Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD9684

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
307429 / KG ZA 08-444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegenstrijdige instructies van ruziende opdrachtgevers rechtvaardigt geen opschorting ex artikel 6:37 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 307429 / KG ZA 08-444

Uitspraak: 5 juni 2008

VONNIS in kort geding in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SALVATEL B.V.

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. A.W. Dolphijn,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PAYEASY INTERNET SOLU-TIONS B.V.

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. L.J. den Hollander,

advocaat mr. J.M. van der Wulp.

Partijen worden hierna aangeduid als “Salvatel” respectievelijk “PayEasy”.

1 Het verloop van het geding

De voorzieningenrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 20 mei 2008;

- pleitnota en producties van mr. Dolphijn;

- pleitnota tevens houdende een eis in reconventie en producties van mr. Van der Wulp.

De raadslieden van partijen hebben de respectieve standpunten toegelicht ter zitting van 29 mei 2006.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

In dit kort geding wordt van de volgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1 Salvatel biedt telefonische diensten aan. Deze diensten bestaan er uit dat afnemers naar bepaalde (0906-)telefoonnummers bellen, waarbij de afnemers extra gesprekskosten ver-schuldigd zijn voor de telefonisch afgenomen dienst. Deze extra gesprekskosten komen toe aan Salvatel.

2.2 PayEasy verzorgt sinds 7 jaar de betalingsinfrastructuur voor Salvatel in verband met de in 2.1 bedoelde diensten. Partijen hebben daartoe op 5/23 augustus 2002 een “overeenkomst gebruik”(hierna: “overeenkomst”) gesloten. In deze overeenkomst staat, voor zover hier van belang:

“Uitbetaling

PayEasy zal de uitbetaling van het klantsdeel, rechtens deze overeenkomst, verminderd met eventuele uitstaande posten van deze klant aan PayEasy, binnen maximaal 7 dagen na ont-vangst van de desbetreffende uitbetaling van de Telecom-operator overmaken op de door de klant aangegeven bank- of giro-rekening. .(…)”

2.3 Ter uitvoering van de overeenkomst verschaft PayEasy Salvatel per kalendermaand een overzicht van de behaalde omzetten en betaalt zij de geïncasseerde bedragen - na aftrek van de aan PayEasy verschuldigde kosten - uit aan Salvatel. De uitbetalingen van PayEasy aan Salvatel (maandelijks gemiddeld € 14.000,--) zijn tot oktober 2007 steeds integraal overge-maakt op rekeningnummer 500990891 ten name van Salvatel.

2.4 Salvatel heeft twee aandeelhouders, de heer [aandeelhouder 1] (hierna: “[aandeelhouder 1]”) en mevrouw [aandeelh[aandeelhouder 2] (hierna: “[aandeelhouder 2]”). Beiden zijn eigenaar van 50% van de aandelen. [aandeelhouder 1] is statutair bestuurder van Salvatel; [aandeelhouder 2] is als procu-ratiehoudster bevoegd tot vertegenwoordiging van Salvatel, welke bevoegdheid in financiële zin is beperkt tot € 2.500,--.

2.5 Van de aan Salvatel ingevolge de in 2.2 bedoelde overeenkomst toekomende bedragen over respectievelijk oktober en november 2007 heeft PayEasy - op verzoek van [aandeelhouder 2] -

€ 2.500,-- en € 1.700,-- op haar privé-rekening uitbetaald. De resterende bedragen zijn aan Salvatel overgemaakt. Over de maanden december 2007 en januari 2008 heeft PayEasy de conform de overzichten verschuldigde betalingen integraal aan Salvatel voldaan. Nadien heeft PayEasy wel overzichten opgesteld, maar geen betalingen meer verricht, noch aan Salvatel, noch aan [aandeelhouder 2]. In de overzichten vanaf de maanden februari is voorts, anders dan voorheen, een kostenpost “Gebruik locatie Computerruimte RSC” ad € 350,-- in reke-ning gebracht (ex BTW).

2.6 Op 23 april 2008 heeft de raadsman van [aandeelhouder 2] aan PayEasy geschreven:

“Cliënte, mevrouw [aandeelhouder 2], kan er niet mee instemmen, dat betalingen aan Salvatel B.V. worden gedaan. Cliënte is, zoals u bekend, procuratiehoudster en is gerechtigd tot beslis-singen betreffende bedragen van € 2.500,--. Indien u tot betaling aan Salvatel overgaat, zal geen betaling aan cliënte kunnen worden verricht. Dit terwijl cliënte meent, dat aan haar thans ten minste € 2.500,-- dient te worden betaald en vervolgens dit elke week dient te ge-schieden.

..”

2.7 Op 25 april 2008 heeft Salvatel, na verkregen verlof daartoe, ten laste van PayEasy con-servatoir derdenbeslag doen leggen onder de ABN AMRO Bank N.V.

3 De vordering in conventie

Salvatel verzoekt de voorzieningenrechter, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. PayEasy [te gebieden; toevoeging voorzieningenrechter] per kalendermaand, na af-loop van iedere kalendermaand, zo spoedig mogelijk, althans binnen een week na af-loop daarvan aan Salvatel te zenden (a) een creditfactuur, (b) een specificatie van de creditfactuur, alsmede een (c) bewijs van de behaalde omzetten, op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag en/of keer dat gedaagde (één van) deze verplichtin-gen niet nakomt;

II. PayEasy [te gebieden; toevoeging voorzieningenrechter] per kalendermaand, na af-loop van iedere kalendermaand, zo spoedig mogelijk, althans binnen een week na af-loop daarvan de aan Salvatel toekomende bedragen aan Salvatel uit te betalen, een en ander zonder aftrek van betalingen op een door een procuratiehouder aangewezen bankrekening;

III. PayEasy te veroordelen om aan Salvatel te voldoen de somma van € 28.004,81 (als voorschot), althans een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepa-len;

IV. PayEasy te veroordelen in de kosten van deze procedure;

V. PayEasy te veroordelen tot vermeerdering van het verschuldigde met de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid van de vordering, tot de dag der algehele voldoening, waarbij de dag der opeisbaarheid steeds is de zevende kalenderdag na de laatste dag van iedere kalendermaand waarin betaling verschuldigd is;

VI. PayEasy op voorhand te veroordelen in de nakosten van deze procedure, te begroten conform het liquidatietarief althans een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Salvatel aan haar vordering de vol-gende stellingen ten grondslag gelegd.

3.1 PayEasy dient de overeenkomst met Salvatel na te komen en uit dien hoofde de aan Sal-vatel toekomende bedragen alsnog uit te betalen. Per saldo is PayEasy Salvatel tot en met maart van dit jaar € 23.921,04 verschuldigd, mede in aanmerking nemende dat over de peri-ode vanaf februari, anders dan voorheen en derhalve ten onrechte, huurtermijnen in rekening zijn gebracht.

3.2 Daarnaast maakt Salvatel aanspraak op schadevergoeding nu PayEasy toerekenbaar te-kortgeschoten is in de uitvoering van haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld jegens Salvatel. De schade kan worden begroot op

€ 23.921,04, voor zover dit bedrag niet reeds uit hoofde van de vordering tot nakoming zal worden toegewezen.

3.3 Voorts stelt Salvatel zich op het standpunt dat er sprake is van onverschuldige betaling, dan wel ongerechtvaardigde verrijking.

3.4 PayEasy is ook aansprakelijk voor de beslagkosten, alsmede voor de buitengerechtelijke kosten en de nakosten.

3.5 PayEasy heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop in het kader van de beoordeling - voor zover nodig - zal worden ingegaan.

4 De vordering in reconventie

PayEasy verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat PayEasy gerechtigd is de maande-lijks door Salvatel verschuldigde huur in mindering te brengen op de verschuldigde credit-nota’s.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft PayEasy aan haar vordering ten grond-slag gelegd dat de huurpenningen volgens de overeenkomst maandelijks aan PayEasy ver-schuldigd zijn, maar dat uit coulance regelmatig van de huur is afgezien. Omdat PayEasy ongevraagd bij de ruzie tussen [aandeelhouder 1] en [aandeelhouder 2] werd betrokken en in het kader daarvan aanzienlijke kosten moest maken om zich te verweren, was zij niet langer bereid om af te zien van het in rekening brengen van de huur.

Het verweer van Salvatel ligt besloten in haar stellingen in conventie.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1 Nu Salvatel heeft gesteld dat een faillissement onafwendbaar is als zij niet op korte ter-mijn wordt uitbetaald door PayEasy, is het spoedeisend belang van Salvatel bij de gevraagde voorzieningen gegeven.

5.2 Een geldvordering kan in kort geding worden toegewezen indien:

- het bestaan van die vordering voldoende aannemelijk is;

- sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening wordt getroffen;

- bij afweging van de belangen van partijen het restitutierisico onder ogen is gezien.

5.3 Tussen partijen is in confesso dat van de gestelde vordering van Salvatel op PayEasy ten bedrage van € 23.921,04 een bedrag van € 4.200,-- betrekking heeft op de in 2.5 bedoelde betalingen van PayEasy aan [aandeelhouder 2] terwijl een bedrag van € 700,-- ziet op de over februari en maart door PayEasy in rekening gebrachte huur (zie 2.5). Vooropgesteld wordt dat Pay-Easy het resterende deel van de vordering van Salvatel op haar (een bedrag van € 19.021,04) op zichzelf niet betwist, noch de opeisbaarheid daarvan.

5.4 PayEasy heeft zich op een opschortingsrecht beroepen, stellende dat onduidelijk is aan wie zij bevrijdend kan betalen omdat - conform de bepaling in de overeenkomst betreffende de uitbetaling (zie 2.2) - door [aandeelhouder 2] als procuratiehoudster een andere bankrekening voor de betaling is aangewezen. PayEasy wil voorkomen dat zij tweemaal dezelfde schuld moet voldoen. Dit argument gaat niet op. Niet in discussie is dat ter zake van de maandelijkse afrekeningen uitsluitend Salvatel de schuldeiseres is. Er is derhalve geen sprake van ondui-delijkheid over de vraag aan wie moet worden betaald, zodat hierin geen grond voor op-schorting als bedoeld in artikel 6:37 BW kan zijn gelegen. Dit wordt niet anders indien voor de betaling een andere rekening zou worden aangewezen. Gesteld noch gebleken is dat de bankrekening waarop PayEasy al jaren betalingen voor Salvatel verricht, niet langer de bankrekening van Salvatel zou zijn. Betaling op die rekening van Salvatel dient derhalve in elk geval als bevrijdende betaling aan Salvatel te worden gezien.

5.5 Indien moet worden aangenomen dat [aandeelhouder 2] op basis van een haar door Salvatel ver-leende volmacht gerechtigd is (geweest) betalingen in ontvangst te nemen, geldt dat zulks niet tot gevolg heeft gehad dat daarnaast Salvatel niet langer bevoegd was tot inontvangst-neming van de betalingen.

5.6 Voor zover PayEasy betoogt dat zij moet of mag aannemen dat [aandeelhouder 2], als (tot een bedrag van € 2.500,=) bevoegd vertegenwoordigster van Salvatel, laatstgenoemde vennoot-schap heeft kunnen binden om aan haarzelf betalingen te verrichten (waaronder te begrijpen zowel de reeds betaalde bedragen tot in totaal € 4.200,= als ook de volgens [aandeelhouder 2] nog aan haar te verrichten betalingen), geldt het volgende. Deze aanname veronderstelt:

a. dat [aandeelhouder 2] ofwel reeds vorderingen had op Salvatel, ofwel bevoegd is Salvatel dien-aangaande tot een betalingsverplichting jegens haarzelf te binden, alsmede

b. dat [aandeelhouder 2] namens Salvatel bevoegd is met PayEasy af te spreken dat deze dient te be-talen aan haarzelf, (kennelijk) ter voldoening van haar (onder a bedoelde) vorderingen op Salvatel.

In dat geval dient evenwel te worden geoordeeld dat in elk geval de onder b bedoelde han-deling, als vorm van “selbsteintritt” (zie artikel 3: 68 BW), niet is toegelaten.

5.7 Een en ander betekent dat PayEasy, in elk geval vanaf het moment dat zij op de hoogte was gesteld van de visie van Salvatel op de betalingsplicht, er niet op heeft mogen vertrou-wen dat [aandeelhouder 2] gerechtigd was tot inontvangstneming van betalingen. Voor wat betreft de voordien door [aandeelhouder 2] ontvangen betalingen - zijnde de betalingen tot een bedrag van

€ 4.200,-- geldt dat afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van het geval mogelijk reeds bevrijdend is betaald door PayEasy. In het kader van dit kort geding kan dit niet deug-delijk worden onderzocht en moet er van worden uitgegaan dat de geldvordering van Salva-tel in zoverre in dit kort geding niet toewijsbaar is.

5.8 In de vordering van Salvatal is een bedrag van € 700,-- begrepen dat PayEasy volgens Salvatel ten onrechte op het voor Salvatel bestemde tegoed in mindering heeft gebracht on-der de noemer “huur”. Partijen discussiëren over het al dan niet verschuldigd zijn van een (maandelijkse) huurvergoeding. In zoverre is in dit kort geding de vordering van Salvatel niet toewijsbaar.

5.9 Gelet op het vorenoverwogene zal de vordering in conventie sub I (waartegen in het ge-heel geen verweer is gevoerd) en II worden toegewezen. Aan de dwangsom zal een maxi-mum worden verbonden. De vordering tot betaling van het openstaande bedrag (onderdeel van sub III) zal worden toegewezen tot een bedrag van € 19.021,04 (betreffende de maanden februari en maart 2008), te vermeerderen met de wettelijke rente over de maandelijks ver-schuldigde bedragen vanaf de zevende kalenderdag na de maand waarover de betaling ver-schuldigd is. Gelet op de erkende verschuldigdheid van genoemd bedrag is geen sprake van een restitutierisico dat aan toewijzing van dit bedrag in de weg staat.

5.10 De gevorderde kosten van beslag ad € 1.100,42 zullen worden afgewezen, nu voor-alsnog voldoende aannemelijk is geworden dat voldoende zekerheid had kunnen worden verkregen door reservering van het verschuldigde op een derdenrekening, zulks totdat dui-delijkheid zou bestaan over de bestemming daarvan, zodat voor beslaglegging geen nood-zaal was en de kosten daarvan thans niet ten laste van PayEasy komen.

5.11 De gevorderde buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek zullen overeenkomstig de aanbevelingen van het rapport Voorwerk II worden be-groot op € 1.158,--, omdat de daarin gehanteerde tarieven in zijn algemeenheid redelijk worden geacht en Salvatel onvoldoende heeft gesteld waaruit blijkt dat meer werkzaamhe-den zijn verricht dan in het forfaitaire tarief besloten.

5.12 De nakosten zullen voorwaardelijk worden toegewezen als hierna vermeld.

5.13 Gelet op hetgeen in conventie met betrekking tot het doorberekenen van de huurtermij-nen is overwogen, heeft PayEasy geen belang meer bij haar vordering in reconventie voor zover het betreft de reeds gefactureerde maanden. Voor zover het de toekomst betreft, zou de vordering neerkomen op het vragen van een verklaring voor recht, waarvoor in kort ge-ding geen plaats is. De vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.

5.14 PayEasy zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten in conventie en reconventie worden veroordeeld. Gelet op de samenhang met de conventie zul-len de proceskosten in reconventie op nihil worden begroot.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter,

in conventie:

gebiedt PayEasy per kalendermaand, na afloop van iedere kalendermaand, zo spoedig mo-gelijk, althans binnen een week na afloop daarvan aan Salvatel te zenden

(a) een creditfactuur,

(b) een specificatie van de creditfactuur, alsmede

(c) een bewijs van de behaalde omzetten,

op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag en/of keer dat gedaagde (één van) deze verplichtingen niet nakomt, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van

€ 10.000,--;

gebiedt PayEasy per kalendermaand, na afloop van iedere kalendermaand, zo spoedig mo-gelijk, althans binnen een week na afloop daarvan de aan Salvatel toekomende bedragen aan Salvatel uit te betalen, een en ander zonder aftrek van betalingen op een door een procura-tiehouder aangewezen bankrekening;

veroordeelt PayEasy om aan Salvatel te voldoen de somma van € 19.021,04 (betreffende de maanden februari en maart 2008), te vermeerderen met de wettelijke rente over de maande-lijks verschuldigde bedragen vanaf de zevende kalenderdag na de maand waarover de beta-ling verschuldigd is;

veroordeelt PayEasy om aan Salvatel te voldoen een bedrag van € 1.158,-- ter zake van bui-tengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt PayEasy in de kosten in conventie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Sal-vatel bepaald op € 325,80 aan verschotten en op € 816,-- aan salaris voor de procureur;

veroordeelt PayEasy, indien zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de gebo-den/veroordelingen voldoet, tot betaling van € 131,-- aan nakosten, verhoogd met € 68,-- aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

wijst af de vordering van PayEasy;

veroordeelt PayEasy in de kosten in reconventie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Salvatel bepaald op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzieningenrechter, in tegenwoor-digheid van mr. A.M. van Kalmthout, griffier.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1775/1694