Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BE0010

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
13-08-2008
Zaaknummer
308642 / KG ZA 08-504
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De aanwezigheid van spoedeisend belang in kort geding is een noodzakelijk en apart te toetsen vereiste.

Overweging ten overvloede: nu in eerdere vonnissen ten aanzien van de schade in fasen 2 en 3 is gekozen voor concrete schadebegroting, kan de rente daarover eerst verschuldigd zijn vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 308642 / KG ZA 08-504

Uitspraak: 22 juli 2008

VONNIS in kort geding in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

D.C. BERKEL SPIJKENISSE BEHEER B.V.

gevestigd te Spijkenisse,

eiseres,

advocaat en procureur mr. drs. C.J.M. Stubenrouch,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SHELL NEDERLAND VERKOOPMAATSCHAPPIJ B.V.

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

procureur mr. J.W. Bitter,

advocaat mr. D.J. Beenders en mr. J.N. de Blécourt.

Partijen worden hierna aangeduid als “Berkel” respectievelijk “Shell”.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 6 juni 2008;

- pleitaantekeningen en producties van mr. Stubenrouch;

- pleitnota van mr. Beenders en mr. De Blécourt.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 8 juli 2008.

2 De vaststaande feiten

In dit kort geding wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1 Tussen Berkel en Shell is geprocedeerd over de vraag of Shell aansprakelijk is voor de schade die Berkel als eigenaar van het perceel aan de Rijksstraatweg 34 te Hellevoetsluis geleden heeft als gevolg van een ter plaatse aanwezige bodemverontreiniging. Bij vonnis van 3 september 2003 (zaak-/rolnummer: 26393/HA ZA 94-2288) heeft de rechtbank Rotterdam Shell veroordeeld tot betaling aan Berkel van € 414.334,09. In dit vonnis is de volgende overweging opgenomen:

“2.9

Nu de deskundige de totale kosten van sanering begroot op ƒ 1.356.000,-- exclusief BTW, inclusief een voorzie-ning van 20% voor onverwachte kosten, en de rechtbank in het vonnis van 19 april 2001 onder 3.14.4 heeft overwogen dat zij de (eventuele) veroordeling zo zal inrichten dat partijen voor wat betreft de onvoorziene kos-ten zullen worden verwezen naar de schadestaatprocedure, komt de vordering van Berkel Beheer tegen Shell voor toewijzing in aanmerking tot een bedrag in hoofdsom van ƒ 870.100,-- (77% van ƒ 1.130.000,--).”

Het dictum van het vonnis luidt (voor zover hier relevant):

“veroordeelt Shell om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Berkel Beheer te betalen het bedrag van € 414.334,09 (zegge: …), zijnde 77% van de tot op heden door Berkel Beheer geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 juni 1994 tot aan de dag der voldoening, naar rato van het aandeel van Shell (77%) te vermeerderen dan wel te verminderen, wanneer na afloop van de sanering blijkt dat de kos-ten van voorbereiding en uitvoering van de bodem- en grondwatersanering en de nazorg meer bedraagt dan tot op heden door de deskundige begroot, die meer- dan wel minderkosten op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.”

2.2 Het bedrag van € 414.334,09 zag voor ca 95% op kosten die waren gemaakt vanaf 2002 (het jaar van de aanvang van de sanering 1e fase) en voor ca 5% op onderzoekskosten en preprocessuele juridische kosten vóór 14 juni 1994. Dit bedrag is door Shell betaald, evenals de daarover verschuldigde rente vanaf 14 juni 1994. Te-gen het vonnis van 3 september 2003 is geen appel ingesteld.

2.3 In de daarop door Berkel aanhangig gemaakte schadestaatprocedure (zaak-/rolnummer: 206084 / HA ZA 03-2741) heeft Berkel gevorderd Shell te veroordelen primair tot betaling van de meerkosten van de afgeronde 1e fase van de sanering alsmede de nog te starten 2e en 3e fase (begroot) en subsidiair tot betaling van de meer-kosten voor de afgeronde 1e fase en de saneringskosten van de 2e en 3e fase na afronding van die fases. Bij tus-senvonnis van 13 juli 2005 heeft de rechtbank overwogen als volgt:

“3.13 De rechtbank acht de door Berkel gevorderde schade met betrekking tot fase 2 en fase 3 van de sanering ad EUR 105.983,01 exclusief BTW thans (nog) niet toewijsbaar. Vast staat dat deze schade (nog) niet is geleden, omdat de fasen (nog) niet zijn uitgevoerd. Het betoog van Berkel dat zij haar schade beperkt door deze kosten reeds te vorderen, is voor de rechtbank onvoldoende aanleiding om de schade op dit punt bij voorbaat te begroten…..”

Bij eindvonnis van 14 december 2005 is Shell, op basis van de verdeelsleutel en de uitgangspunten als vermeld in het onder 2.1 geciteerde vonnis, veroordeeld om aan Berkel te betalen € 369.366,77 exclusief BTW, ver-meerderd met de wettelijke rente over

€ 258.974,68 vanaf 10 oktober 2003. In het bedrag van € 369.366,77 is begrepen de wettelijke rente over € 258.974,68 van 14 juni 1994 tot 10 oktober 2003. Tegen dit vonnis is geen appel ingesteld. Shell heeft aan de veroordeling voldaan.

2.4 Bij brief van 25 juni 2007 heeft de raadsman van Berkel aan de raadsman van Shell laten weten dat de sane-ring van fase 2 is uitgevoerd en aanspraak gemaakt op betaling van 77% van de saneringskosten 2e fase ver-meerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 1994. Shell heeft in mei 2008 een bedrag van € 123.434,29 be-taald.

3 Het geschil

Berkel vordert dat het de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam moge behagen bij vonnis, voor zo-ver mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren, om:

1. Shell te veroordelen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2003 (zaak-/rolnummer: 26393/HA ZA 94-2288) en de nadien in de schadestaatprocedure gewezen vonnissen tussen Berkel en Shell na te komen door Shell te gebieden aan Berkel tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het bedrag van € 124.248,12 (zegge: honderdvierentwintigduizend tweehonderdachtenveertig euro en twaalf eurocent), zijnde het verschil van het aan Berkel (terzake de uitvoering van de 2e fase van de sa-nering) toekomende bedrag van € 247.682,41 minus het reeds door Shell betaalde bedrag van € 123.434,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over het nog verschuldigde bedrag vanaf 1 juni 2008 tot de dag der algehele voldoening;

2. Shell te veroordelen aan Berkel tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van € 6.969,42 (zesduizend negenhonderdnegenenzestig euro en tweeënveertig eurocent) terzake de prepro-cessueel-juridische kosten vanaf 14 december 2005;

3. Shell te veroordelen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2003 (zaak-/rolnummer: 26393/HA ZA 94-2288) en de nadien in de schadestaatprocedure gewezen vonnissen tussen Berkel en Shell evenzeer na te komen terzake de 3e fase van de sanering en wel in die zin dat Shell over de te ma-ken kosten in die 3e fase de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 14 juni 1994;

4. Shell te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Berkel aan haar vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 De beslissing van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2003 ziet zowel op de vestiging van de aanspra-kelijkheid van Shell (in de zin van artikel 6:162 BW) als op de omvang van die aansprakelijkheid (als bedoeld in artikel 6:98 BW). De aansprakelijkheid van Shell is door de rechtbank vastgesteld per 14 juni 1994. Vanaf die datum is de verbintenis tot schadevergoeding opeisbaar. Mitsdien is Shell over de volledige saneringskosten de wettelijke rente verschuldigd vanaf 14 juni 1994, ook indien deze kosten na die datum zijn gemaakt. Dit volgt ook uit de gedragingen van Shell zelf, die immers over de meerkosten 1e fase tot twee maal toe de wettelijke rente vanaf 14 juni 1994 heeft voldaan.

3.2 De 2e fase van de sanering heeft € 142.952,09 gekost (exclusief BTW). Hiervan dient Shell 77% te betalen, zijnde € 110.073,10. De wettelijke rente over dit bedrag bedraagt

€ 137.789,31, berekend over de periode vanaf 14 juni 1994 tot 31 mei 2008. In totaal is Shell ter zake de 2e fase € 247.862,41 aan Berkel verschuldigd. Shell heeft evenwel slechts

€ 123.434,29 voldaan. Zij is dus nog € 124.248,12 verschuldigd aan Berkel, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2008.

3.3 Daarnaast dient Shell aan Berkel € 6.969,42 te betalen, zijnde de gemaakte advocaatkosten terzake prepro-cessueel-juridische advisering die vanaf het laatste vonnis en ter verkrijging van betaling zijn gemaakt en niet zien op de gevoerde procedures zelf.

3.4 Om te voorkomen dat Shell bij de afrekening van de 3e fase de rentekwestie opnieuw opbrengt vordert Shell ook de nakoming van de vonnissen voor de afwikkeling van de 3e fase, waarbij over de kosten van die 3e fase de rente verschuldigd is vanaf 14 juni 1994.

Shell heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop in het kader van de beoordeling - voor zover nodig - zal worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1 Shell heeft het spoedeisend belang van Berkel bij de gevraagde voorzieningen bestreden. Ter zake wordt het volgende overwogen.

4.2 Het sub 1 en sub 3 gevorderde strekt tot betaling van (deels in de toekomst verschuldigde) geldsommen. Vooropgesteld wordt dat een geldvordering voor toewijzing in kort geding in aanmerking kan komen, indien die vordering voldoende aannemelijk is. Voorts geldt dat terughoudendheid geboden is, mede met het oog op het restitutierisico, en dat dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is (HR 22 januari 1982, NJ 1982, 505, nadien herhaaldelijk bevestigd, laatstelijk in HR 15 juni 2007, LJN: BA1522). Uit deze jurispru-dentie volgt dat de aanwezigheid van spoedeisend belang een noodzakelijk en apart te toetsen vereiste is voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Uiteraard geldt dat te meer voor zover het gaat om thans nog niet opeisbare bedragen.

4.3 Tegen deze achtergrond is met de (overigens door Shell bestreden) stellingen van Berkel dat het voor haar om grote bedragen gaat waar zij “recht op” heeft, dat “Shell [..] simpel het vonnis [moet] nakomen” en dat “Het [..] te gek [zou] zijn om terzake de nakoming van een eerder vonnis[…] een nieuwe bodemprocedure te moeten starten” het spoedeisend belang niet voldoende onderbouwd.

4.4 Nu Berkel aldus onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij het sub 1 en 3 gevorderde, is niet voldaan aan één van de vereisten voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Dit betekent dat deze onderdelen van de vordering zullen worden afgewezen. Hierin ligt besloten dat ook het sub 2 gevorderde - dat immers louter een nevenvordering betreft - zal worden afgewezen.

4.5 Ten overvloede - op verzoek van partijen - zal de voorzieningenrechter hier nog ingaan op hetgeen partijen inhoudelijk verdeeld houdt, te weten de berekeningsmethodiek van de kosten die Shell aan Berkel ten titel van schadevergoeding uit (kennelijk) onrechtmatige daad dient te vergoeden. Partijen zijn verdeeld over de vraag of ook over de saneringskosten van de 2e en 3e fase de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 14 juni 1994. Volgens Berkel volgt dit uit de vonnissen van de rechtbank van 3 september 2003 en 14 december 2005 en uit het feit dat Shell aan deze vonnissen heeft voldaan. Shell heeft dit bestreden, daartoe stellende dat Berkel het vonnis van 3 september 2003 onjuist interpreteert en voorts dat een renteberekening over de saneringskosten van fases 2 en 3 met aanvangstijdstip 14 juni 1994 in strijd is met de rechtspraak over abstracte en concrete schadebegroting en met de redelijkheid en billijkheid.

4.6 De voorzieningenrechter stelt het volgende voorop. Het vereiste van vertraging in artikel 6:119 BW brengt mee dat de verbintenis tot schadevergoeding opeisbaar moet zijn alvorens van vertragingsschade en dus de ver-plichting tot betaling van rente sprake kan zijn. In de rechtspraak is algemeen aanvaard dat een verbintenis tot schadevergoeding eerst ontstaat op het tijdstip dat de schade is geleden, althans rechtens geacht wordt te zijn geleden.

De wijze waarop de wettelijke rente over het bedrag van een schadevergoeding moet worden berekend, hangt daarmee in belangrijke mate af van de wijze waarop de schade door de rechter wordt begroot. De wijze van be-groting bepaalt immers het tijdstip waarop de betreffende schade geacht moet worden te zijn geleden. De rechter heeft daarbij een grote mate van vrijheid, mede gelet op de aard van de schade. In de situatie dat sprake is van een voorval dat tot schade leidt die zich nog na geruime tijd in de toekomst zal openbaren, kan de schade zowel begroot worden op de concrete bedragen die zich feitelijk aandienen (in de vorm van te missen verdiensten of te maken kosten, die wel verdiend respectievelijk niet gemaakt zouden zijn wanneer het schadeveroorzakende voorval niet zou hebben plaatsgevonden) en ter zake waarvan de schadevergoeding dan ook op de betreffende (verschillende) momenten verschuldigd wordt, als op een gekapitaliseerd bedrag ineens waarin mede is begre-pen de toekomstige schade, die dan geacht moet worden geleden te zijn op de bij deze kapitalisering tot uit-gangspunt genomen peildatum. Het is daarbij niet uitgesloten dat als peildatum de dag van het voorval dan wel een ander moment in het verleden mag worden gekozen, in het bijzonder wanneer terstond vaststaat dat het voorval blijvende schade of schade die zich pas na verloop van tijd volledig zal manifesteren heeft veroorzaakt. In dat geval is sprake van abstracte schadebegroting waarbij, op basis van de beschikbare gegevens een begro-ting wordt gemaakt van de schade die de onrechtmatige daad heeft veroorzaakt, ook voor zover die zich eerst in de toekomst zal manifesteren. De toekomstige posten worden dan geschat en contant gemaakt naar het moment van de peildatum, waarna vanaf die peildatum rente berekend wordt. De toekomstige goede en kwade kansen zijn in beginsel in die berekeningsmethode verdisconteerd. Zo min als de laedens teruggave kan vragen omdat later blijkt dat de schade meevalt, kan de gelaedeerde aanvulling vragen omdat de schade tegenvalt. Als eenmaal gekozen is voor een abstracte schadebegroting is de rol van de redelijkheid en billijkheid in die zin dus ook zeer beperkt.

4.7 Uit het vonnis van 3 september 2003 blijkt dat de rechtbank destijds niet gekozen heeft voor een geheel ab-stracte begroting van de totale schade. De schade is ten dele (abstract) begroot aan de hand van de schatting van de deskundige. Expliciet is echter in het dictum wél de mogelijkheid van gunstiger of ongunstiger ontwikkeling in de toekomst onder ogen gezien en is daaromtrent beslist dat zulks tot vermeerdering dan wel vermindering van de te betalen vergoeding (kennelijk op basis van de dan beschikbare gegevens met betrekking tot daadwer-kelijk gemaakte kosten) kan leiden, zoals in een latere schadestaatprocedure te berekenen. Uit de vonnissen in de schadestaatprocedure (r.o. 3.13 van het vonnis van 13 juli 2005 en r.o. 1.6 van het vonnis van 14 december 2005) blijkt, dat de rechtbank het vonnis van 2003 kennelijk zo heeft uitgelegd dat de abstracte schadebegroting geldt voor de gehele fase 1 (de rente over de later gemaakte meerkosten is immers vanaf 14 juni 1994 toegewe-zen) maar niet voor fase 2 en 3. De schade voor zover betrekking hebbend op fase 2 en 3 moet, volgens de rechtbank, concreet begroot worden. Anders zou immers het nog niet gemaakt zijn van de met die fases ge-moeide kosten irrelevant zijn. Nu deze vonnissen tussen partijen zijn gewezen en gezag van gewijsde hebben verkregen, zal in beginsel van die uitleg uitgegaan moeten worden. Dat betekent dat de schade in fase 2 en 3 in beginsel concreet begroot zal moeten worden, zodat de rente eerst verschuldigd is vanaf het moment dat de kos-ten gemaakt zijn. Daaraan doet niet af dat het vonnis van 3 september 1993 op zichzelf zeker ruimte biedt voor een andere uitleg. Als de vonnissen van 2005 in zoverre verassend zouden zijn geweest (ter terechtzitting heb-ben partijen immers beiden aangegeven dat het uitgangspunt van de wettelijke rente in de bodemprocedure geen apart onderwerp van debat is geweest) had het immers in de rede gelegen daartegen op die grond in beroep te gaan. Nu beide partijen zich bij die vonnissen hebben neergelegd zullen zij de gevolgen daarvan ook hebben te accepteren (ervan uitgaande dat de andere vonnissen en processtukken in die zaken, waarover de voorzieningen-rechter niet beschikt, wat dit betreft geen nieuwe gezichtspunten bieden).

4.8 Berkel zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter,

wijst af de vordering van Berkel;

veroordeelt Berkel in de kosten van dit kort geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde vanShell bepaald op € 254,-- aan verschotten en op € 816,-- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis, voor wat de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Kalmthout, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1775/106