Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD9673

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-07-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
298913/ HA ZA 08-104
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Internationaal bevoegdheidsincident; beroep op arbitrage en/of forumkeuzebeding in overeenkomst. Absolute en relatieve bevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

REchtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 298913/ HA ZA 08-104

Uitspraak: 30 juli 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

Mr. Raymond Johannes Rudolf Maria DE BOK,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BLOM FOOD EQUIPMENT B.V.,

wonende te Rotterdam,

eiser in de hoofdzaak,

gedaagde in het incident,

procureur mr. J.G.M. Roijers,

advocaat mr. R. van der Pas,

- tegen -

1. de vennootschap naar buitenlands recht KÖNIG MASCHINEN GMBH,

in de dagvaarding aangeduid als König Maschinen GmbH,

gevestigd te Graz-Andritz (Oostenrijk),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid KÖNIG NEDERLAND B.V.

gevestigd te Gorinchem,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

procureur mr. D.A. Harff,

advocaat mr. S. Meeuwsen te Gorinchem.

Partijen worden hierna aangeduid als "de curator" respectievelijk "König" en “König Nederland”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 14 november 2007 en 15 november 2007 en de door de curator overgelegde producties;

- incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident.

2 De vaststaande feiten in het incident

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 7 mei 1999/18 mei 1999 is tussen König en Blom Food Equipment B.V. (verder Blom te noemen) een ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ gesloten op grond waarvan Blom het exclusieve recht tot import van König (bakkerij)machines verkreeg.

Artikel 4 van deze overeenkomst luidt, voor zover van belang:

“(…)

4. VERTRAGSDAUER

4.1 Der Vertrag gilt für unbestimmte Zeit. Dieser vertrag kann aus folgenden Gründen gekündigt werden:

(…)

4.3 Vertragsänderungen bedürfen der beiderseitigen schriftlichen Zustimmung und sind als Nachtrag anzuhängen.

(…)“

Artikel 12 van deze overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…)

12. SCHLICHTUNGSSTELLE/ GERICHTSSTAND

12.1 Uneinigkeiten über die Zusammenarbeit werden einer Schlichtungsstelle vorgelegt bestehend aus 3 Sachverständigen.

(…)

12.2

(…)

Gerichtsstand für etwaige Streitigkeiten im Zusammenhang mit diesem Vertrag oder den in seiner Ausführung geschlossenen Einzelgeschäfte ist der Sitz des Erzeugers. Jeder Vertragspartner ist jedoch auch berechtigt, den anderen an dessen allgemeinen Gerichtsstand gerichtlich in Anspruch zu nehmen.

Auf alle Streitigkeiten aus diesem Vertrag und/oder den in Ausführung des selben geschlossenen Einzelgeschäften ist österreichisches materielles Recht anzuwenden.

(…)“

2.2 Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam d.d. 30 mei 2006 is Blom in staat van faillissement verklaard.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1 De vordering van de curator luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. te verklaren voor recht dat König jegens gefailleerde een bedrag van € 340.911,93 verschuldigd is, althans een bedrag in goede justitie te bepalen;

b. te verklaren voor recht dat (1) gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld

door in strijd met datgeen wat in het maatschappelijk verkeer betamelijk is zich op onrechtmatige wijze de goodwill van gefailleerde toe te eigenen en/of door met onrechtmatig verkregen gooodwill een onderneming te exploiteren die gelijksoortig is met de voorheen bestaande onderneming van gedaagde en te verklaren voor recht dat (2) gedaagden daardoor jegens gefailleerde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hieruit ontstane schade voor een bedrag nader op te maken bij staat en hen te veroordelen de schade aan gefailleerde te voldoen;

c. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2 De curator heeft aan zijn vorderingen de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

a. vordering jegens König:

Blom heeft op grond van een in juni 2004 tussen König en Blom totstandgekomen agentuurovereenkomst recht op provisie uit hoofde van geleverde onderdelen en geleverde machines;

König heeft onrechtmatig jegens Blom gehandeld omdat zij onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de goodwill, het klantenbestand en de verkregen bedrijfsinformatie van Blom en daarmee een eigen onderneming is gestart die activiteiten verricht die identiek zijn aan die van gefailleerde en König heeft onrechtmatig gehandeld door wanprestatie van werknemers van Blom uit te lokken;

Konig heeft de agentuurovereenkomst onrechtmatig opgezegd op grond waarvan Blom schade op grond van artikel 7: 439 van het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft geleden;

Blom heeft recht op een goodwillvergoeding uit hoofde van artikel 7: 442 BW.

b. vordering jegens König Nederland:

König Nederland heeft onrechtmatig jegens Blom gehandeld doordat zij met gebruikmaking van via König onrechtmatig verkregen goodwill van Blom een onderneming exploiteert die werkzaamheden uitvoert die gelijksoortig zijn met de voorheen bestaande werkzaamheden van Blom en König Nederland heeft onrechtmatig gehandeld door wanprestatie van werknemers van Blom uit te lokken.

in het bevoegdheidsincident

3.3 De vorderingen van König en König Nederland luiden - verkort weergegeven - dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

zich ten aanzien van König en König Nederland onbevoegd verklaart kennis te nemen van het geschil en ten aanzien van König Nederland de zaak doorverwijst naar de rechtbank Dordrecht;

subsidiair:

zich ten aanzien van König en König Nederland onbevoegd verklaart van het geschil kennis te nemen en de zaak verwijst naar de sector kanton van de rechtbank Rotterdam;

zowel primair als subsidiair:

de curator veroordeelt in de kosten van het incident.

3.4 Gedaagden hebben hiertoe het volgende aangevoerd:

3.4.1 In artikel 12 van de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’, aangehaald onder 2.1, is tussen König en Blom arbitrage overeengekomen zodat de rechtbank niet bevoegd is.

3.4.2 Voor zover geoordeeld zou worden dat geen rechtsgeldig arbitragebeding is overeengekomen, dan wel dat ondanks het arbitragebeding ook een gerechtelijke instantie bevoegd is, is in artikel 12.2 van de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ bepaald dat de bevoegde rechter wordt vastgesteld aan de hand van de plaats waar de producent gevestigd is, hetgeen Graz te Oostenrijk is, zodat de Oostenrijkse rechter bevoegd is.

3.4.3 Bovendien is in artikel 12.2 bepaald dat iedere contractant gerechtigd is om ten aanzien van de andere contractant een beroep te doen op een voor hem algemeen geldend bevoegd gerecht. Ook dat leidt tot bevoegdheid van het gerecht in Graz.

3.4.4 Voor zover de rechtbank zou aannemen dat sprake is van een agentuurovereenkomst, is op grond van artikel 93 sub c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de sector kanton bevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Ingevolge artikel 94 lid 2 Rv is de kantonrechter tevens bevoegd om van de vordering kennis te nemen indien een zaak één of meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering betreft als bedoeld in artikel 93 sub c Rv, hetgeen hier het geval is.

3.4.5 Nu König Nederland in Gorinchem is gevestigd, is de rechtbank te Dordrecht bevoegd.

3.4.6 Indien het primair door gedaagden gevoerde verweer mocht worden verworpen zullen gedaagden instemmen met behandeling door de sector kanton van de rechtbank Rotterdam van de vordering jegens König Nederland.

3.5 De curator heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van de incidentele vordering van gedaagden, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het incident.

3.6 De curator heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

3.6.1 In juni 2004 zijn er zodanige wijzigingen aangebracht in de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ dat de rechtsbetrekking in 2004 is gewijzigd van een distributieovereenkomst in een agentuurovereenkomst. Het forumkeuzebeding in de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ is alleen gesloten voor geschillen naar aanleiding van de distributieovereenkomst, terwijl ten aanzien van de agentuurovereenkomst geen forumkeuzebeding geldt nu dit niet is overeengekomen.

3.6.2 Op grond van artikel 5 sub 1 (b) van de Verordening (EG) van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: EEX-Vo) is deze rechtbank bevoegd van de vorderingen van de curator kennis te nemen nu een agentuurovereenkomst moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst tot het verstrekken van diensten en alle geschillen ingevolge artikel 5 sub 1(b) geconcentreerd moeten worden bij de rechter van “de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden” en de diensten in Nederland zijn verricht.

3.6.3 Nu het primaire beroep op onbevoegdheid van gedaagden niet kan slagen, dient ook de vordering jegens König Nederland door de rechtbank Rotterdam behandeld te worden.

3.6.4 De samenhang tussen de vorderingen jegens König en König Nederland verzet zich tegen afzonderlijke behandeling door respectievelijk de kantonrechter en de rechtbank.

4 De beoordeling

in het incident

4.1 De exceptie van onbevoegdheid is vóór alle weren en daarmee tijdig opgeworpen.

vordering jegens König voor zover gebaseerd op contractuele aansprakelijkheid.

4.2 Gelet op het verweer van König dat geen sprake is van een agentuurovereenkomst maar dat tussen partijen ook na juni 2004 op grond van de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ is samengewerkt, in welke overeenkomst arbitrage is overgekomen dan wel een forumkeuze voor de Oostenrijkse rechter is gedaan, zal om vast te kunnen stellen of deze rechtbank bevoegd is allereerst moeten worden bepaald op grond van welke rechtsverhouding Blom vanaf juni 2004 machines en onderdelen van Konig heeft verkocht.

4.3 Vaststaat dat tot in ieder geval juni 2004 [Blom] op grond van de ‘Zusammen-arbeitsvereinbarung’ het exclusieve recht had om machines van König in Nederland te verkopen. Uit artikel 4 van de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ blijkt dat deze overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten en kan worden opgezegd op grond van een aantal in dit artikel genoemde gronden. König] voert aan dat zij de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ bij brief van 31 januari 2006 (overgelegd bij productie 6 bij dagvaarding) heeft opgezegd.

Gelet ook op de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagden, is de juistheid van de stelling van de curator dat de samenwerkingsovereenkomst per 8 juni 2004 is beëindigd en dat nadien een mondeling totstandgekomen agentuurovereenkomst gold, nog niet gebleken.

4.4 Gezien het voorgaande neemt de rechtbank voorshands en behoudens tegenbewijs aan dat de in 1999 gesloten samenwerkingsovereenkomst ook na juni 2004 is blijven gelden en ook van toepassing is op het op overeenkomst gebaseerde gedeelte van de vordering van de curator. Het ligt dan op de weg van de curator, die stelt dat dit gedeelte van zijn vordering niet op de samenwerkingsovereenkomst berust maar op een agentuurovereen-komst, daartegen tegenbewijs te leveren. De curator zal tot dit tegenbewijs worden toegelaten.

4.5 De door de curator gestelde agentuurovereenkomst wordt beheerst door Nederlands recht, nu deze - bij gebreke van een rechtskeuze - wordt beheerst door het recht van het land waar Blom als agent op het tijdstip van het totstandkomen van de vertegenwoordigings-verhouding haar kantoor had (artikel 6 Haags Vertegenwoordigingsverdrag). Toepassing van artikel 4 EVO leidt tot hetzelfde resultaat. Ook op de vraag of de gestelde overeenkomst is totstandgekomen is Nederlands recht van toepassing (artikel 8 Vertegenwoordigings-verdrag, respectievelijk artikel 8 EVO).

4.6 Indien vast zou komen te staan dat sprake is van een agentuurovereenkomst en dat de samenwerkingsovereenkomst hier niet geldt, kan de rechtbank bevoegdheid ontlenen aan artikel 5 aanhef en lid 1 sub b EEX-Vo aangezien de agentuurovereenkomst kan worden aangemerkt als overeenkomst tot het verstrekken van diensten en de curator onweersproken heeft gesteld dat Blom haar werkzaamheden gewoonlijk verrichtte vanuit haar vestigingsplaats in Ridderkerk.

4.7 Ingevolge artikel 93 sub c Rv worden zaken betreffende een agentuurovereenkomst behandeld door de kantonrechter, zodat de rechtbank sector civiel recht de zaak dan in zoverre zal dienen door te verwijzen naar de kantonrechter (artikel 71 Rv). De kantonrechter kan tevens kennisnemen van de tegen König gerichte vordering op basis van onrechtmatige daad, nu de samenhang tussen deze vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling zou verzetten (artikel 94 lid 2 Rv).

4.8 Zou de curator niet slagen in het hem opgedragen tegenbewijs dan geldt - in het kader van dit bevoegdheidsincident - artikel 12 van de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’.

Reeds thans merkt de rechtbank op dat uit het in lid 1 van dit artikel opgenomen beding, in samenhang gezien met de tweede alinea van artikel 12 lid 2, niet duidelijk blijkt dat partijen geschillen als de onderhavige met uitsluiting van de gewone rechter hebben willen voorleggen aan arbiters. Het bepaalde in artikel 12 lijkt bezwaarlijk anders te kunnen worden begrepen dan dat het partijen vrijstaat geschillen als de onderhavige voor te leggen aan de gewone rechter. Partijen zullen in de gelegenheid zijn om zich daarover bij conclusie na enquête nader uit te laten.

4.9 Voor het geval de curator niet in zijn bewijsopdracht mocht slagen, dient te worden beoordeeld wat de betekenis is van de tweede alinea van artikel 12 lid 2 van de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’. De eerste zin daarvan behelst een forumkeuze voor de rechter te [plaats], de plaats waar [König] als producent is gevestigd. Niet is betwist dat dit een geldige forumkeuze is als bedoeld in artikel 23 EEX-Vo. Er is echter klaarblijkelijk geen sprake van een exclusieve forumkeuze voor deze rechter, nu in de tweede zin is bepaald dat ieder der partijen ook gerechtigd is de ander aan te spreken voor diens “allgemeinen Gerichtsstand”.

Niet duidelijk is of met “allgemeinen Gerichtsstand” alleen gedoeld wordt op de rechter van de woonplaats van de aangesproken partij als bedoeld in artikel 2 EEX-Vo, of dat daarbij tevens bevoegdheid kan worden ontleend aan de alternatieve bevoegdheidsgronden van artikel 5 en artikel 6 EEX-Vo. Partijen kunnen zich ook hierover bij conclusie na enquête nader uitlaten.

vordering jegens König voor zover gebaseerd op onrechtmatige daad

4.10 Konig beroept zich in haar incidentele conclusie primair op artikel 12 van de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’, zonder onderscheid te maken naar de grondslag van de vordering. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat Konig dit artikel ook van toepassing acht op het gedeelte van de vordering van de curator dat is gebaseerd op een onrechtmatige daad.

Hoewel het de rechtbank voorshands niet aannemelijk voorkomt dat “Streitigkeiten im Zusammenhang mit diesem Vertrag” mede ziet op acties uit onrechtmatige daad, zal - voor het geval deze bepaling nog van belang mocht blijken te zijn - aan partijen de gelegenheid worden gegeven zich daarover nog uit te laten. In het navolgende wordt ervan uitgegaan dat ten aanzien van het gestelde onrechtmatig handelen tussen partijen geen arbitrage- of forumkeuzebeding geldt.

4.11 Krachtens het bepaalde in artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo is ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad - naast de rechter van de woonplaats van de verweerder - ook bevoegd de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Indien de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan leiden ("Handlungsort") niet samenvalt met de plaats waar door dit feit schade is ontstaan ("Erfolgsort"), kan de verweerder ter keuze van de verzoeker worden opgeroepen zowel voor de rechter van de plaats van de veroorzakende gebeurtenis als voor de rechter van de plaats waar de schade is ingetreden. Deze laatste plaats dient niet zo ruim te worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt.

4.12 De curator heeft aan het gedeelte van zijn vordering dat is gebaseerd op onrechtmatig handelen door König de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

- Konig heeft als principaal misbruik gemaakt van de afhankelijke positie van Blom als agent, door Blom haar bedrijfsgevoelige informatie aan König te laten verschaffen, met als doel het agentschap van Blom te beëindigen en vervolgens een eigen verkooporganisatie in Nederland op te zetten, die werkzaamheden uitvoert die gelijksoortig zijn met de tot dan toe bestaande werkzaamheden van Blom;

- König heeft met de verkregen informatie klanten van Blom aangeschreven en hun medegedeeld dat zij een eigen onderneming in Nederland wilde gaan opzetten;

- König heeft door gebruik te maken van de goodwill, het klantenbestand en de bedrijfsinformatie vanBlom König Nederland opgericht;

- König heeft werknemers van Blom benaderd om Blom te verlaten en bij König Nederland in dienst te treden. Drie werknemers van Blom zijn, in strijd met hun (non)concurrentiebeding, daadwerkelijk bij [König] Nederland in dienst getreden. König heeft onrechtmatig gehandeld nu zij heeft geprofiteerd van het onrechtmatig handelen van deze werknemers, König heeft de wanprestatie van deze werknemers uitgelokt.

- Door deze handelwijze heeft König onrechtmatig jegens Blom gehandeld. Het was daarna voor Blom onmogelijk haar activiteiten voort te zetten. Het faillissement van Blom werd mede door het onrechtmatig handelen van König onafwendbaar.

4.13 De gestelde schadeveroorzakende handelingen zijn waarschijnlijk deels in Oostenrijk en deels in Nederland verricht. Aannemelijk is dat het gestelde aanschrijven van klanten door König op haar kantoor in Oostenrijk is verricht, maar het opzetten van een onderneming in Nederland is waarschijnlijk deels op kantoor in Oostenrijk en deels ter plaatse in Nederland gebeurd. Ditzelfde geldt ten aanzien van het gestelde benaderen van de werknemers van Blom.

In het midden kan echter blijven waar de schadeveroorzakende handelingen precies hebben plaatsgevonden, nu naar het oordeel van de rechtbank Nederland moet worden aangemerkt als het ‘Erfolgsort’. De gestelde onrechtmatige handelingen hebben hun feitelijke uitwerking gehad in Nederland: daar bevond zich het bedrijf van Blom, daar bevonden zich haar werknemers en klanten en daar heeft König haar met dat doel opgerichte dochter König Nederland in staat gesteld om zich te vestigen en de aan deze verweten handelingen uit te voeren. Als 'Erfolgsort' kan in elk geval Ridderkerk gelden, de vestigingsplaats van Blom.

Afgezien van een daarvoor overeengekomen forumkeuze (zie onder 4.10), is deze rechtbank derhalve op grond van artikel 5 aanhef en onder 3 EEX-Vo bevoegd om kennis te nemen van dit gedeelte van de vordering van de curator jegens König.

vordering jegens König Nederland

4.14 König Nederland heeft betwist dat deze rechtbank bevoegd is, nu zij in Gorinchem is gevestigd en derhalve de rechtbank Dordrecht bevoegd is (artikel 99 Rv).

König Nederland heeft echter meegedeeld dat voor zover de rechtbank het primaire verweer van gedaagden mocht verwerpen - waarmee zij kennelijk doelt op (on)bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van König - zij geen verweer meer zal voeren tegen de relatieve onbevoegdheid van deze rechtbank met betrekking tot de tegen haar ingestelde vordering en dat zij dan verzoekt de zaak te verwijzen naar de sector kanton. König Nederland heeft daarbij geen onderscheid gemaakt tussen het gedeelte van de vordering van de curator jegens König dat ziet op contractuele aansprakelijkheid en het gedeelte dat ziet op onrechtmatige daad.

4.15 De rechtbank vat deze mededeling van König Nederland] aldus op dat, indien de rechtbank zich ten aanzien van König in enig onderdeel van de vordering bevoegd zou achten, geen beroep wordt gedaan op de relatieve onbevoegdheid van de rechtbank Rotterdam en dat indien de vordering ten aanzien van Konig zou worden verwezen naar de sector kanton, zij verzoekt de tegen haar aanhangig gemaakte zaak eveneens te verwijzen naar de sector kanton. De curator heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt, zodat kan worden aangenomen dat hij daarmee instemt.

4.16 In afwachting van een nader oordeel ten aanzien van de vordering jegens Konig wordt een verdere beslissing aangehouden.

in de hoofdzaak

4.17 De rechtbank houdt in de hoofdzaak iedere beslissing aan.

5 De beslissing

De rechtbank,

in het incident

ten aanzien van de vordering jegens König

alvorens verder te beslissen:

laat de curator toe tot het tegenbewijs van de stelling van König dat de ‘Zusammenarbeitsvereinbarung’ nog steeds geldt en ook van toepassing is op de vordering van de curator;

bepaalt dat, indien de curator dit tegenbewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. A.N. van Zelm van Eldik;

verzoekt de procureur van de curator om binnen vier weken na vonnisdatum aan de rechtbank - sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam mee te delen of hij getuigen wil doen horen en om - in dat geval - opgave te doen van het aantal getuigen en van de verhinderdata van hemzelf en zo mogelijk van de getuigen in de periode van november 2008 tot en met januari 2009,

en verzoekt de procureur van König om, in dat geval, binnen twee weken na die opgave zijn eigen verhinderdata in dezelfde periode op te geven;

ten aanzien van de vordering jegens König Nederland

houdt iedere beslissing aan.

in de hoofdzaak

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. van Zelm van Eldik.

Uitgesproken in het openbaar.

1295/10