Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD9668

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
275843 / HA ZA 07-37
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig overheidsbesluit. Zelfstandig schadebesluit. Beroep bij bestuursrechter aanhangig. Keuzevrijheid voor burgerlijke rechter op grond van Groningen / Raatgever. Schadebegroting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 275843 / HA ZA 07-37

Uitspraak: 4 juni 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. R.J. Wybenga,

advocaat mr. A.C. van der Bent,

- tegen -

de publiekrechtelijke rechtspersoon

POLITIEREGIO ROTTERDAM-RIJNMOND,

hierna ook aan te duiden als: Politieregio Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. D.J. van der Kolk.

1. Het verloop van de procedure.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende stukken:

de dagvaarding van 20 juli 2004 en de producties 1 tot en met 15;

de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met de producties 1 tot en met 21;

het tussenvonnis van 9 februari 2005, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 25 maart 2005;

de conclusie van repliek in conventie, houdende wijziging van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met de producties 16 tot en met 19;

de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie, met de producties 22 tot en met 26;

de akte in conventie, tevens dupliek in reconventie;

de antwoordakte in conventie.

2. Het geschil.

In conventie:

Kort samengevat vordert [eiser], na eiswijziging, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Politieregio Rijnmond veroordeelt tot vergoeding van eisers schade als gevolg van (het onrechtmatige deel van) het besluit van 27 maart 1997, primair op te maken bij staat, subsidiair te begroten in deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 maart 1997;

II. te verklaren voor recht dat bij het opmaken van bedoelde omzetschade;

de omzetschade tot en met 2001 voor 100%, over 2002 voor maximaal 70%, over 2003 over maximaal 50% en over 2004 voor maximaal 30% in aanmerking moet worden genomen;

de tariefsverhoging met 28,3% per 1 januari 1999 in aanmerking moet worden genomen;

het vervallen van de korting van 30% per 1 oktober 2003 in aanmerking moet worden genomen;

het fiscale nadeel bestaande uit gemiste zelfstandigenaftrek in aanmerking moet worden genomen;

III. Politieregio Rijnmond veroordeelt tot betaling van € 17.449,16 wegens kosten van rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke rente;

IV. Politieregio Rijnmond veroordeelt tot vergoeding van € 7.500,= wegens immateriële schade, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 27 maart 1997;

V. Politieregio Rijnmond te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief nasalaris en te vermeerderen met wettelijke rente.

Politieregio Rijnmond bestrijdt deze vorderingen en concludeert tot niet-ontvankelijk-verklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

In reconventie:

Politieregio Rijnmond vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat [eiser] aansprakelijk is voor door Politieregio Rijnmond geleden schade;

II. [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de door Politieregio Rijnmond geleden schade als gevolg van de ongerechtvaardigde verrijking van [eiser], te begroten in deze procedure althans op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente.

[eiser] bestrijdt de vordering in reconventie en concludeert tot niet-ontvankelijk-verklaring, althans tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van Politieregio Rijnmond in de proceskosten, inclusief nasalaris en te vermeerderen met wettelijke rente, een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

3. De beoordeling.

In conventie en in reconventie:

3.1 De rechtbank gaat uit van de navolgende vaststaande feiten.

Voor wat betreft het schadeveroorzakende besluit:

[eiser], geboren op [geboortedatum], heeft vanaf 1976 voor (in hoofdzaak) politie en justitie (OM) tolk- en vertaalwerkzaamheden in de Turkse taal verricht.

[eiser] is per 1 april 1994 als economisch beleidsmedewerker in dienst getreden bij Politieregio Rijnmond.

Bij besluit van 27 maart 1997 (hierna ook: het primaire besluit) is namens Politieregio Rijnmond besloten medewerkers van het Regiokorps Rotterdam-Rijnmond, onder wie [eiser], niet langer op te nemen op de Tolkenlijst van de Centrale Eenheid Vreemdelingenzorg.

Bij beslissing op bezwaar van 30 oktober 1997 is het hiertegen gerichte bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 juni 1999 heeft de rechtbank het hiertegen gerichte beroep van [eiser] gegrond verklaard wegens een motiverings-gebrek.

[eiser] heeft zijn dienstverband bij Politieregio Rijnmond per 1 september 1999 opgezegd. Tegen die datum is hem ontslag verleend.

Opnieuw beslissende op bezwaar, heeft Politieregio Rijnmond op 6 januari 2000 het bezwaar voor zover het is gericht tegen het niet meer mogen tolken voor de politie ongegrond verklaard en het bezwaar voor het overige (betreffende vertaalwerkzaam-heden voor de politie en vertaal- en tolkwerkzaamheden voor justitie) gegrond verklaard.

[eiser] heeft hiertegen beroep ingesteld voor zover zijn bezwaar ongegrond was verklaard. Bij uitspraak van 1 oktober 2004 heeft de rechtbank, sector bestuursrecht, het beroep ongegrond verklaard, welke uitspraak door de Centrale Raad van Beroep bij uitspraak van 18 mei 2006 is bevestigd.

en voor wat betreft de schade:

[eiser] heeft Politieregio Rijnmond verzocht een (zelfstandig) schadebesluit te nemen, hetgeen heeft geleid tot een beslissing op bezwaar van 29 januari 2004. Voorts is op 24 mei 2004 een besluit genomen, inhoudende een weigering tot vergoeding van immateriële schade.

In de beslissing op bezwaar van 29 januari 2004 is het primaire schadebesluit (van 31 oktober 2001) deels herroepen en is besloten tot een aanvullende betaling (van € 26.988,81 en wettelijke rente), op basis van de volgende uitgangspunten: - gederfde inkomsten uit vertaalwerk, gerelateerd aan een gemiddeld inkomen uit vertaalwerk over de jaren 1992 tot en met 1996 van fl. 56.613,=, berekend over een schadeperiode van 2,5 jaar (zijnde 2,5 x fl. 56.613,00 = fl. 141.532,50); - gederfde inkomsten uit tolkwerkzaamheden, gerelateerd aan een gemiddeld inkomen uit tolkwerkzaamheden over de jaren 1992 tot en met 1996 van fl. 12.114,00 , met inachtneming van een afbouwperiode van drie jaar (zijnde 70%, 50% en 30% van fl. 12.114,00 = fl. 18.171,00); - vergoeding kosten rechtsbijstand: fl. 28.858,60; - vergoeding van de wettelijke rente over de nabetaling van € 26.988,81 vanaf 27 maart 1997 tot de dag van voldoening; - vergoeding van de wettelijke rente over het reeds betaalde bedrag van € 45.484,48 over de periode van 31 oktober 2001 tot 5 december 2001.

Bij deze rechtbank, sector bestuursrecht, is een door [eiser] ingesteld beroep aanhangig tegen de beslissing op bezwaar van 29 januari 2004.

3.2 Ontvankelijkheid

Politieregio Rijnmond heeft als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vorderingen (althans de procedure dient te worden geschorst) nu de in deze procedure door [eiser] gevorderde schade tevens onderwerp is van het schadebesluit van 29 januari 2004, waartegen [eiser] beroep heeft ingesteld bij de bestuursrechter, welke procedure nog steeds loopt. Politieregio Rijnmond heeft betoogd dat [eiser] dient te kiezen of hij deze kwestie door de civiele rechter of door de bestuursrechter wenst te laten beslechten.

De rechtbank verwerpt dit betoog, daarbij [eiser] volgend, die met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999 (NJ 2000/5 Groningen / Raatgever) heeft aangevoerd dat hij een keuzevrijheid heeft zolang nog geen uitspraak is gedaan door de civiele- dan wel de bestuursrechter.

Om zeker te stellen dat dit vonnis niet zou worden (voorbereid en) uitgesproken op een moment dat de bestuursrechter reeds uitspraak heeft gedaan, heeft de behandelend rechter contact opgenomen met de sector bestuursrecht met de vraag naar de stand van zaken in de beroepsprocedure. Daarop is vernomen dat de beroepszaak op verzoek van de gemachtigde van [eiser] wordt aangehouden in afwachting van het oordeel van de civiele rechter. In deze situatie bestaan dan ook geen bezwaren ten aanzien van de ontvankelijkheid.

3.3 Eiswijziging en uitgangspunten

Bij repliek heeft [eiser] zijn vorderingen en de onderbouwing daarvan gewijzigd. Niet langer is in discussie dat het besluit tot het niet meer mogen tolken voor de politie niet onrechtmatig is geweest en dat de schade als gevolg van dit rechtmatige besluit reeds door Politieregio Rijnmond aan [eiser] is vergoed en dientengevolge niet in deze procedure aan de orde is.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat het besluit van Politieregio Rijnmond (van 27 maart 1997) tot het niet meer mogen verrichten van vertaalwerkzaamheden voor de politie en van vertaal- en tolkwerkzaamheden voor justitie onrechtmatig is geweest jegens [eiser] en dat Politieregio Rijnmond dienaangaande schadeplichtig is.

De gewijzigde vorderingen strekken tot vaststelling van de door [eiser] geleden omzetschade, inclusief fiscale schade, de kosten van rechtsbijstand, de immateriële schade en de wettelijke rente. Deze posten zullen hierna worden besproken.

3.4 Omzetschade in verband met tolkwerkzaamheden

Politieregio Rijnmond heeft aangevoerd dat de inkomstenderving in verband met tolkwerkzaamheden voor zowel de politie als voor justitie is vergoed door toekenning van een bedrag van € 8.245,64 (zijnde voormeld bedrag van fl. 18.171,00), nu weliswaar het standpunt is verlaten dat een afbouw van 70-50-30% in acht moet worden genomen (dupliek 13), maar dat [eiser] zelf de schade in verband met tolkwerkzaamheden niet heeft gesplitst naar werkzaamheden voor de politie en werkzaamheden voor justitie (dupliek 14).

In reactie hierop (bij akte, onder 5 en 6) wijst [eiser] erop dat in deze procedure slechts een verklaring voor recht is gevorderd en dat onjuist is de opmerking van Politieregio Rijnmond over het niet aangeven van inkomsten uit tolkwerkzaamheden voor justitie.

[eiser] vordert niet slechts verklaringen voor recht, maar tevens betaling van schadevergoeding, zij het dat die (primair) bij staat zou moeten worden opgemaakt. Nu niet valt in te zien dat de schade niet reeds in deze procedure kan worden begroot, dient [eiser] (bij conclusie na tussenvonnis) zijn schadeposten nader te concretiseren en onderbouwen en zal de rechtbank op basis daarvan tot een begroting komen. Indien [eiser] ter zake van tolkwerkzaamheden voor justitie, gelet op hetgeen Politieregio Rijnmond hieromtrent heeft aangevoerd, geen concrete schadepost kan noemen en onderbouwen, zal de rechtbank aannemen dat met betaling van voormeld bedrag van € 8.245,64 alle inkomstenderving in verband met tolkwerkzaamheden is vergoed.

3.5 Omzetschade in verband met vertaalwerkzaamheden

3.5.1 [eiser] betoogt dat de omzetschade over de jaren 1997 tot en met 2001 volledig dient te worden vergoed en over de jaren 2002 tot en met 2004 afnemend van 70%, 50% tot respectievelijk 30% van de oorspronkelijke omzet. Volgens [eiser] heeft hij als gevolg van het onderhavige besluit gedurende de eerste vijf jaren geen omzet kunnen genereren uit de hem verboden werkzaamheden als tolk en vertaler. [eiser] voert aan dat als oorspronkelijke omzet heeft te gelden zijn gemiddelde omzet over de jaren 1992 tot en met 1996, voor zover van toepassing te verhogen met de tariefsverhoging van 28,3% per 1 januari 1999 en te corrigeren in verband met het vervallen van de korting van 30% vanaf de derde dag. Voorts dient volgens [eiser] het fiscale nadeel, bestaande in de gemiste zelfstandigenaftrek, te worden vergoed.

3.5.2 Politieregio Rijnmond heeft als verweer tegen deze uitgangspunten voor de schadebegroting, samengevat, het navolgende aangevoerd:

a. Na de uitdiensttreding per 1 september 1999 bestond er voor [eiser] geen enkele beperking meer bij het uitvoeren van (tolk- en) vertaalwerkzaamheden voor politie en justitie. Vanaf die datum is het causale verband tussen het onderhavige besluit en eventueel verminderde omzet verbroken. Volgens Politieregio Rijnmond heeft [eiser] zich na 1 september 1999 niet beschikbaar gemeld (zie ook dupliek 30 - 35).

b. Er bestond voor [eiser] geen enkele garantie op een bepaalde hoeveelheid werk. In dit kader is van belang dat uit een vermelding op de tolkenlijst geen verplichtingen (tot inschakeling van [eiser]) voortvloeiden, dat de hoeveelheid (tolk- en) vertaalwerk is afgenomen, dat de concurrentie is toegenomen (waarbij steeds meer de voorkeur wordt gegeven aan beroepstolken en tolken die de Koerdische taal beheersen), alsmede dat [eiser] als zelfstandige ondernemersrisico loopt (waarbij is gewezen op [eiser]'s afhankelijkheid van politie en justitie en op de afhankelijkheid van zijn leidinggevende voor een flexibele inzetbaarheid als tolk/vertaler).

3.5.3 De rechtbank stelt voorop dat voor de begroting van de schade niet de omzetderving maar de netto inkomstenderving bepalend is. Zo mogelijk wordt deze schadepost vastgesteld aan de hand van een vergelijking van de netto-inkomsten vóór en ná het onrechtmatige besluit. Tegen deze achtergrond dient te worden beoordeeld welke periode in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs als schadeperiode heeft te gelden. Alleen de schade die in zodanig verband staat met het onderhavige besluit dat zij Politieregio Rijnmond kan worden toegerekend, komt voor vergoeding in aanmerking. Voorts ligt het op de weg van [eiser] zijn schade concreet te onderbouwen. Indien een nauwkeurige vaststelling niet mogelijk is, dient de schade op grond van artikel 6:97 BW te worden geschat.

3.5.4 Bij dupliek heeft Politieregio Rijnmond onder punt 19 een overzicht gegeven van de volgende inkomsten van [eiser] uit tolken en vertalen (exclusief BTW):

1992: fl. 81.818,=

1993: fl. 52.132,=

1994: fl. 36.556,=

1995: fl. 25.580,=

1996: fl. 96.369,=.

De aldus gestelde inkomsten lijken niet in discussie te zijn tussen partijen. Het ligt op de weg van [eiser] zich hierover nog uit te laten, evenals - er van uitgaande dat dit brutocijfers zijn - over de vraag wat de netto-inkomsten waren. Voorts dient [eiser] gemotiveerd aan te geven welk deel van deze inkomsten betrekking hebben op vertaalwerkzaamheden (en niet op tolkwerk-zaamheden).

Het komt de rechtbank redelijk voor het jaargemiddelde van de aldus te verkrijgen netto-inkomsten over de jaren 1992 tot en met 1996 in het kader van de schadebegroting te beschouwen als het bedrag ter zake van de netto-jaarinkomsten vóór het onrechtmatige besluit, dit alles met betrekking tot de vertaalwerkzaamheden van [eiser].

3.5.5 De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn uitgangspunt dat hij als gevolg van het onderhavige besluit gedurende de eerste vijf jaren geen omzet heeft kunnen genereren uit de hem verboden werkzaamheden als (tolk en) vertaler. Hierbij is het volgende in aanmerking genomen.

3.5.6 Van belang is - zoals Politieregio Rijnmond heeft aangevoerd - dat [eiser] zijn dienstverband bij Politieregio Rijnmond per 1 september 1999 heeft opgezegd en dat hem tegen die datum ontslag is verleend. Voorts geldt dat kort daarna, op 6 januari 2000, Politieregio Rijnmond, opnieuw beslissende op bezwaar, het bezwaarschrift van [eiser] gegrond heeft verklaard (behoudens voor wat betreft het niet meer mogen tolken voor de politie).

Reeds als gevolg van de beëindiging van het dienstverband was per september 1999 geen sprake meer van een formeel beletsel voor [eiser] ten aanzien van zijn (tolk- en) vertaalwerkzaamheden. Gesteld noch gebleken is dat het door [eiser] genomen ontslag een aan het onrechtmatige besluit toe te rekenen omstandigheid is. In deze situatie moet in beginsel - behoudens bijzondere omstandigheden - worden aangenomen dat voor zover [eiser] na 1 september 1999 minder inkomsten heeft verworven, dit niet is toe te rekenen aan het onrechtmatige besluit.

[eiser] heeft bij repliek aangevoerd dat zijn (voormalige) dienstverband geheel los staat van zijn tolkwerkzaamheden voor justitie en zijn vertaalwerk voor justitie en politie, zodat er helemaal geen causaal verband heeft bestaan. De rechtbank kan niet inzien dat dit een ondersteuning kan vormen van het vereiste causale verband tussen het onrechtmatige besluit en de gestelde schade. Bij akte heeft [eiser] de toelichting gegeven dat een en ander niet betekent dat er geen causaal verband bestaat tussen het verbod om te tolken / vertalen en de daardoor geleden schade. Dit is op zichzelf ook niet in discussie en kan buiten verdere beschouwing blijven.

Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd dat de enkele omstandigheid dat hij vanaf september 1999 weer wel in staat was te tolken en vertalen, niet tot gevolg had dat hij weer tot over zijn oren in het werk zat. Zich hiermee op bijzondere omstandigheden beroepend, voert [eiser] aan dat zijn gunstige concurrentiepositie inmiddels was aangetast doordat hij 2,5 jaar "uit beeld was geweest". Voorts heeft [eiser] de juistheid van de door Politieregio Rijnmond genoemde omstandigheden (zie hiervoor onder 3.5.2.b) betwist en/of betwist dat deze van invloed zijn op de toerekening van schade. Hierover oordeelt de rechtbank als volgt.

3.5.7 In de omstandigheden van het geval kan niet worden aangenomen dat het voor [eiser] vanaf 1 september 1999 direct weer mogelijk was om qua omvang op het oude niveau tolk- en vertaalwerkzaamheden te verrichten. De rechtbank acht - als schatting - een periode van één jaar nadien redelijk als periode waarin 50% van de voormalige jaarinkomsten kon worden behaald. Voor het daarop volgende jaar gaat de rechtbank er van uit dat 75% van het oude inkomstenniveau kon worden verkregen, daarna - derhalve per 1 september 2001 - weer 100%.

Aldus komt de rechtbank tot het oordeel dat bij de schadebegroting uitgangspunt is dat, in aanvulling op het standpunt van Politieregio Rijnmond dat gedurende 2,5 jaren een vergoeding van 100% dient plaats te vinden (zie voor het tolkwerk voor justitie nog: dupliek onder 13), nog een vergoeding van 50% is verschuldigd over het daarop volgende jaar en een vergoeding van 25% over nog een jaar. Hierbij gaat de rechtbank er van uit de door Politieregio Rijnmond gehanteerde periode van 2,5 jaar eindigt op 1 september 1999.

De door Politieregio Rijnmond genoemde omstandigheden rechtvaardigen niet de conclusie dat [eiser] zich zodanig slecht heeft ingespannen om opnieuw inkomsten te verkrijgen dat dit afbreuk zou doen aan het voornoemde causale verband en/of dat het door Politieregio Rijnmond gedane beroep op eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW gegrond zou kunnen worden geacht. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat, los van het onderhavige onrechtmatige besluit, in de periode van 1997 tot september 2001 sprake is geweest van voor [eiser] zodanig ongunstige ontwikkelingen ten aanzien van zijn concurrentiepositie, dat om die reden het causale verband geheel of gedeeltelijk als verbroken zou moeten worden beschouwd. Veeleer is sprake van een groot aantal onzekere factoren ten aanzien van [eiser]'s mogelijke verdiensten uit tolk- en vertaalwerk-zaamheden. Bij de schadebegroting dient een inschatting te worden gemaakt, waarbij onzekere factoren niet in het nadeel van [eiser] dienen uit te vallen, nu het aan Politieregio Rijnmond is toe te rekenen dat [eiser] als gevolg van het onrechtmatige besluit een en ander niet heeft kunnen realiseren. Voorts mag er van worden uitgegaan dat [eiser] in voldoende mate zou zijn ingesprongen op ontwikkelingen in de markt.

3.5.8 Over ná het onrechtmatige besluit verkregen netto-inkomsten uit vertaalwerk hebben partijen zich nog niet concreet uitgelaten. Het ligt op de weg van [eiser] dienaangaande een overzicht te geven. Uit het voorgaande volgt dat dit overzicht betrekking dient te hebben op de periode van 27 maart 1997 tot 1 september 2001.

3.5.9 [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld om de hiervoor gevraagde gegevens te verstrekken en om met inachtneming van voormelde uitgangspunten een concrete schadebecijfering op te stellen.

3.6 Omzetschade; tariefsverhoging, verval van korting en fiscaal nadeel

3.6.1 [eiser] heeft aangevoerd dat bij de bepaling van de omzetderving rekening moet worden gehouden met de tariefsverhoging van 28,3% per 1 januari 1999. Politieregio Rijnmond acht dit standpunt van [eiser], met een eiswijziging bij repliek voor wat betreft de ingangsdatum, in strijd met de goede procesorde, stellende dat dit standpunt eerst bij dagvaarding is ingenomen. Volgens Politieregio Rijnmond heeft [eiser] zijn aanspraak op een tariefsverhoging per 1 januari 1999 verspeeld (dupliek onder 40-41; zie ook onder 51). Nadat [eiser] dit heeft betwist (akte onder 14-15), verwijzend naar een aanvullend bezwaarschrift van 24 mei 2002, heeft Politieregio Rijnmond bij antwoordakte er nog slechts op gewezen dat [eiser] daarbij slechts aanspraak heeft gemaakt op een tariefsverhoging vanaf 1 oktober 2000.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op het aanvullend bezwaarschrift, niet op basis van de door Politieregio Rijnmond aangevoerde omstandigheden worden geconcludeerd dat [eiser] rechten aangaande de tariefsverhoging heeft prijsgegeven of verspeeld. Voor wat betreft de eiswijziging ten aanzien van de ingangsdatum van de tariefsverhoging ziet de rechtbank geen onredelijke bemoeilijking in de verdediging of onredelijke vertraging van het geding, noch anderszins strijd met de goede procesorde, zodat er geen grond bestaat om de eiswijziging niet toelaatbaar te achten.

Als voor het overige onbestreden dient derhalve het standpunt van [eiser] te worden gevolgd dat bij de schadebegroting rekening dient te worden gehouden met de tariefsverhoging van 28,3% per 1 januari 1999.

3.6.2 Nu hiervoor is geoordeeld dat alleen inkomstenderving tot 1 september 2001 voor vergoeding in aanmerking komt, kan onbesproken blijven de stelling van [eiser] omtrent het vanaf 1 oktober 2003 vervallen van de korting van 30% vanaf de derde dag.

3.6.3 [eiser] voert aan (repliek onder 49-50) dat Politieregio Rijnmond over de periode (naar de rechtbank begrijpt: van 2,5 jaren) waarover de schade is vergoed een fiscale schade wegens gemis van de zelfstandigenaftrek heeft vergoed van fl. 6.000,= (is € 2.723,=) per jaar. [eiser] stelt dat hij, ook na die periode, tot en met het jaar 2000 recht op vergoeding hiervan heeft.

Politieregio Rijnmond heeft aangevoerd (dupliek onder 42) dat zij op goede grond op basis van 70-50-30% een vergoeding heeft toegekend.

Het ligt op de weg van [eiser] een nadere onderbouwing te geven van dit onderdeel van de vordering, uitgaande van de hiervoor vastgestelde periode waarover vergoeding van omzetschade toewijsbaar is.

3.7 Kosten van rechtsbijstand

[eiser] wenst vergoeding van nog niet door Politieregio Rijnmond vergoede kosten van rechtsbijstand tot een bedrag van € 17.449,16, vermeerderd met de wettelijke rente voor ieder deel van de kosten vanaf de dag dat het desbetreffende deel is verschuldigd.

Bij dagvaarding (onder 50) heeft [eiser] een overzicht gegeven van 13 facturen, tot een totaal van € 48.464,13. De desbetreffende betaaldata zijn daarbij vermeld en beslaan de periode van november 1998 tot en met februari 2004. Voorts is gesteld dat hiervan een bedrag van € 13.095,46 is vergoed (dagvaarding onder 57) bij besluit van 31 oktober 2001, hetgeen Politieregio Rijnmond heeft bevestigd (conclusie van antwoord, onder 111), met de toelichting dat zij van een uurtarief van € 136,13 (fl. 300,=) is uitgegaan, inclusief kantooropslag. Niet (langer) is in geschil dat geen BTW dient te worden berekend (repliek onder 73).

Bij repliek heeft [eiser] alle facturen in het geding gebracht. Vervolgens maakt [eiser] zelf onderscheid tussen kosten die betrekking hebben op een aantal bestuursrechtelijke besluiten en kosten die betrekking hebben op gerechtelijke procedures (25% van het totaal), met als conclusie dat in totaal een bedrag van 75% van € 40.726,16 wordt gevorderd, verminderd met de vergoeding van € 13.095,46, derhalve per saldo € 17.449,16.

Politieregio Rijnmond heeft de verschuldigdheid hiervan gemotiveerd betwist, daarbij onderscheid makend tussen de periode vóór het besluit van 31 oktober 2001 en de periode daarna, daarbij onder meer aandacht bestedend aan het Besluit Proceskosten Bestuursrecht en stellend dat de rechtbank gelet op artikel 8:75 Awb niet bevoegd is een beslissing te nemen voor zover de vordering betrekking heeft op de bestuursrechtelijke procedures bij de rechtbank en bij de Centrale Raad van Beroep.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de stellingen en verweren van partijen omtrent de buitengerechtelijke kosten alleen worden beoordeeld op basis van een - door [eiser] op te stellen - uitsplitsing naar de hiervoor genoemde periodes (vóór en na 31 oktober 2001) en naar de verschillende procedures en/of bestuursrechtelijke besluiten. Het is niet aan de rechtbank om te trachten dit onderscheid aan te brengen op basis van de overlegde stapel facturen. Voorts is de aangebrachte splitsing tussen proceskosten en buitengerechtelijke kosten in een verhouding van 75 - 25% niet onderbouwd en valt niet in te zien dat op deze wijze dit onderdeel van de schade dient te worden begroot. [eiser] wordt in de gelegenheid gesteld bedoeld overzicht te verstrekken, voorzien van een deugdelijke toelichting. De rechtbank geeft partijen in overweging, ter voorkoming van nog verder oplopende advocaatkosten, op dit onderdeel in overleg te treden om te bezien of (alsnog) tot een vergelijk kan worden gekomen.

3.8 Immateriële schade

De door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden, inclusief de door hem ervaren negatieve gevolgen van de duur van de diverse procedures, kunnen niet de conclusie dragen dat sprake is van op grond van artikel 6: 106 BW voor vergoeding in aanmerking komende schade. In het bijzonder is gesteld noch gebleken dat Politieregio Rijnmond het oogmerk heeft gehad immateriële schade toe te brengen. Evenmin is sprake van een aantasting van [eiser] in zijn persoon als bedoeld in genoemde bepaling. Een vergoeding wegens immateriële schade is derhalve niet toewijsbaar.

3.9 Wettelijke rente

De beslissing omtrent de voor vergoeding in aanmerking komende wettelijke rente wordt aangehouden totdat meer duidelijkheid zal zijn verkregen omtrent de hoogte en ingangsdata van de posten waarover deze berekend moet worden.

3.10 Verder procesverloop

De zaak zal naar de rol worden verwezen om [eiser] in de gelegenheid te stellen zich bij conclusie na tussenvonnis uit te laten als hiervoor aangegeven. Politieregio Rijnmond kan hierna een antwoordconclusie na tussenvonnis nemen. Iedere verdere beslissing wordt thans aangehouden.

En voorts in reconventie:

3.11 In reconventie vordert Politieregio Rijnmond op grond van ongerechtvaardigde verrijking schadevergoeding met rente van [eiser], vanwege de omstandigheid dat de reeds uitbetaalde schadevergoedingen zijn gebaseerd op brutobedragen in plaats van op nettobedragen. Politieregio Rijnmond stelt dat de onderhavige schadevergoedingen in feite zien op verlies aan arbeidsvermogen of inkomensschade, waarvan de vergoeding onbelast is.

[eiser] heeft dit standpunt bestreden, stellende dat het in zijn geval niet gaat om een verlies van arbeidsvermogen maar om omzetschade, zodat de vergoedingen belast zijn.

De rechtbank volgt [eiser] in zijn visie dat het hier gaat om belaste vergoedingen wegens inkomstenderving en niet om onbelaste vergoedingen wegens verlies aan verdienvermogen. Politieregio Rijnmond heeft zijn desbetreffende stelling niet nader onderbouwd. Voorts heeft Politieregio Rijnmond niet [eiser]'s stelling (repliek, onder 103) betwist dat hij ook daadwerkelijk belasting heeft betaald over de ontvangen schadevergoedingen. Van ongerechtvaardigde verrijking is dan ook geen sprake, zodat de vordering in reconventie niet toewijsbaar is.

4 De beslissing.

De rechtbank

in conventie:

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 16 juli 2008 om [eiser] in de gelegenheid te stellen zich bij conclusie na tussenvonnis uit te laten als hiervoor aangegeven (onder 3.4, 3.5.4, 3.5.8, 3.5.9, 3.6.3 en 3.7);

in conventie en in reconventie:

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694]