Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD8494

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-07-2008
Datum publicatie
24-07-2008
Zaaknummer
10/750101-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Cold case zaak. Moord uit 1990. Belastende verklaring van een getuige bruikbaar voor het bewijs, nu deze wordt ondersteund door ander bewijs.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar en acht maanden. Aftrek wegens artikel 63 Wetboek van Strafrecht en wegens zoekraken dossier in trein.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 289
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummer: 10/750101-05

Datum uitspraak: 24 juli 2008

Tegenspraak

Vonnis

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1966 te [geboorteplaats] (Pakistan),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[straat, postcode, plaats],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen [naam inrichting],

raadsman mr. J.C. Spigt, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2008 en 10 juli 2008.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

Het tenlastegelegde komt er op neer dat de verdachte ergens in de periode van 30 oktober 1990 tot en met 14 december 1990 te Rotterdam [slachtoffer] heeft vermoord, althans haar van het leven heeft beroofd waarbij hij bij haar een trouwring heeft weggenomen.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. W. de Boer heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank constateert dat in de tenlastelegging tussen de tenlastegelegde moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht) en de tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag (artikel 288 Wetboek van Strafrecht) de woorden “en/of/althans” staan vermeld. Deze vermelding heeft tot gevolg dat deze strafbare feiten zowel cumulatief als primair-subsidiair tenlaste zijn gelegd.

In haar requisitoir heeft de officier van justitie aangegeven dat zij het primaire feit wettig en overtuigend bewezen acht. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de officier van justitie de strafbare feiten als primair-subsidiair ten laste gelegd beschouwt en niet als cumulatieve feiten.

BEWIJSMOTIVERING EN BEWEZENVERKLARING

Doodsoorzaak, tijdstip en plaats van overlijden.

Het slachtoffer heeft op 30 oktober 1990 omstreeks 16.30 uur haar ouderlijk huis verlaten om een videofilm te halen waarna niets meer van haar is vernomen. Zij liet haar twee jonge kinderen achter en haar familie verwachtte haar binnen een half uur terug. Diezelfde dag heeft de vader van het slachtoffer aangifte van vermissing gedaan. Zes weken na haar vermissing, op 14 december 1990, is haar lichaam aangetroffen. Het lichaam is aangetroffen in de tuin van een pand aan de Lange Hilleweg nummer 135b te Rotterdam. Dit pand stond in een straat waar meerdere woningen leeg stonden en gesloopt zouden worden.

Het lichaam lag tegen een heg en was afgedekt door twee houten platen, enkele stenen, enkele (verbrande) kranten en een doos huishoudelijk afval. Het lichaam verkeerde in een zeer vergevorderde staat van ontbinding.

Uit het sectierapport blijkt dat er geen ziekelijke orgaanafwijkingen zijn gevonden en dat een anatomische doodsoorzaak niet aanwijsbaar was. Er was een vage aanduiding van een mogelijk snoerspoor links in de hals. De staat van ontbinding kan passen bij een overlijden zes weken voor het aantreffen van het lichaam.

Door de getuige-deskundige E.A.J. van Dijk, tandarts en forensisch odontoloog, is verklaard dat op de lipzijde van de onderkaak van het slachtoffer drie botbeschadigingen zichtbaar zijn, die anatomisch niet verklaarbaar zijn. Op een foto van het hoofd van het slachtoffer is te zien dat de drie ondertanden ontbreken. De forensisch odontoloog heeft verklaard dat de drie botbeschadigingen kunnen zijn ontstaan door het slaan met een hard voorwerp in het gezicht van het slachtoffer. De beschadigingen moeten veroorzaakt zijn bij leven van het slachtoffer, gelet op de verkleuringen op de kaak. De vader van [slachtoffer] heeft verklaard dat zij een gaaf gebit had waaruit geen tanden ontbraken. Gelet op de wijze waarop het slachtoffer is aangetroffen, in de tuin van een afbraakpand, bedekt onder planken en afval, het mogelijke snoerspoor om de hals dat zichtbaar was, de botbeschadigingen aan de onderkaak en het feit dat er geen ziekelijke orgaanafwijkingen zijn geconstateerd neemt de rechtbank aan dat het slachtoffer geen natuurlijke dood is gestorven maar door verwurging en het met kracht slaan met een voorwerp om het leven is gekomen.

Voor wat betreft de plaats van overlijden overweegt de rechtbank het volgende.

Er zijn geen – forensische en/of technische – aanwijzingen op grond waarvan uitgesloten zou moeten worden dat het slachtoffer om het leven is gebracht op de plek waar zij is aangetroffen. Gelet op het verstrijken van zes weken alvorens het lichaam werd gevonden, bevreemdt het de rechtbank niet dat er op deze plaats geen sporen van het om het leven brengen (meer) zijn gevonden. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 30 oktober 1990 gegil hoorde uit een tuintje van een hoekhuis aan de Lange Hilleweg welke huis stond op de kruising van de Lange Hilleweg en een andere straat. Zij hoorde een vrouw schreeuwen “Anne, Anne, au, au, niet doen”. Zij zag de bosjes bewegen van de tuin waaruit het geschreeuw kwam. De getuige [getuige 1] verklaart verder dat in dat tuintje later een persoon is aangetroffen en dat ze daar toen veel politie zag. De woning waar het slachtoffer is gevonden betreft een hoekhuis op de kruising van de Lange Hilleweg en de Zwanebloemstraat. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het geschreeuw dat getuige [getuige 1] heeft gehoord afkomstig is geweest uit de tuin van de woning aan de Lange Hilleweg 135b.

Gelet op de staat van ontbinding van het lichaam, de bevindingen van de patholoog-anatoom en de verklaring van getuige [getuige 1] in samenhang bezien met het gegeven dat het slachtoffer op 30 oktober 1990 met achterlating van haar jonge kinderen slechts kort weg zou zijn, gaat de rechtbank er vanuit dat zij op 30 oktober 1990 te Rotterdam om het leven is gebracht.

Dat betekent dat het verweer van de raadsman, dat niet vast is komen te staan waaraan, wanneer en waar het slachtoffer is overleden en dat zij door een misdrijf om het leven is gekomen, niet opgaat.

Verweer betreffende de getuigenverklaringen

De raadsman heeft voorts betoogd dat geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden is dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Hiertoe heeft de raadsman voor zover van belang het volgende aangevoerd:

- De verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] zijn niet betrouwbaar, bevatten innerlijke tegenstrijdigheden en zij hebben beiden een persoonlijk belang om de verdachte zo lang mogelijk achter slot en grendel te laten. Daarnaast heeft [getuige 3] verklaard door de politie onder druk te zijn gezet om te verklaren;

- De verklaringen die [getuige 4] bij de politie heeft afgelegd zijn gebaseerd op de veronderstelling dat [getuige 2] de waarheid had gezegd tegen haar. Achteraf is [getuige 4] gebleken dat [getuige 2] niet de waarheid sprak zodat alleen aan haar verklaring bij de rechter-commissaris waarde kan worden gehecht;

- De verklaring van[getuige 5] is niet betrouwbaar omdat hij verklaart dat het slachtoffer door messteken om het leven is gebracht;

- Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar mogelijke andere daders, kortom, bij politie en justitie was sprake van tunnelvisie.

De betrouwbaarheid van getuige [getuige 2].

In 1990 is [getuige 2] door de politie gehoord. Zij heeft toen niets verklaard over de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [slachtoffer].

Op 13, 14, en 15 oktober 2006 en op 19 juni 2007 is zij wederom door de politie als getuige gehoord over de gebeurtenissen rondom het overlijden van [slachtoffer]. Deze nieuwe getuigenverklaringen van [getuige 2] leveren naar het oordeel van de rechtbank nieuwe bezwaren op in de zin van artikel 255 van het Wetboek van Strafvordering.

De getuige [getuige 2] heeft tegenover de politie – zakelijk weergegeven – verklaard dat in de periode dat [slachtoffer] om het leven is gekomen zij zich op een avond in de woning aan de Oleanderstraat te Rotterdam bevond, alwaar zij met de verdachte bij zijn familie woonde. Het was vroeg in de avond, zij had nog niet gegeten, en zij wachtte op de thuiskomst van de verdachte samen met de zus van verdachte, [naam 1]. Toen de verdachte binnenkwam zaten zijn kleding en handen onder het bloed. Hij zei dat hij [slachtoffer] had vermoord. [naam 2], de broer van de verdachte, en [naam 3], de man van [naam 1] kwamen ook naar de woning. [naam 2] heeft de bebloede kleding van de verdachte opgeruimd. Door de familie van de verdachte is gezegd dat zij niet over de zaak mocht praten. Ongeveer een maand later heeft [getuige 2] van [naam 1] gehoord dat de verdachte [slachtoffer] met een steen in het gezicht heeft geslagen of gegooid en dat hij een panty om haar nek heeft gedaan.

Op 22 mei 2008 heeft de getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd die in essentie overeenkomt met haar verklaringen bij de politie.

De verschillende verklaringen van [getuige 2] zijn weliswaar niet identiek maar de rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van dusdanige tegenstrijdigheden dat de verklaringen reeds, zoals door de raadsman is betoogd, om die reden niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Zo heeft de raadsman er ondermeer de nadruk op gelegd dat [getuige 2] in 1991 en in 2007 tegenstrijdig verklaart over de kleding die de verdachte zou hebben gedragen, toen hij onder het bloed thuiskwam. Deze tegenstrijdigheid bevreemdt de rechtbank niet. In 1991 had de getuige er belang bij om juist níet te verklaren over de bebloede kleding van de verdachte die was weggegooid.

De vraag is of de verklaringen in voldoende mate worden ondersteund.

In het dossier bevinden zich drie getuigenverklaringen van personen die verklaren van [getuige 2] over de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [slachtoffer] te hebben gehoord, zogeheten de auditu verklaringen.

De getuige[getuige 5], een broer van [getuige 2], heeft zowel tegenover de politie als tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij van zijn zus had gehoord dat verdachte zijn eerste vrouw (te weten [slachtoffer]) heeft vermoord. Hij heeft dat in 1991, 1992 of 1993 van [getuige 2] gehoord. [getuige 2] zou hebben gezegd dat het slachtoffer weg wilde rennen, dat zij is vastgehouden door de vader van de verdachte en toen door de verdachte in de rug met een mes is gestoken en met een steen in haar gezicht is geslagen.

Ook de getuige [getuige 4] heeft tegenover de politie verklaard van [getuige 2] te hebben vernomen dat de verdachte met bebloede kleding thuisgekomen was en tegen [getuige 2] heeft gezegd dat hij, de verdachte, “die vrouw” vermoord had. [getuige 4] heeft weliswaar bij de rechter-commissaris aangegeven dat zij meent dat [getuige 2] niet de waarheid heeft gesproken maar zij blijft bij haar verklaring dat [getuige 2] het aan haar heeft verteld. Hierbij vindt de rechtbank het van belang op te merken dat [getuige 4] een paar maanden vóór de verklaring bij de rechter-commissaris op bezoek is bij de verdachte. De verdachte zegt dan tegen haar dat zij bij de rechtbank moet zeggen dat [getuige 2] haar heeft gezegd dat verdachte het niet heeft gedaan, maar hem wilde vastzetten. Bij de rechter-commissaris verklaart [getuige 4] daadwerkelijk dat [getuige 2] haar heeft verteld dat ze het hele verhaal over de moord had verzonnen. Dit deel van de verklaring acht de rechtbank onder deze omstandigheden ongeloofwaardig.

Tot slot heeft getuige [getuige 3] (schoonzus van de verdachte) verklaard dat [getuige 2] haar heeft verteld dat de verdachte onder het bloed thuis kwam en dat zij aan haar vertelde dat hij het meisje had vermoord.

Zowel de verklaring van getuige[getuige 5]als van de getuige [getuige 4] en voornoemd onderdeel van de verklaring van getuige [getuige 3] kunnen niet als zelfstandige bewijsmiddelen dienen nu de bron van hun wetenschap over de betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [slachtoffer] afkomstig is van [getuige 2]. De rechtbank weegt ze echter wel mee in haar oordeel over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 2]. De rechtbank acht die verklaring geloofwaardig en betrouwbaar gelet op de inhoud van de verschillende verklaringen van [getuige 2] en het feit dat zij haar wetenschap tegen derden heeft verteld. In essentie zijn die verklaringen eensluidend, zij het dat getuige[getuige 5] verklaart over een mes. De rechtbank wijt dat aan het tijdsverloop waardoor de herinnering van deze getuige mogelijk is bemoeilijkt, of mogelijk is vermengd met roddels over de gebeurtenissen.

Dat de getuige een mogelijk persoonlijk belang heeft om tegen de verdachte te verklaren doet naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen afbreuk aan de betrouwbaarheid. Ook het feit dat [getuige 2] al ver vóór 2005 aan haar broer heeft verteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft vermoord, spreekt een later ingezette wraakactie tegen.

De rechtbank gebruikt de verklaringen van [getuige 2] dan ook voor het bewijs.

De betrouwbaarheid van getuige [getuige 3]

Getuige [getuige 3] heeft voorts verklaard dat [naam 3], de man van [naam 1] haar telefonisch heeft gezegd dat de verdachte [slachtoffer] had vermoord. [naam 3] wist dit omdat hij in de woning aanwezig was op de avond dat de verdachte thuis was gekomen op de avond van de moord. [naam 3] had het zelf gehoord van de verdachte. Zij heeft het daarna gevraagd aan haar man [naam 2] Awan, de broer van de verdachte. [naam 2] heeft gezegd dat de verdachte [slachtoffer] inderdaad had vermoord op een plaats waar woningen werden gebouwd en dat hij de kleding van de verdachte had weggegooid. Voorts heeft [naam 2] gezegd dat er een familiebijeenkomst was en dat is afgesproken dat de familie niets zou vertellen.

Bij de rechter-commissaris heeft [getuige 3] verklaard dat [naam 3] haar heeft verteld dat de verdachte [slachtoffer] heeft vermoord en dat zijn kleding onder het bloed zat. Zij ontkent dan dat [naam 2] haar iets heeft verteld.

De verklaring van [getuige 3] is een de audituverklaring. De raadsman heeft de betrouwbaarheid van deze verklaring betwist.

De rechtbank acht de verklaringen van [getuige 3] afgelegd bij de politie betrouwbaar. Hetgeen zij van [naam 3] en [naam 2] heeft gehoord, komt overeen met hetgeen [getuige 2] verklaart namelijk dat [naam 3] in de woning was op de avond dat de verdachte thuis kwam, de verdachte vertelde dat hij [slachtoffer] had vermoord, de verdachte bebloede kleding had en dat [naam 2] de kleding heeft weggedaan en er een familiebijeenkomst is geweest. Dat de getuige de verklaring ten aanzien van [naam 2] intrekt bij de rechter-commissaris doet daar niet aan af nu getuige bij de rechter-commissaris verklaard heeft dat zij bang is voor de familie van de verdachte.

Dat een mogelijk persoonlijk belang getuige ertoe heeft bewogen een verklaring af te leggen doet aan het waarheidsgehalte van haar verklaring niet af temeer nu haar verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2]. Van enige druk door de politie is de rechtbank niet gebleken. Dat [getuige 2] en [getuige 3] ten tijde van het afleggen van de belastende verklaringen met elkaar contact hebben gehad, duidt wat de rechtbank betreft niet meteen op het afstemmen van verklaringen. De rechtbank acht dit contact logisch gelet op hun positie in de schoonfamilie en het gelet op het feit dat het geen alledaagse gang van zaken is om in zo’n zaak verklaringen af te leggen.

De rechtbank gebruikt de verklaring van [getuige 3] dan ook voor het bewijs.

Daarnaast spelen de volgende omstandigheden een rol.

Op 23 februari 2007 zegt de verdachte tegen [broer verdachte] en [getuige 4] dat [getuige 2] hem heeft verzekerd dat, wanneer ze “zijn verleden gaan openmaken” zij niets zal zeggen. Verdachte zegt vervolgens:“ze heeft dus nog niet gepraat!”. Dit ondersteunt de lezing dat de getuige [getuige 2] belastende dingen weet over ‘de oude zaak’ van verdachte, de rechtbank begrijpt de onderhavige strafzaak.

De moeder, vader, broer en zus van het slachtoffer hebben verklaard dat de verdachte [slachtoffer] in hun bijzijn heeft bedreigd met de dood. Volgens deze getuigen heeft verdachte in het kader van een tegen hem lopend fraudeonderzoek getracht [slachtoffer] te bewegen om een voor hem belastende verklaring in te trekken. Toen zij dit weigerde heeft verdachte, in bijzijn van haar familieleden, tegen haar gezegd dat hij een ‘witte doek’ zou opzetten, hetgeen door de familie als een bedreiging is opgevat. Volgens een hindoepriester betekent de uitdrukking ‘het opzetten van een witte doek” in de Indiase en Pakistaanse cultuur dat men iemand wil vermoorden.

Verder heeft de buurvrouw van [slachtoffer] tegenover de politie verklaard dat zij van [slachtoffer] had gehoord dat de verdachte haar voortdurend lastig viel, mishandelde en dreigde te zullen doden, nadat zij de verdachte kenbaar had gemaakt hem niet meer te willen zien. Daarnaast heeft de buurvrouw verklaard dat zij gezien heeft dat de verdachte tot kort voor de vermissing van [slachtoffer] zich dagelijks voortdurend ophield in de onmiddellijke nabijheid van de woning van het slachtoffer, maar dat zij hem na haar vermissing niet meer heeft gezien.

Voorbedachte raad

Voor het aannemen van voorbedachte raad in de zin van kalm beraad en rustig overleg is nodig dat komt vast te staan dat de verdachte de tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

Uit hetgeen hiervoor door de rechtbank bij haar overwegingen ten aanzien van de doodsoorzaak van het slachtoffer aan feiten en omstandigheden naar voren is gebracht, in het bijzonder de beschadigingen aan het gebit van het slachtoffer, het mogelijke snoerspoor om de hals van het slachtoffer en de verklaring van de getuige [getuige 1] dat zij een vrouw hoorde gillen, leidt de rechtbank af dat de verdachte het slachtoffer eerst met een hard voorwerp tegen het gezicht heeft geslagen en haar pas daarna heeft gewurgd. Daaruit volgt dat de verdachte op enig moment de gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van zijn daden heeft kunnen nadenken en zich daarvan rekenschap heeft kunnen geven.

Gelet op het voorgaande heeft de verdachte opzettelijk en met voorbedachte raad het slachtoffer van het leven beroofd.

Tunnelvisie

Omtrent dit verweer kan slechts worden opgemerkt dat er volgens de rechtbank geen losse eindjes in het dossier zitten, die wijzen op een andere dader of ander scenario en dat door de raadsman genoemde andere personen geen motief leken te hebben om het slachtoffer te vermoorden, terwijl dat – blijkens het bovenstaande – bij verdachte wel het geval was.

Gelet op het bovenstaande is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

primair:

hij

op 30 oktober 1990 te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte na kalm beraad en rustig

overleg [slachtoffer] met kracht met een hardvoorwerp tegen het gezicht geslagen en vervolgens met een panty/kous, althans een draad of koord (gebonden om de

nek) gewurgd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

primair

Moord.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 30 oktober 1990 een vrouw vermoord met wie hij in het verleden een relatie heeft onderhouden. Aldus heeft de verdachte aan een nog jonge vrouw haar kostbaarste bezit, het leven, ontnomen, waarschijnlijk om het enkele feit dat zij belastend over hem verklaard had tegenover de politie in een fraudezaak.

Dit is een buitengewoon ernstig feit. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is een onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel leed toegebracht. De twee kinderen van het slachtoffer hebben van jongs af aan moeten opgroeien zonder moeder. Ook de ouders en overige familieleden van het slachtoffer leefden en leven met het nauwelijks te bevatten feit dat hun dochter op afschuwelijke wijze is gedood. De wijze waarop het lichaam van [slachtoffer] is achtergelaten en later is aangetroffen moet de familie onmetelijk veel verdriet gedaan hebben. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij al die jaren heeft gezwegen zodat de familie van [slachtoffer] al bijna 18 jaar in onzekerheid verkeert wat er precies met hun dochter en moeder is gebeurd en waarom zij op deze wijze is vermoord. Een feit als het onderhavige draagt ook een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, in het bijzonder bij degenen die het lichaam van [slachtoffer] hebben aangetroffen.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 11 oktober 2007 terzake een moord gepleegd op 17 oktober 1999 door de rechtbank op 1 mei 2000 onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren.

Ingevolge artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht dient de rechtbank rekening te houden met deze eerdere veroordeling in die zin dat moet worden nagegaan wat de op te leggen straf zou zijn geweest indien de feiten gevoegd zouden zijn behandeld. In die tijd was de maximale tijdelijke gevangenisstraf voor moord twintig jaar. Deze straf zou naar het oordeel van de rechtbank voor de twee moorden op zijn plaats zijn geweest. Na aftrek van de eerder genoemde gevangenisstraf rest derhalve een gevangenisstraf van acht jaren.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het feit dat enkele dagen voor de openbare behandeling van onderhavige zaak door een medewerker van het Openbaar Ministerie kopiestukken van het dossier in het openbaar vervoer zijn zoekgeraakt. Niet uitgesloten kan worden dat de stukken - die niet zijn terugbezorgd - later in de openbaarheid komen, als gevolg waarvan de verdachte nadeel kan ondervinden boven de ten uitvoer te leggen gevangenisstraf. Derhalve zal de rechtbank dit feit verdisconteren in de strafmaat in die zin dat de overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt bekort met vier maanden.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de reeds genoemde artikelen.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het vermelde strafbare feit;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 7 (zeven) jaar en 8 (acht) maanden;

-beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Buizer, voorzitter,

en mrs. Boer en Frankruijter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bernard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 juli 2008.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 24 juli 2008:

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

in of omstreeks de periode 30 oktober 1990 tot en met 14 december 1990 te

Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte na kalm beraad en rustig

overleg [slachtoffer] (met kracht) met een steen, althans een (hard)

voorwerp in/tegen het gezicht geslagen en/of

(vervolgens) met een panty/kous, althans een draad of koord (gebonden om de

nek) gewurgd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 289 WvSr)

en/of/althans

hij

in of omstreeks de periode 30 oktober 1990 tot en met 14 december 1990 te

Rotterdam

opzettelijk [slachtoffer] van het leven beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet [slachtoffer] (met kracht) met een

steen, althans een (hard) voorwerp in/tegen het gezicht geslagen en/of

(vervolgens) met een panty/kous, althans een draad of koord (gebonden om de

nek) gewurgd, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit te weten de diefstal van een (trouw)ring(en)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(artikel 288 WvSr)