Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD8732

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
28-07-2008
Zaaknummer
290444 / HA ZA 07-2091
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid Eneco vennootschappen, bewijs geleden schade onbemeten elektriciteitsverbruik

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 290444 / HA ZA 07-2091

Uitspraak: 16 juli 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap

ENECO ENERGIE SERVICES B.V., h.o.d.n. “Eneco Energie”,

in haar hoedanigheid van lasthebber van na te noemen lastgevers te weten

de besloten vennootschap ENECO Energie Retail B.V. en

de besloten vennootschap ENECO NetBeheer B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. T.A. Vermeulen,

advocaat mr. J.A. Trimbach te Hilversum,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat en procureur mr. M. Bonarius.

Partijen worden hierna aangeduid als “Eneco” respectievelijk “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- exploot van dagvaarding van 16 augustus 2007 en de door Eneco overgelegde producties;

conclusie van antwoord, met producties;

tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 7 november 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 24 januari 2008;

de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door Eneco overgelegde producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen -voor zover van belang- het volgende vast:

2.1 [gedaagde] was vanaf enig moment in 1980 tot in elk geval 9 januari 2006 eigenaar van een pand aan de [...]straat te Rotterdam. Dit pand bestond uit een pakhuis en een bovenwoning. Na de aankoop van het pand had [gedaagde] de bovenwoning verhuurd.

2.2 Op grond van een door [gedaagde] gesloten overeenkomst tot levering van energie leverde Eneco Retail B.V. via Eneco NetBeheer B.V. elektriciteit aan het pand.

2.3 Op 9 januari 2006 constateerde Eneco dat het pakhuis gedeeltelijk was ingericht ten behoeve van het kweken van hennep. Bovendien was de elektriciteitsmeter in het pand zodanig gemanipuleerd dat het mogelijk was dat elektriciteit voor deze kwekerij werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd.

2.4 De door Eneco als productie 5 bij conclusie van repliek overgelegde kopie ‘overeenkomst van lastgeving’ tussen haarzelf als lasthebber en Eneco Energie Retail B.V. als lastgever, gedateerd 16 januari 2008, vermeldt dat lastgever op 1 april 2006 aan lasthebber een last heeft verstrekt ten einde vorderingen te incasseren en vermeldt verder een eerder vastgelegde last van 17 januari 2007. Het geschrift vermeldt tevens dat lasthebber van lastgever de last en volmacht aanvaardt om zowel in eigen naam als in naam van lastgever de vorderingen van lastgever te incasseren en als procespartij voor lastgever in rechte op te treden vanaf 1 januari 2008 tot 31 december 2008.

2.5 De door Eneco als productie 6 bij conclusie van repliek overgelegde kopie ‘wijziging en verlenging overeenkomst van lastgeving’ tussen haarzelf als lasthebber en Eneco NetBeheer B.V. als lastgever, gedateerd 31 december 2007, vermeldt dat lastgever en lastnemer met ingang van 1 april 2006 een overeenkomst van lastgeving zijn aangegaan, welke overeenkomst eindigt op 31 december 2007 en dat deze overeenkomst een uitwerking, in- en aanvulling van een eerder verstrekte last en volmacht is. Het geschrift vermeldt tevens dat partijen overeenkomen dat de hiervoor bedoelde overeenkomst van lastgeving wordt verlengd tot 31 december 2008.

3 De vordering

De vordering luidt -verkort weergegeven- om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 7.018,18, te vermeerderen met wettelijke rente over € 6.661,14 vanaf 13 augustus 2007, de proceskosten en nakosten ter hoogte van € 199,- althans € 131,-, beide kostenposten te vermeerderen met wettelijke rente.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Eneco aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Eneco treedt in rechte op als gemachtigde namens Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V.

3.2 [gedaagde] heeft met Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V een overeenkomst gesloten. [gedaagde] heeft wanprestatie gepleegd doordat de elektriciteitsmeter in zijn pand was gemanipuleerd en doordat elektriciteit werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. Op grond van artikel 6:74 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en op grond van een op [gedaagde] rustende zorgplicht is [gedaagde] verplicht de schade die Eneco hierdoor heeft geleden te vergoeden.

3.3 Subsidiair op grond van de Algemene voorwaarden aansluiting en transport Eneco NetBeheer elektriciteit voor huishoudelijke afnemer heeft Eneco recht op vergoeding van deze schade.

3.4 De schade bedraagt € 6.661,14 en bestaat uit niet door de elektriciteitsmeter geregistreerd elektriciteitsverbruik ter waarde van € 5.286,14, gemaakte kosten in de vorm van arbeidsloon van € 465,- en een boete overeenkomstig de toepasselijke algemene voorwaarden van € 910,-. In het totaalbedrag van € 7.018,18 is de boete van € 910,- niet begrepen; de boete wordt feitelijk niet gevorderd.

3.5 Eneco maakt overeenkomstig artikel 6:119 BW aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de hoofdsom van € 6.661,14. [gedaagde] verkeert sedert 2 februari 2006 in verzuim. Over de periode vanaf 9 januari 2006 tot en met 12 augustus 2007 bedraagt deze rente € 499,04.

3.6 Eneco maakt overeenkomstig artikel 6:96 lid 2 sub c BW aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 768,-. Eneco heeft haar vordering ter incasso in handen van Vesting Finance Incasso B.V. te Naarden gesteld. De kosten zijn gematigd tot twee punten van het liquidatietarief en betreffen andere werkzaamheden dan die waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) een vergoeding plegen in te sluiten. Deze vordering bestaat enerzijds uit kosten, gemaakt om te trachten de vordering op de door [gedaagde] gestelde huurder te verhalen, en anderzijds uit kosten van het meermalen sommeren van [gedaagde] zelf.

3.7 De nakosten bedragen € 199,- in geval van betekening van het vonnis en € 131,- zonder betekening van het vonnis. Over de proceskosten en de nakosten is wettelijke rente verschuldigd indien deze na 14 dagen na aanmaning daartoe niet door [gedaagde] zijn voldaan.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van Eneco, tot nietigverklaring van de bedingen in de Algemene Voorwaarden aansluiting en transport Eneco NetBeheer elektriciteit 2005 voor huishoudelijke afnemers, tot ontzegging van de vordering aan Eneco, en tot veroordeling van Eneco in de proceskosten.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Eneco is geen lasthebber van Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V. en Eneco is niet gemachtigd om namens deze vennootschappen in rechte op te treden. Als Eneco wel lasthebber van Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V. zou zijn en gemachtigd zou zijn om in rechte op te treden, betekent dit niet dat Eneco een zelfstandig vorderingsrecht heeft.

4.2 [gedaagde] heeft geen wanprestatie gepleegd.

[gedaagde] heeft geen overeenkomst gesloten met Eneco, zodat zij niet kan tekortschieten in de nakoming van een verbintenis jegens Eneco.

Het buiten de meter om afnemen van elektriciteit is geen verbintenis die uit een overeenkomst voortvloeit. [gedaagde] heeft aan zijn zorgplicht ten aanzien van de elektriciteitsvoorziening voldaan aangezien hij het pakhuis regelmatig, laatstelijk net voor de kerst in 2005, heeft bezocht en geen onregelmatigheden heeft vastgesteld.

Eneco heeft geen schade geleden. Op 9 januari 2006 werd er in het pakhuis geen hennepkwekerij geëxploiteerd.

[gedaagde] betwist dat Eneco kosten tot een bedrag van € 456,- heeft gemaakt en dat zij tot vergoeding van de kosten van Eneco is gehouden.

[gedaagde] roept de vernietiging in van het boetebeding in de Algemene Voorwaarden 2005 van Eneco.

[gedaagde] heeft het pakhuis met ingang van 1 november 2005 voor een jaar verhuurd. Als er buiten de meter om elektriciteit zou zijn afgenomen is dit gedaan door of in opdracht van de huurder en kan dit [gedaagde] niet worden toegerekend.

4.3 [gedaagde] roept de vernietiging in van de bedingen in de algemene voorwaarden waarop Eneco de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor door Eneco geleden schade grondt. Aan [gedaagde] zijn geen Algemene Voorwaarden (2005) ter hand gesteld en hem is geen redelijke mogelijkheid geboden om van deze algemene voorwaarden kennis te nemen.

4.4 Eneco heeft [gedaagde] niet in gebreke gesteld en geen renten aangezegd. [gedaagde] is geen rente over de periode van 9 januari 2006 tot 12 augustus 2007 aan Eneco verschuldigd.

4.5 [gedaagde] is geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd. De werkzaamheden die Vesting Finance Incasso B.V. heeft verricht zijn geen buitengerechtelijke werkzaamheden maar betreffen uitsluitend werkzaamheden ter instructie van de onderhavige procedure. De kosten van de procedure tegen de door [gedaagde] gestelde huurder dienen in die procedure te worden geliquideerd en kunnen niet ten laste van [gedaagde] worden gebracht.

5 De beoordeling

5.1 ontvankelijkheid

Ter beoordeling ligt allereerst voor de vraag of Eneco in de vordering kan worden ontvangen.

Eneco heeft gesteld in rechte op te treden als gemachtigde van Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V. In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] bij gebrek aan wetenschap betwist dat Eneco lasthebber is van beide genoemde vennootschappen en ook dat Eneco gemachtigd is namens beide vennootschappen op te treden. Ter zitting is dit geschilpunt aan de orde gekomen, bij welke gelegenheid [gedaagde] heeft gepersisteerd bij zijn betwisting.

De rechtbank stelt voorop dat lastgeving de overeenkomst van opdracht is, waarbij de ene partij, de lasthebber, zich jegens de andere partij, de lastgever, verbindt voor rekening van de lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten. De overeenkomst kan de lasthebber verplichten te handelen in eigen naam; zij kan hem ook verplichten te handelen in naam van de lastgever (artikel 7:414 BW). Een vertegenwoordigingsbevoegdheid kan voortvloeien uit een volmacht. Volmacht wordt in art. 3:60 lid 1 BW omschreven als: de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten.

Uit het feit dat Eneco de vordering heeft ingesteld in haar hoedanigheid van lasthebber van Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V, uit het verhandelde ter comparitie en uit de bij de conclusie van repliek behorende producties leidt de rechtbank af dat er in casu sprake zou kunnen zijn van lastgeving waarbij de lasthebber rechtshandelingen verricht in eigen naam. Dat Eneco zich in haar dagvaarding heeft bediend van het woord ‘gemachtigd’ doet hier niet aan af.

De subsidiaire stelling van [gedaagde] dat, ook al zou er een overeenkomst van lastgeving of een machtiging om in rechte op te treden zijn, dit niet betekent dat Eneco een zelfstandig vorderingsrecht heeft, stuit overigens reeds af op het feit dat Eneco niet heeft gesteld een zelfstandig vorderingsrecht te hebben, doch juist het vorderingsrecht van haar lastgevers uitoefent.

Eneco Energie Retail B.V.

[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek gepersisteerd bij zijn standpunt dat Eneco niet bevoegd is in eigen naam voor Eneco Energie Retail B.V. op te treden. Dit standpunt heeft [gedaagde]

onderbouwd door erop te wijzen dat de hiervoor onder 2.4 genoemde overeenkomst van lastgeving is aangegaan voor een periode vanaf 1 januari 2008 en dat de inleidende dagvaarding dateert van 16 augustus 2007 en door te stellen dat uit het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2004, NJ 2005, 41 blijkt dat de overeenkomst van lastgeving dient te worden gesloten vóór het instellen van de vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is Eneco, nu de overeenkomst van lastgeving is aangegaan voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008, in elk geval ook nu bevoegd betaling van de onderhavige vorderingen aan zichzelf te vorderen. Het door [gedaagde] genoemde arrest van de Hoge Raad noopt de rechtbank niet tot een ander oordeel, nu de rechtbank niet vermag in te zien uit welke rechtsoverweging van dat arrest moet worden geconcludeerd dat de overeenkomst van lastgeving dient te worden gesloten vóór het instellen van de vordering. Hetgeen verder door [gedaagde] ten verwere is aangevoerd brengt de rechtbank evenmin tot een andere beslissing, zodat Eneco bevoegd moet worden geacht de onderhavige vordering in te dienen en dus ontvankelijk is.

Eneco NetBeheer B.V.

[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek eveneens gepersisteerd bij zijn standpunt dat Eneco niet bevoegd is vorderingen van Eneco NetBeheer B.V. te incasseren. Dit standpunt heeft [gedaagde] onderbouwd door te stellen dat uit de hiervoor onder 2.5 genoemde wijziging en verlenging overeenkomst van lastgeving niet blijkt dat Eneco bevoegd is op eigen naam vorderingen voor Eneco NetBeheer B.V. te incasseren.

Uit sub c. van deze overeenkomst blijkt dat ONS NetBeheer B.V. op 14 juni 2007 aan Eneco een volmacht heeft verstrekt ten einde vorderingen van ONS NetBeheer B.V. te incasseren en uit artikel 1.1 volgt dat ONS NetBeheer B.V. met ingang van 1 juni 2007 toetreedt tot de reeds gesloten overeenkomst van lastgeving tussen Eneco NetBeheer B.V. en Eneco. In tegenstelling tot [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat hieruit kan worden afgeleid dat de verlengde overeenkomst van lastgeving een last en volmacht aan Eneco ten einde het incasseren van vorderingen van Eneco NetBeheer B.V. betreft, zodat Eneco bevoegd moet worden geacht de onderhavige vordering in te dienen en dus ontvankelijk is.

5.2 wanprestatie

Eneco heeft haar vordering tot schadevergoeding primair gegrond op wanprestatie, ofwel een toerekenbare tekortkoming door [gedaagde] in de nakoming van een verbintenis met Eneco, waardoor [gedaagde] op grond van artikel 6:74 lid 1 BW schadeplichtig zou zijn jegens Eneco.

5.2.1 verbintenis

Voor toewijzing van de vordering op deze grond is allereerst vereist dat komt vast te staan dat er sprake is van een verbintenis van [gedaagde] jegens Eneco. Ter beoordeling ligt derhalve eerst voor de vraag of [gedaagde] met Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V. een overeenkomst tot levering van energie heeft gesloten, hetgeen door Eneco is gesteld en door [gedaagde] is betwist.

Eneco heeft in haar dagvaarding onbetwist gesteld dat Eneco Energie Retail B.V. de leverancier van elektriciteit is, welke elektriciteit via Eneco NetBeheer B.V. wordt getransporteerd. Eneco heeft bovendien gesteld dat Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V. op grond van een met [gedaagde] gesloten overeenkomst tot levering van energie energie leverden aan het pand van [gedaagde]. [gedaagde] heeft erkend dat er een contract voor de elektriciteitsaansluiting op zijn naam staat, dat er energie wordt geleverd door Eneco en gesteld dat hij Eneco hiervoor altijd heeft betaald. Gelet hierop had het, naar het oordeel van de rechtbank, op de weg van [gedaagde] gelegen haar betwisting dat hij deze overeenkomst met Eneco Energie Retail B.V. en Eneco Nebeheer B.V. heeft gesloten nader te onderbouwen. Nu [gedaagde] dit niet heeft gedaan en evenmin heeft gesteld met welke energieleverancier hij dan wel de overeenkomst heeft gesloten, wordt zijn verweer, als onvoldoende gemotiveerd, verworpen en wordt als vaststaand aangenomen dat Eneco Energie Retail B.V. en Eneco NetBeheer B.V. op grond van een met [gedaagde] gesloten overeenkomst tot levering van energie, energie leverden aan het pand van [gedaagde]. Uit het voorgaande volgt dat op grond van de gesloten overeenkomst over en weer verbintenissen zijn ontstaan.

5.2.2 toerekenbare tekortkoming

Ter beoordeling ligt vervolgens voor de vraag of [gedaagde] toerekenbaar is tekortgekomen in de nakoming van een verbintenis jegens Eneco.

Eneco heeft gesteld dat de tekortkoming in de nakoming erin bestaat dat de elektriciteitsmeter in het pand van [gedaagde] was gemanipuleerd en dat ten behoeve van de aanwezige hennepkwekerij elektriciteit werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd.

elektriciteitsmeter

Als eigenaar van het pand en contractuele wederpartij van Eneco was [gedaagde] jegens Eneco verplicht de elektriciteitsmeter op legale wijze te (laten) gebruiken en te beschermen tegen manipulatie. Als zodanig rustte op [gedaagde] een zorgplicht. Dat [gedaagde] niet heeft voorkomen dat, zoals hiervoor onder 2.3 is overwogen, de elektriciteitsmeter in het pand van [gedaagde] zodanig was gemanipuleerd dat het mogelijk was dat elektriciteit werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd levert een tekortkoming in de nakoming van deze zorgplicht op. Ook indien -zoals door [gedaagde] gesteld maar door Eneco betwist- een huurder gebruik maakte van het pakhuis, had [gedaagde] voor legaal gebruik en bescherming tegen manipulatie in te staan jegens Eneco.

Deze tekortkoming kan [gedaagde] worden toegerekend, nu deze krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Dat [gedaagde], zoals hij stelt, het pakhuis en de bovenwoning verhuurde en nog net voor kerst in 2005 geen onregelmatigheden in het pakhuis heeft geconstateerd, doet er niet aan af dat schade, ontstaan ten gevolge van de gemanipuleerde elektriciteitsmeter, voor zijn rekening en risico moet komen.

elektriciteitsverbruik

Haar stelling dat de aanwezige hennepkwekerij van ongeregistreerde elektriciteit werd voorzien heeft Eneco onderbouwd met de stelling dat het geregistreerde elektriciteitsverbruik normaal genoemd kan worden en niet overeenkomt met het elektriciteitsverbruik dat voor hennepplantages gebruikelijk is. Voor haar stelling dat de aanwezige hennepkwekerij van ongeregistreerde elektriciteit werd voorzien heeft Eneco daarnaast verwezen naar de als productie 1 bij de dagvaarding gevoegde ‘rapportage diefstal energie’ met als bijlage 29 foto’s van de aangetroffen situatie, welke foto’s ter gelegenheid van de comparitie van partijen in kleur zijn overgelegd.

De stelling dat de aanwezige hennepkwekerij van onbemeten elektriciteit werd voorzien is door [gedaagde] gemotiveerd betwist. Het pakhuis was weliswaar gedeeltelijk ingericht ten behoeve van het kweken van hennep maar deze kwekerij, aldus [gedaagde], was nog niet operationeel en er werd dus nog geen elektriciteit afgenomen om te kweken.

Voor haar stelling heeft Eneco de hierboven vermelde ‘rapportage diefstal energie’ als bewijs aangedragen. Hierin staat -onder meer- dat de kappen van de in de hennepkwekerij aanwezige assimilatielampen onder een dikke laag stof zaten, wat erop duidt dat deze al langere tijd aanwezig waren en dat de aanwezige koolstoffilters dermate waren vervuild dat deze filters bij minimaal één à twee oogsten in werking moeten zijn geweest. Ook staat er dat onder de kettingen waarmee deze filters waren opgehangen geen vervuiling werd aangetroffen, waaruit blijkt dat de vervuiling ter plaatse is ontstaan. Verder staat er dat er op het zeil op de vloer kalkaanslag aanwezig was, wat ook er ook op duidt dat de hennepkwekerij langere tijd in bedrijf was, en dat er een grote hoeveelheid potten stond, gevuld met restkluiten met afgeknipte steel en wortel van hennepplanten. Op grond van het bovenstaande wordt in het rapport geconcludeerd dat de hennepkwekerij al geruime tijd in het pand aanwezig was.

Met de hierboven vermelde ‘rapportage diefstal energie’ en de overgelegde foto’s is naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog niet bewezen dat er in het pand van [gedaagde] elektriciteit werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. In de eerste plaats is deze rapportage een schriftelijke verklaring van een medewerker van Eneco zelf, die door [gedaagde] wordt betwist, waardoor de rechtbank hieraan minder waarde toekent dan aan een verklaring van een onafhankelijke deskundige of getuige. In de tweede plaats wordt in die rapportage weliswaar vermeld welke apparatuur in de kwekerij aanwezig was, maar niet dat deze apparatuur ook daadwerkelijk in gebruik was. De overige bevindingen in het rapport leveren naar het oordeel van de rechtbank geen afdoende bewijs voor de stelling dat deze apparatuur in deze ruimte in werking is geweest met gebruikmaking van buiten de meter om afgenomen elektriciteit. Hetzelfde geldt voor de foto’s nu hierop geen in werking zijnde hennepkwekerij is waar te nemen. Aangezien Eneco de bewijslast van haar stellingen draagt en op dit punt een concreet bewijsaanbod heeft gedaan wordt zij tot de nadere bewijsvoering toegelaten.

Voor het geval dat Eneco in dit bewijs slaagt overweegt de rechtbank reeds als volgt. Aangezien [gedaagde] in dat geval niet heeft voorkomen dat elektriciteit werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd levert dit een hem toerekenbare tekortkoming in de nakoming van zijn zorgplicht jegens Eneco op, die tot gevolg heeft dat de schade die Eneco daardoor heeft geleden voor rekening van [gedaagde] moet komen. De stelling van [gedaagde] dat het buiten de meter om afnemen van elektriciteit geen verbintenis uit overeenkomst is stuit, voor zover hiermee is bedoeld dat het niet buiten de meter om afnemen van elektriciteit geen verbintenis is, af op het voorgaande.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de aanwezigheid dan wel afwezigheid in de stukken van een bij de politie ingediende ondertekende aangifte de rechtbank niet tot een andere beslissing zou hebben gebracht. Uit de hierboven genoemde rapportage, waarnaar Eneco heeft verwezen ter onderbouwing van haar stelling dat zij aangifte heeft gedaan volgt immers, zoals hierboven reeds overwogen, niet onomstotelijk dat er in het pand van [gedaagde] elektriciteit werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd.

5.2.3 schade

Ter beoordeling ligt ten slotte voor de vraag welke schade [gedaagde] aan Eneco dient te vergoeden.

elektriciteitsverbruik

Voor het geval dat Eneco slaagt in het hiervoor onder 5.2.2 vermelde bewijs, overweegt de rechtbank dat haar vordering tot vergoeding van schade ten gevolge van niet door de elektriciteitsmeter geregistreerd elektriciteitsverbruik ter waarde van € 5.286,14 voor toewijzing in aanmerking komt. Eneco heeft de berekening van het niet door de elektriciteitsmeter geregistreerd elektriciteitsgebruik gebaseerd op één hennepkweek. Dat de op 9 januari 2006 in het pand aangetroffen apparatuur -zoals door Eneco gesteld en aan haar schadeberekening ten grondslag gelegd- de door Eneco gestelde hoeveelheid elektriciteit verbruikt staat -als door [gedaagde] niet betwist- vast. Hetzelfde geldt voor de stelling van Eneco dat een hennepkweek gemiddeld zeventig dagen duurt. De enkele stelling van [gedaagde] dat zich in december 2005 in het pand geen hennepkwekerij bevond levert hiertegenover geen voldoende gemotiveerde betwisting op.

Voor het geval dat Eneco in het bewijs niet slaagt, overweegt de rechtbank evenwel dat dit deel van haar vordering voor afwijzing in aanmerking komt.

arbeidskosten

Buiten de schadevergoeding, gevorderd in de vorm van niet door de elektriciteitsmeter geregistreerd elektriciteitsverbruikt, heeft Eneco vergoeding van arbeidsloon ter hoogte van € 465,- gevorderd. Dat Eneco kosten heeft moeten maken in de vorm van betaald arbeidsloon is door [gedaagde] enkel betwist. Deze betwisting is -ook na onderbouwing van haar stelling door Eneco- niet nader onderbouwd en wordt daarom verworpen.

Ten aanzien van de hoogte van het arbeidsloon overweegt de rechtbank als volgt. Uit de als productie 2 bij de dagvaarding overgelegde verzamelnota blijkt dat het arbeidsloon betrekking heeft op werkuren van fraudemedewerkers bij Eneco. In haar conclusie van repliek heeft Eneco verduidelijkt dat deze kosten zijn gemaakt ter zake van de ontmanteling van de hennepkwekerij, het verhelpen van de gevaarzetting alsmede de administratieve afhandeling.

In tegenstelling tot [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] tot vergoeding van deze kosten van Eneco is gehouden. Voor de kosten, die zijn gemaakt in verband met het feit dat de elektriciteitsmeter was gemanipuleerd volgt dit reeds uit het hiervoor onder 5.2.2 (elektriciteitsmeter) overwogene. Voor de overige kosten volgt dit naar het oordeel van de rechtbank -ook indien Eneco niet slaagt in het hiervoor onder 5.2.2 vermelde bewijs- uit het door artikel 6:74 BW vereiste en hier aanwezige causaal verband tussen de in het pand aanwezige hennepkwekerij en de ten behoeve daarvan gemanipuleerde elektriciteitsmeter.

boete

De rechtbank zal zich onthouden van het nemen van een beslissing over de door Eneco gestelde schade in de vorm van een boete van € 910,-, nu deze boete niet door Eneco wordt gevorderd.

5.3 algemene voorwaarden

Gelet op de hiervoor vastgestelde schending van de zorgplicht, welke [gedaagde], als contractuele wederpartij van Eneco en als eigenaar van het pand waaraan door Eneco energie werd geleverd, jegens Eneco in acht had te nemen, behoeft de vraag of de door Eneco gehanteerde algemene voorwaarden al dan niet van toepassing zijn in de relatie tussen Eneco en [gedaagde], geen beantwoording en is [gedaagde] gehouden de schade die Eneco door zijn tekortkoming heeft geleden te vergoeden zoals hiervoor onder 5.2 is overwogen.

5.4 wettelijke rente over hoofdsom

Eneco heeft aanspraak gemaakt op wettelijke rente over de hoofdsom. Tegen deze vordering heeft [gedaagde] zich verweerd door -onder meer- te stellen dat hij niet in gebreke is gesteld.

Ingevolge artikel 6:119 BW is wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat een schuldenaar in verzuim is geweest. Verzuim treedt in beginsel, overeenkomstig artikel 6:82 lid 1 BW, in wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld. Een uitzonderingssituatie doet zich hier niet voor. Eneco heeft gesteld [gedaagde] in gebreke te hebben gesteld bij brief van

18 januari 2006.

[gedaagde] heeft niet gesteld dat hij deze brief niet heeft ontvangen en heeft ter comparitie van partijen aangegeven van de brief op de hoogte te zijn. Bij die gelegenheid heeft [gedaagde] het verweer gevoerd dat deze brief geen ingebrekestelling van Eneco is omdat deze afkomstig is van Eneco NetBeheer B.V.. [gedaagde] heeft niet gesteld -en ook anderszins is niet gebleken- dat Eneco, als lasthebber, het haar op grond van lastgeving toekomende recht met uitsluiting van Eneco NetBeheer B.V., als lastgever, zou uitoefenen. Dat een ingebrekestelling afkomstig moet zijn van Eneco is daarom een verweer dat, zonder nadere onderbouwing, welke ontbreekt, feitelijke grondslag mist.

De brief van 18 januari 2006, als productie 4 bij de dagvaarding gevoegd, vermeldt dat [gedaagde] kosten ter hoogte van € 6.661,14 verschuldigd is. Deze brief vermeldt echter ook het verzoek deze kosten evenals kosten van het geregistreerde energieverbruik te voldoen binnen veertien dagen na ontvangst van nota(’s). Nu gesteld noch gebleken is of en wanneer deze nota(’s) door [gedaagde] is (of zijn) ontvangen, staat vooralsnog niet vast dat [gedaagde] in verzuim verkeert en vanaf welk moment. Eneco draagt de bewijslast van haar stelling en zal worden toegelaten te bewijzen dat [gedaagde] de in de brief van 18 januari 2006 genoemde nota(‘s) heeft ontvangen.

Voor het geval Eneco in dit bewijs niet slaagt moet de gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom worden afgewezen.

Voor het geval Eneco in dit bewijs slaagt, overweegt de rechtbank dat in dat geval vanaf het verzuim de wettelijke rente over de door Eneco geleden schade in de vorm van niet geregistreerd elektriciteitsverbruik en in de vorm van arbeidsloon toewijsbaar is, doch de gevorderde wettelijke rente over de niet gevorderde boete van € 910,- moet worden afgewezen.

5.5 buitengerechtelijke incassokosten

[gedaagde] heeft betwist vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn.

Met [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat vergoeding van redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte in deze procedure alleen mogelijk is voor zover deze betreffen het verkrijgen van voldoening van [gedaagde]. Kosten, gemaakt om te trachten de vordering op een ander dan [gedaagde] te verhalen, komen in deze procedure daarom niet in aanmerking voor vergoeding als buitengerechtelijke incassokosten.

Na [gedaagde]s betwisting van de stelling van Eneco terzake van buitengerechtelijke incassokosten heeft Eneco in haar conclusie van dupliek gesteld dat zij [gedaagde] meermalen heeft gesommeerd. Eneco heeft deze stelling niet onderbouwd met schriftelijke bescheiden. Zelfs echter indien deze stelling zou komen vast te staan, zou dit naar het oordeel van de rechtbank niet nopen tot de conclusie dat de vordering, betrekking hebbende op kosten gemaakt om de vordering op [gedaagde] te verhalen, toewijsbaar is. De rechtbank hanteert immers het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen als zij betrekking hebben op meer dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. ‘Meermalen sommeren’ is daarom onvoldoende.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten moet dan ook volledig worden afgewezen.

5.6 De rechtbank houdt, in afwachting van de bewijslevering, elke verdere beslissing aan.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

laat Eneco toe in het bewijs van haar stellingen:

dat in het pand van [gedaagde] elektriciteit werd verbruikt zonder dat dit door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd;

dat [gedaagde] de in de brief van 18 januari 2006 genoemde nota(‘s) heeft ontvangen;

bepaalt dat indien Eneco dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. L.J. Sarlemijn;

bepaalt dat de procureur van Eneco binnen twee weken na vonnisdatum aan de rechtbank

-sector civiel recht, afdeling planningsadministratie, kamer E 12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam- opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan haar zijde in de maanden juli, augustus, september en oktober 2008 en dat de procureur van [gedaagde] binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Sarlemijn.

Uitgesproken in het openbaar.

1967/1624