Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD9643

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-08-2008
Datum publicatie
08-08-2008
Zaaknummer
289300 / HA ZA 07-1924
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BW1267
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW1270, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Heeft de Gemeente tot de beslissing mogen komen om een orthodoxe moslim een baan als klantmanger niet te geven omdat deze kandidaat, op grond van zijn geloofsovertuiging, niet bereid is om vrouwen de hand te schudden?

Wetsverwijzingen
Algemene wet gelijke behandeling
Algemene wet gelijke behandeling 2
Algemene wet gelijke behandeling 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 475
RAV 2008, 103
Gst. 2008, 132 met annotatie van M.L.M. van de Laar
NTM/NJCM-bull. 2009, p. 177 met annotatie van E. Brems
JAR 2008/234
JIN 2008/550
JIN 2008/605
AR-Updates.nl 2008-0510
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 289300 / HA ZA 07-1924

Uitspraak: 6 augustus 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[EISER],

wonende te Rotterdam,

eiser,

procureur mr. S.O. Voogt,

- tegen -

de rechtspersoon naar publiek recht DE GEMEENTE ROTTERDAM,

dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

zetelende te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

advocaat mr. S.A. Tan te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "de Gemeente".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 27 juli 2007 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met productie;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

[eiser] is een orthodoxe moslim. Hij kleedt zich op Islamitisch-orthodoxe wijze - te weten een lang gewaad en een hoofddeksel - en schudt vanwege zijn geloofsovertuiging vrouwen niet de hand.

2.2

In 2005 is [eiser] benoemd als lid van de cliëntenraad van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Gemeente (verder: ‘Dienst SZW’). [eiser] heeft op 17 september 2005 gesolliciteerd naar de functie van Contractueel Medewerker Dienstverlening (verder: ‘klantmanager’) bij de Dienst SZW.

2.2

In het kader van deze sollicitatie vond op 23 februari 2006 een gesprek plaats tussen [eiser] en, namens de Dienst SZW, de heer [teamchef], teamchef Werving en Inzet, en mevrouw [hoofd P&O], hoofd Personeel en Organisatie. Tijdens dit gesprek weigerde [eiser] mevrouw [hoofd P&O] een hand te geven. [hoofd P&O] heeft tijdens het gesprek aangegeven dat als [eiser] haar wel de hand zou hebben geschud, de Gemeente hem de functie van klantmanager zou hebben aangeboden.

2.3

In haar brief van 13 maart 2006 bericht mevrouw [hoofd P&O] namens de Gemeente aan [eiser] onder meer het volgende:

“In het kader van uw sollicitatie (…) heeft u op donderdag 23 februari 2006 een gesprek gehad (…). Aanleiding voor dit gesprek vormde de wijze waarop u, uit religieuze overtuiging, gekleed gaat en personen van het vrouwelijk geslacht begroet in relatie tot uw sollicitatie naar de functie van klantmanager (…). In dit gesprek (…) hebben wij u reeds medegedeeld dat wij u niet willen benoemen in de beoogde functie.

Zoals u bekend, door uw bijdrage in de Cliëntenraad van SoZaWe en uit de aangeboden informatie op de informatiedag, beheert een klantmanager bij SoZaWe een zeer gevarieerd cliëntenbestand. Gezien de rol van de klantmanager ten overstaan van de klant zijn wij van mening dat houding, kleding en optreden van de klantmanager nimmer invloed mogen hebben op de functionele relatie met de klant en geen aanleiding mag vormen voor verstoring van de verhoudingen. Onze medewerkers moeten in elke situatie rekening houden met en handelen volgens de algemeen geaccepteerde sociale omgangsvormen.

Wij zijn van mening dat uw kleding en de wijze waarop u vrouwen begroet - met respect voor uw standpunt in deze - uw functioneren als klantmanager kwetsbaar maakt en een dermate groot risico vormt met betrekking tot de verhoudingen in de functionele relatie met de klant, dat wij het niet verantwoord achten u de rol en taken van klantmanager op te dragen. Wij willen het risico niet nemen u en mogelijke collega’s in een onveilige situatie te brengen, wanneer uw verschijning agressie zou oproepen bij cliënten. Voorts zijn wij van mening dat uw weigering vrouwelijke medewerkers met een handdruk te begroeten, weerstand kan veroorzaken en daardoor kan leiden tot conflictsituaties binnen SoZaWe.”

2.4

De Commissie Gelijke Behandeling (‘CGB’) heeft naar aanleiding van het verzoekschrift van [eiser] van 13 juni 2006 op 5 oktober 2006 een oordeel gegeven (2006-202) over de onderhavige kwestie. De CGB oordeelde dat de Gemeente jegens [eiser]:

“ - direct onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de afwijzing vanwege zijn kleedstijl;

- niet objectief gerechtvaardigd indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de afwijzing van het niet schudden van handen;

- geen onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht.”

2.5

Het oordeel van de CGB vormde voor de Gemeente geen aanleiding om haar standpunt te wijzigen.

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door hem de functie van klantmanager te weigeren op de gronden als genoemd in de brief van 13 maart 2006;

2. de Gemeente te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 9.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente;

3. de Gemeente te veroordelen in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

De Gemeente heeft jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld door hem op de in haar brief van 13 maart 2006 genoemde gronden af te wijzen als klantmanager. De Gemeente handelt hiermee in strijd met artikel 1 jo. artikel 5 lid 1 aanhef en sub d van de Algemene wet gelijke behandeling (‘Awgb’), althans zij schendt de godsdienstvrijheid van [eiser] in de zin van artikel 9 EVRM, artikel 18 IVBPR en artikel 6 van de Grondwet.

3.2

Als gevolg van het onrechtmatig handelen heeft [eiser] schade geleden nu hij vanwege zijn godsdienst de baan als klantmanager is misgelopen. Als het onderscheid niet zou zijn gemaakt, zou hij per 1 maart 2006 als klantmanager zijn aangesteld. Per maand zou [eiser] bruto een salaris hebben verdiend van € 1.800,- à € 2.875,- (exclusief eindejaarsuitkering). [eiser] is aangewezen op een bijstandsuitkering van netto € 600,- per maand in 2006 en

€ 623,10 in 2007. Om discussies te voorkomen begroot [eiser] zijn schade op € 500,- per maand. Tot de datum dagvaarding is dit schadebedrag € 9.000,- (18 maanden x € 500,-). [eiser] behoudt zich het recht voor om verdere schade die in de toekomst wordt geleden op de Gemeente te verhalen.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

De Gemeente heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd:

4.1

De Gemeente erkent dat zij met haar besluit [eiser] af te wijzen voor de functie van klantmanager indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van religie als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub c van de Awgb. Door te weigeren vrouwen een hand te geven maakt [eiser] echter zelf onderscheid tussen mannen en vrouwen. De Gemeente dient te waken tegen een inbreuk op het verbod op onderscheid wegens geslacht. Daarin ligt de rechtvaardigingsgrond voor het door de Gemeente gemaakte (indirecte) onderscheid. Van onrechtmatig handelen door de Gemeente is derhalve geen sprake.

5. De beoordeling

5.1 onderscheid op grond van kleding

De CGB heeft in de onderhavige zaak geoordeeld dat de Gemeente direct onderscheid heeft gemaakt in de zin van de Awgb door [eiser] mede vanwege zijn kledingstijl af te wijzen voor de functie van klantmanager. [eiser] onderschrijft dit oordeel en voert aan dat de Gemeente mede door dit ongeoorloofde onderscheid onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De Gemeente heeft dit gemotiveerd weersproken.

In haar brief van 13 maart 2006 noemt mevrouw [hoofd P&O], de P&O-functionaris van de Dienst SZW, de traditionele moslimkleding van [eiser] als een omstandigheid die een rol heeft gespeeld bij de afwijzing van zijn sollicitatie. Echter, als onweersproken staat tevens tussen partijen vast dat deze zelfde mevrouw [hoofd P&O] tijdens het gesprek op 23 februari 2006 aan [eiser] heeft gezegd dat als hij bereid was geweest haar de hand te schudden hij de baan als klantmanager zou hebben gekregen. Ook tijdens dit gesprek, zo maakt de rechtbank uit de standpunten van partijen op, droeg [eiser] zijn traditionele moslimkleding. Kortom, de kledingwijze door [eiser] is een omstandigheid die de Gemeente heeft genoemd in haar afwijzingsbrief, maar die kennelijk geen beslissende rol heeft gespeeld bij de beslissing om [eiser] af te wijzen voor de functie. Gelet hierop zal de rechtbank deze omstandigheid verder buiten beschouwing laten.

5.2 onderscheid wegens weigeren handen te schudden

Het geschil van partijen concentreert zich derhalve op de vraag of de Gemeente tot de beslissing heeft mogen komen om [eiser] niet de baan als klantmanager te geven, omdat [eiser] niet bereid is om vrouwen de hand te schudden.

5.2.1 alternatieve begroetingswijze?

De CGB heeft in haar oordeel betrokken dat [eiser] in een later stadium - dat wil zeggen nadat de Gemeente reeds de gewraakte beslissing had genomen - heeft aangegeven bereid te zijn om zowel mannen als vrouwen gelijk te behandelen door deze op een gelijke - alternatieve - wijze te begroeten. De CGB oordeelde dat de Gemeente ten onrechte is voorbijgegaan aan deze passende oplossing. In de onderhavige procedure ligt echter de vraag voor of de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] de functie van klantmanager te weigeren op de gronden als genoemd in de brief van 13 maart 2006. Dit vormt immers de grondslag van de vordering van [eiser]. Zoals de Gemeente terecht aanvoert is voornoemde latere door [eiser] voorgestelde begroetingswijze, wat daar overigens verder van zij, niet relevant bij de beoordeling van de vraag of de Gemeente indertijd op vorenbedoelde gronden haar besluit heeft mogen nemen. Dit aspect zal de rechtbank derhalve bij de beoordeling van het geschil buiten beschouwing laten.

5.2.2 wettelijk kader

Door [eiser] te weigeren voor de functie van klantmanager omdat hij niet bereid is vrouwen de hand te schudden heeft de Gemeente indirect onderscheid gemaakt in de zin van artikel 1 aanhef en sub c Awgb. Immers, de weigering van [eiser] is een gedraging die voortkomt uit zijn geloofsovertuiging.

Artikel 5 lid 1 aanhef en sub a Awgb verbiedt onderscheid bij de aanbieding van een betrekking en de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking en artikel 5 lid 1 aanhef en sub d Awgb verbiedt het maken van onderscheid bij het aanstellen tot ambtenaar. De Gemeente handelt derhalve in strijd met de bepalingen in de Awgb, tenzij het door haar gemaakte (indirecte) onderscheid een rechtvaardiging vindt in een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn (artikel 2 Awgb).

De Gemeente betoogt dat voor het door haar gemaakte indirecte onderscheid een rechtvaardigingsgrond is, te weten dat de Gemeente ervoor heeft te waken dat geen inbreuk wordt gemaakt op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen.

5.2.3 rechtvaardigingsgrond?

Er is in Nederland een groep mensen, zoals orthodoxe moslims, die op grond van religie moeite heeft met het schudden van de hand van personen van het andere geslacht. Dit laat onverlet dat het schudden van de hand in Nederland als een gebruikelijke vorm van begroeting en als beleefdheidsvorm wordt gezien. Het weigeren om een hand te geven kan dan ook als onbeleefd of kwetsend worden ervaren, vooral als die weigering wordt ingegeven doordat de betreffende persoon van het andere geslacht is.

De onderhavige functie van klantmanager houdt in, zo staat onweersproken tussen partijen vast, het namens de Dienst SZW van de Gemeente ontvangen van klanten van de Dienst SZW. In die zin is de klantmanager de contactpersoon van de Dienst SZW naar de burger. De functie van klantmanager omvat derhalve het begroeten van zowel manen als vrouwen met een diverse religieuze achtergrond. Voor de meerderheid, althans een substantieel deel, van deze mensen zal gelden dat zij het schudden van handen, ook van personen van het andere geslacht, als passende begroeting en als beleefdheidsvorm zien.

[eiser] is, althans was ten tijde van de sollicitatieprocedure, niet bereid om vrouwen de hand te schudden. Naar het oordeel van de rechtbank streeft de Gemeente een legitiem doel na om bij de ontvangst van haar klanten geen onderscheid te willen maken tussen mannen en vrouwen.

De Gemeente zou er voor kunnen kiezen om voor te schrijven dat klantmanagers, of een bepaalde klantmanager, zoals [eiser], niemand de hand schudt. Ook op die manier wordt immers het onderscheid tussen mannen en vrouwen voorkomen. Echter, als de Gemeente een dergelijke maatregel zou nemen, zou dat er op neerkomen dat zij niet langer bereid is jegens mannen en vrouwen een in Nederland gebruikelijke begroetings- en beleefdheidsvorm in acht te nemen, omdat de gemeente door die vorm wel in acht te willen blijven nemen indirect onderscheid maakt jegens [eiser]. Het maken van dit indirecte onderscheid is derhalve noodzakelijk, omdat de Gemeente er voor mag kiezen de in Nederland gebruikelijke begroetings- en beleefdheidsvorm jegens alle burgers in acht te nemen.

Dat de Gemeente er van heeft afgezien om [eiser] aan te stellen als klantmanager is naar het oordeel van de rechtbank een passend en noodzakelijk middel om het doel te bereiken bij de ontvangst van haar klanten geen onderscheid te willen maken tussen mannen en vrouwen. Het door de Gemeente gemaakte (indirecte) onderscheid is derhalve objectief gerechtvaardigd. Van onrechtmatig handelen door de Gemeente is geen sprake.

5.3 overige regelgeving

[eiser] heeft aangegeven dat de Gemeente niet alleen heeft gehandeld in strijd met de Awgb, maar tevens in strijd met het bepaalde in artikel 9 EVRM, artikel 18 IVBPR en artikel 6 van de Grondwet.

De Awgb beoogt met het verbod van discriminatie wegens godsdienst uitvoering te geven aan de godsdienstvrijheid als bedoeld in voornoemde (verdrags)bepalingen. De Awgb geeft een specifieke regeling voor - in dit geval - het verbod op onderscheid op grond van godsdienst bij de behandeling van een vervulling van een openstaande betrekking en bij het aanstellen van een ambtenaar. De genoemde (verdrags)bepalingen bieden [eiser] in dit geval geen verdergaande bescherming dan de Awgb. Het beroep hierop door [eiser] faalt derhalve.

5.4

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

6. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van [eiser];

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente bepaald op € 300,- aan vast recht en op € 768,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Mentink.

Uitgesproken in het openbaar.

1581