Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD9889

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-08-2008
Datum publicatie
12-08-2008
Zaaknummer
10/821320-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis. Geen schorsing onderzoek ter terechtzitting na gewijzigde tenlastelegging bij afwezigheid verdachte (artikel 314 lid 1 en 2 Sv).

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 7
Wegenverkeerswet 1994 107
Wetboek van Strafrecht 435
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/821320-07

Datum uitspraak: 12 augustus 2008

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1987 te Rotterdam ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

gemachtigd raadsman mr. R.A.L.F. Frijns, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2008 en 29 juli 2008. Op 29 juli is de verdachte niet verschenen. De verdachte heeft zijn raadsman gemachtigd tot zijn verdediging.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De raadsman heeft op de zitting van 29 juli 2008 verklaard geen bezwaar te hebben tegen de wijziging van de tenlastelegging.

De rechtbank heeft ter terechtzitting de vordering wijziging tenlastelegging toegewezen.

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd, dat de zaak niet inhoudelijk kan worden behandeld. De verdachte is niet verschenen, zodat een gewaarmerkt afschrift van de gewijzigde tenlastelegging niet uitgereikt is. Een afschrift van de vordering wijziging tenlastelegging is ook niet betekend aan de verdachte. De raadsman heeft geen overleg gehad met de verdachte omtrent de vordering tot wijziging tenlastelegging, en het is hem tijdens een korte onderbreking van de zitting ook niet gelukt om de verdachte telefonisch te bereiken, derhalve acht de raadsman zich niet gemachtigd om toe te staan dat de behandeling van de zaak wordt voortgezet.

De rechtbank heeft ter terechtzitting daartoe het volgende overwogen.

De rechtbank heeft op 13 mei 2008 op de terechtzitting nog niet beslist ten aanzien van de vordering wijziging tenlastelegging aangezien de raadsman nog geen kennis had kunnen nemen van het dossier. Wel is de vordering wijziging tenlastelegging door de officier van justitie op die zitting toegelicht. De vordering wijziging tenlastelegging is daarbij aan de rechtbank, de verdachte en zijn raadsman overgelegd.

Ter terechtzitting van 29 juli 2008 heeft de gemachtigde raadsman geen bezwaar gemaakt tegen de beslissing van de rechtbank de vordering wijziging tenlastelegging toelaatbaar te verklaren. De vraag rijst vervolgens of de gemachtigde raadsman onder die omstandigheden nog bevoegd is zich te verzetten tegen de directe voortzetting van de behandeling van de strafzaak.

Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 mei 2008 blijkt dat de verdachte een afschrift van de gewijzigde tenlastelegging heeft ontvangen. Weliswaar had de rechtbank toen de beslissing om de wijziging toe te laten niet genomen, maar het was voor de verdachte voldoende duidelijk waartegen hij zich zou moeten verdedigen. De betekening van de wijziging is naar oordeel van de rechtbank dan ook niet meer noodzakelijk daar de verdachte de inhoud van de wijziging kende. De verdachte heeft ervoor gekozen niet aanwezig te zijn en zijn raadsman te machtigen tot zijn verdediging. De raadsman kan zich onder deze omstandigheden niet meer beroepen op het feit dat hij niet met de verdachte heeft overlegd over de wijziging tenlastelegging. Het is daarom niet nodig om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde dat overleg alsnog te doen plaatsvinden. Verdachte is door de voortzetting van de behandeling niet in zijn verdediging geschaad.

INHOUD VAN DE GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig (hoogst) roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, welk roekeloos, onoplettend, onvoorzichtig, onachtzaam en/of onzorgvuldig rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

-de door verdachte bereden wegen waren gelegen binnen de bebouwde kom, en/of

-in die wegen één of meer kruisingen waren gelegen, en/of

-zich (kort) achter het door verdachte bestuurde voertuig een (herkenbaar) politievoertuig bevond waarop door middel van een transparant, met daarin de woorden "stop" of

"stop politie", een stopteken was aangebracht, geen gevolg heeft gegeven aan bovenomschreven stopteken en/of (zijn snelheidverhogend) zijn weg heeft vervolgd en/of (nadat optische en geluidsignalen waren gegeven) zijn snelheid (verder) heeft verhoogd tot ongeveer 80 km/uur, in ieder geval een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of (achtereenvolgens)

*in strijd met de op hem rustende plicht meermalen, althans éénmaal, geen voorrang heeft verleend aan (een) bestuurder(s) van (een) motorvoertuig(en) en/of (bij het afslaan naar links) rechtdoorgaande fietsers niet heeft laten voorgaan, en/of

*zijn snelheid verder heeft verhoogd (tot ongeveer 100 km/uur), en/of

*een voertuig op een voetgangersoversteekplaats heeft ingehaald, en/of

*in botsing of aanrijding is gekomen met een fietser (op de Noordsingel), en/of

*met het door hem bestuurde voertuig tegen de achterzijde van een tram is aangebotst of aangereden en tot stilstand is gekomen, en/of (vervolgens) uit het voertuig is gestapt en is weggelopen van de plaats van aanrijding en/of (daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan één of meer (mondelinge) aanwijzingen van een ambtenaar van politie om te blijven staan,

één en ander kennelijk met de bedoeling zich te onttrekken aan staandehouding

door ambtenaren van politie;

waardoor die (op de Noordsingel rijdende) fietser, genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel (te weten een scheenbeenbreuk), of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

(artikel 6 j artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende over voor het openbaar verkeer veroorzaakt of kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die wegen werd gehinderd of kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

-die door verdachte bereden wegen waren gelegen binnen de bebouwde kom, en/of

-in die wegen één of meer kruisingen waren gelegen, en/of

-zich (kort) achter het door verdachte bestuurde voertuig een (herkenbaar) politievoertuig bevond waarop door middel van een transparant, met daarin de woorden "stop" of "stop politie", een stopteken was aangebracht,

geen gevolg heeft gegeven aan bovenomschreven stopteken en/of (zijn snelheidverhogend) zijn weg heeft vervolgd en/of (nadat optische en geluidsignalen waren gegeven) zijn snelheid (verder) heeft verhoogd tot ongeveer 80 km/uur, in ieder geval een (veel) hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan en/of

(achtereenvolgens)

*in strijd met de op hem rustende plicht meermalen, althans éénmaal, geen voorrang heeft verleend aan (een) bestuurder(s) van (een) motorvoertuig(en) en/of (bij het afslaan naar links) rechtdoorgaande fietsers niet heeft laten voorgaan, en/of

*zijn snelheid verder heeft verhoogd (tot ongeveer 100 km/uur), en/of

*een voertuig op een voetgangersoversteekplaats heeft ingehaald, en/of

*in botsing of aanrijding is gekomen met een fietser (op de Noordsingel), en/of

*met het door hem bestuurde voertuig tegen de achterzijde van een tram is aangebotst of aangereden en tot stilstand is gekomen, en/of (vervolgens) uit het voertuig is gestapt en is weggelopen van de plaats van aanrijding

en/of (daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan één of meer (mondelinge) aanwijzingen van een ambtenaar van politie om te blijven staan,

één en ander kennelijk met de bedoeling zich te onttrekken aan staandehouding door ambtenaren van politie;

(artikel 5 j artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

2.

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te Rotterdam meermalen althans eenmaal, (telkens)

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval en/of door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Noordsingel, (telkens) de plaats van het ongeval heeft verlaten,

terwijl (telkens) bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten de RET en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1]) letsel en/of schade was toegebracht;

(artikel 7 lid 1 onder a, j artikelen 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

3.

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Noordsingel, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

(artikel 107 lid 1, j artikelen 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994)

4.

hij op of omstreeks 08 oktober 2006 te Rotterdam toen een opsporingsambtenaar hem als verdachte van een strafbaar feit naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar (een) andere dan zijn werkelijke naam en/of voorna(a)m(en) en/of geboortedatum en/of geboorteplaats en/of adres waarop hij in de basisadministratie persoonsgegevens als ingezetene stond ingeschreven of woon- of verblijfplaats heeft opgegeven;

(artikel 435/4 SR)

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Heemst heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 240 uren te vervangen door 120 dagen hechtenis, en voorts een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 2 jaar;

- veroordeling van de verdachte voor feit 3 tot een geldboete van 130 euro te vervangen door 2 dagen hechtenis;

- veroordeling van de verdachte voor feit 4 tot een geldboete van 250 euro te vervangen door 5 dagen hechtenis;

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende vastgesteld.

Op 8 oktober 2008 heeft de verdachte als verkeersdeelnemer, te weten als de bestuurder van een motorrijtuig , zijnde een personenauto van het merk Nissan, gereden over de Boermarkt te Rotterdam. Omdat de verdachte een bocht zeer snel rijdend nam, zijn verbalisanten in een herkenbaar politievoertuig achter de personenauto aan gaan rijden en hebben zij een stopteken gegeven. De verdachte voldeed hieraan niet en verhoogde de snelheid tot boven de 50 km per uur. De verdachte reed zonder rijbewijs en wilde niet gepakt worden.

Daarop zijn de verbalisanten met optische en geluidsignalen achter de verdachte aan gereden. Verdachte trachtte te ontvluchten en heeft met zeer hoge snelheid (zeker 80 km per uur) binnen de bebouwde kom gereden. De verdachte heeft daarbij op de Noordsingel een fietser, genaamd [slachtoffer 1] aangereden. Tengevolge van deze aanrijding heeft de fietser niet alleen schade aan zijn fiets en jas opgelopen maar ook een gebroken scheenbeen van het been links; de geschatte genezingsduur was ongeveer zes weken. Het slachtoffer zelf had aangegeven dat de genezingsduur naar verwachting ongeveer vier weken zou zijn – hetgeen volgens de raadsman zou betekenen dat er geen sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel – maar de rechtbank volgt de inschatting van de arts.

Nadat verdachte de fietser had aangereden, is hij doorgereden, vervolgens is hij met zijn auto tegen een tram aangereden en is hij ervandoor gegaan.

De verdachte heeft naderhand verklaard dat hij [valse naam] zou heten. Dat bleek een valse naam te zijn.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van die delen van de tenlastelegging onder feit 1 primair, waarbij geen rechtstreeks verband met het verweten strafbare feit aanwezig is.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair, feit 2, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 08 oktober 2006 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig hoogstroekeloos, te rijden, op voor het openbaar verkeer openstaande wegen, welk roekeloos, rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, terwijl

-de door verdachte bereden wegen waren gelegen binnen de bebouwde kom, en

-zich (kort) achter het door verdachte bestuurde voertuig een herkenbaar politievoertuig bevond waarop door middel van een transparant, met daarin de woorden "stop" of

"stop politie", een stopteken was aangebracht, geen gevolg heeft gegeven aan bovenomschreven stopteken en(zijn snelheid verhogend) zijn weg heeft vervolgd en/of nadat optische en geluidsignalen waren gegeven zijn snelheid verder heeft verhoogd tot ongeveer 80 km/uur, en*in botsing of aanrijding is gekomen met een fietser (op de Noordsingel),

waardoor die op de Noordsingel rijdendefietser, genaamd [slachtoffer 1], zwaar lichamelijk letsel te weten een scheenbeenbreukwerd toegebracht

2.

hij op 08 oktober 2006 te Rotterdam meermalen

als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) betrokken bij een verkeersongeval en door wiens gedraging een verkeersongeval is veroorzaakt op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Noordsingel, telkens de plaats van het ongeval heeft verlaten,

terwijl telkens bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander te weten de RET en [slachtoffer 1] letsel en/of schade was toegebracht;

3.

hij op 08 oktober 2006 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Noordsingel, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

4.

hij op 08 oktober 2006 te Rotterdam toen een opsporingsambtenaar hem als verdachte van een strafbaar feit naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar een andere dan zijn werkelijke voornaam en geboortedatum en geboorteplaats heeft opgegeven;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 terwijl het een ongeval betreft

waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht terwijl de schuld bestaat

in roekeloosheid.

2. overtreding van artikel 7 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 meermalen gepleegd.

3. overtreding van artikel 107 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994.

4. door het bevoegd gezag naar zijn naam gevraagd een valse naam opgeven.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL

De straffen en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende:

De rechtbank heeft zich bij de bewezenverklaring van het eerste feit beperkt tot die feiten en omstandigheden die een rechtstreeks verband houden met de verweten aanrijding met letsel. Bij het bepalen van de strafmaat neemt de rechtbank mee dat verdachte voorafgaande aan de aanrijding - gedurende de achtervolging - zich schuldig heeft gemaakt aan hoogst roekeloos rijgedrag door binnen de bebouwde kom zeer hard te rijden, terwijl hij werd achtervolgd door de politie. Ondanks herhaaldelijke pogingen van de politie om de verdachte te doen stoppen, heeft de verdachte er bewust voor gekozen om steeds harder te gaan rijden, in een gebied met veel nauwe en drukke straten. De verdachte heeft in het geheel geen rekening gehouden met de gevaren en risico’s die dit voor zijn medeweggebruikers oplevert. De rechtbank weegt hierbij ten nadele van verdachte dat zijn strafbare rijgedrag niet één, maar zelfs twee aanrijdingen heeft veroorzaakt. Daarbij heeft één slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen; in beide gevallen werd flinke schade aangericht. De rechtbank neemt het de verdachte zeer kwalijk dat hij is doorgereden na het eerste ongeval en zich te voet heeft trachten te ontrekken aan zijn aanhouding, nadat zijn motorrijtuig achterop een tram was gereden waardoor hij niet verder kon. De rechtbank tilt ook zwaar aan de opmerking van de verdachte dat hij dit alles deed omdat hij niet opnieuw door de politie gepakt wilde worden voor het rijden zonder rijbewijs.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 mei 2008 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hierin, en in de omstandigheid dat de feiten al weer wat ouder zijn, wordt aanleiding gezien de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat het belang van de algemene verkeersveiligheid er mee is gediend dat verdachte gedurende een langere periode niet meer als bestuurder van een motorrijtuig aan het verkeer kan deelnemen. Het belang van de verkeersveiligheid dient daarbij te prevaleren boven het persoonlijk belang van verdachte bij het hebben van rijbevoegdheid. In dit geval betekent dit dat verdachte gedurende deze ontzegging ook niet bevoegd zal zijn om een rijbewijs te halen. Derhalve dient als bijkomende straf een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur te worden opgelegd.

Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank de officier van justitie volgen in zijn eis.

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen, is gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 57, 58, 62, 63 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 175, 176 en 179 van Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte voor feit 1 primair en feit 2 tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (zes) maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit

schuldig maakt;

- ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 2 (twee) jaar;

- legt de verdachte een taakstraf op bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (twee honderd en veertig) uur, waarbij de Stichting Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

- beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- veroordeelt de verdachte voor feit 3 tot een geldboete van € 130, (zegge: honderd en dertig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis;

- veroordeelt de verdachte voor feit 4 tot een geldboete van € 250, (zegge: tweehonderd en vijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kaaij, voorzitter,

en mrs. Leinarts en Wiersinga, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Volp, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 augustus 2008.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.