSB Bank), NLG 1.669,- is uitbetaald aan Prime Line, en NLG 28.331,- is uitbetaald aan [gedaagde] zelf.

5.6

Hieruit volgt dat [gedaagde] met Ribank geen beleggingsovereenkomst is aangegaan. Indien en voor zover [gedaagde] zijn verweren baseert op het feit dat Ribank haar zorgplicht zou hebben geschonden omdat zij hem niet correct zou hebben ingelicht omtrent door [gedaagde] aangegane beleggingen (met geleend geld) of ten onrechte niet zou hebben gewaarschuwd verbonden aan het beleggen met geleend geld of terzake het “know-your-customer-beginsel” zou hebben geschonden, slagen deze verweren niet, omdat [gedaagde] met Ribank slechts een kredietovereenkomst heeft gesloten en niet heeft belegd.

Het verweer dat Ribank met [gedaagde] een kredietovereenkomst heeft gesloten onder de naam beleggerskrediet en vervolgens [gedaagde] niet voldoende heeft voorgelicht en daarom niet aan haar zorgplicht heeft voldaan, slaagt reeds niet vanwege het feit dat Ribank en [gedaagde] een kredietovereenkomst hebben afgesloten die is gebruikt ter aflossing van een schuld en als consumptief krediet, zodat van een beleggingskrediet geen sprake is.

5.5

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat Ribank gebruik zou hebben gemaakt een hulppersoon, Becam Eefde B.V., h.o.d.n. Brofinco, en dat Ribank aansprakelijk is voor het handelen van deze hulppersoon. Ribank heeft gemotiveerd betwist dat Becam Eefde B.V. een hulppersoon zou zijn, nu zij is aan te merken als een zelfstandige tussenpersoon.

Na deze gemotiveerde betwisting zijdens Ribank heeft [gedaagde] geen nadere concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat Becam Eefde B.V. is aan te merken als een hulppersoon in de zin van artikel 6:76 BW, zodat ook dit verweer niet slaagt.

5.6

Daarnaast heeft [gedaagde] aangegeven dat Ribank geen analyse zou hebben toegepast of [gedaagde] wel in staat zou zijn om zijn verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst na te komen.

Ribank heeft dit gemotiveerd betwist en heeft documenten overgelegd waaruit volgt dat zij bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst aan haar zorgplicht heeft voldaan, onder meer door te onderzoeken of zij, gelet op de persoonlijke (financiële) omstandigheden van [gedaagde], het krediet zou kunnen verstrekken. Op grond van dit onderzoek heeft zij geoordeeld dat dit mogelijk was.

Na deze gemotiveerde betwisting zijdens Ribank heeft [gedaagde] geen nadere concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat Ribank geen analyse zou hebben toegepast teneinde te bezien of [gedaagde] wel in staat zou zijn om aan zijn verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst te voldoen, zodat ook dit verweer niet slaagt.

5.7

[gedaagde] heeft voorts een beroep gedaan op dwaling, waarbij hij heeft aangegeven dat het samenspel van overeenkomsten is gesloten onder invloed van dwaling en deze bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. [gedaagde] heeft daarbij gedwaald door misleidende inlichtingen van Ribank, aldus [gedaagde]. De dwaling heeft, zo begrijpt de rechtbank uit pagina 4 van de conclusie van antwoord, betrekking op het feit dat [gedaagde] zou hebben belegd met geleend geld. Nu tussen partijen evenwel slechts een kredietovereenkomst is gesloten die is aangewend voor het aflossen van een andere lening en voor consumptief krediet, slaagt een beroep op dwaling waardoor een overeenkomst met een derde betreffende het beleggen met geleend geld is aangegaan, niet. Het feit dat, zoals [gedaagde] stelt, kennelijk aan hem te kennen is gegeven door een derde (Becam Eefde B.V.) dat de aangeboden financieringsconstructie [de rechtbank begrijpt; de kredietovereenkomst en de beleggingsovereenkomst] interessanter was dan een op zichzelf staande lening, kan niet aan Ribank worden tegengeworpen.

in reconventie

5.8

[gedaagde] heeft aan zijn vordering in reconventie uitsluitend ten grondslag gelegd hetgeen hij in conventie als verweer heeft aangevoerd. Nu deze verweren in conventie allen niet zijn geslaagd, zal ook de vordering in reconventie worden afgewezen.

in conventie en in reconventie

5.9

[gedaagde] zal in conventie en in reconventie worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Ribank te betalen het bedrag van € 13.752,32 (zegge: dertienduizend zevenhonderdtweeënvijftig euro en tweeëndertig eurocent), vermeerderd met de overeengekomen rente over dit bedrag vanaf 19 juli 2007 tot aan de dag der voldoening;

in reconventie

wijst af de vordering van [gedaagde];

in conventie en in reconventie

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Ribank bepaald op € 305,- aan vast recht, op € 84,31 aan overige verschotten en op € 1.130,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima.

Uitgesproken in het openbaar.

1659