Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2008:BD7287

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
16-07-2008
Zaaknummer
234994 / HA ZA 05-874
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing revindicatievordering na bewijslevering; schilderij op zolder van zorginstelling dat door opkoper na betaling aan onbevoegd gebleken medewerker is meegenomen, dat later bij derden/vierden blijkt te berusten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 234994 / HA ZA 05-874

Uitspraak: 16 april 2008

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

STICHTING MARIëNSTAETE,

gevestigd te Warmond,

eiseres in conventie,

verweerster in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. L.Ph.J. baron van Utenhove te [woonplaats],

- tegen -

[gedaagde1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. B.J.R. van Tongeren,

advocaat mr. M.C.L. Hattinga Verschure te Den Haag,

[gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr B.J.R. van Tongeren,

advocaat mr. M.C.L. Hattinga Verschure te Den Haag,

[gedaagde 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in voorwaardelijke reconventie,

procureur en advocaat mr. G.E. Toxopeus,

[gedaagde 4]

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie (na voeging),

procureur: mr. A.C. de Klerk.

Partijen blijven verder aangeduid als "Marienstaete" respectievelijk "[gedaagde 1].", “[gedaagde 2]”, “[gedaagde 3]” en “[gedaagde 4]”.

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 26 juli 2006 en de daaraan ten grondslag liggende

processtukken;

- de processen-verbaal van getuigenverhoor;

- de door partijen na enquête genomen conclusies.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1

Bij voormeld vonnis is Marienstaete toegelaten tot het bewijs van feiten en/of omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de transactie tussen Liefhebber en [gedaagde 1]. een schijnverkoop was, waarbij eigendomsovergang niet werd beoogd, dan wel dat [gedaagde 1]. om niet en/of niet te goeder trouw heeft verkregen.

2.2

Marienstaete heeft in enquête als getuige doen horen [persoon1] ([persoon1]); in contra-enquête hebben [gedaagde 1]., [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] als getuige doen horen [gedaagde 1]..

Eerder in de procedure zijn diverse bewijsstukken overlegd, waaronder een handgeschreven verklaring van [persoon 2] en een besprekingsverslag d.d. 6 mei 1996. Anders dan [gedaagde 1]., [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] kennelijk menen is de omstandigheid, dat deze stukken eerder onvoldoende waren om het bewijs geleverd te achten geen reden om deze thans buiten beschouwing te laten. Bij de huidige bewijswaardering worden immers alle beschikbare gegevens betrokken.

2.3

Marienstaete is niet geslaagd in het haar opgedragen bewijs voor wat betreft de eerste twee onderdelen van haar bewijsopdracht.

Uit de verklaringen van beide getuigen blijkt, dat zij eigendomsovergang beoogden. In geen van beide verklaringen is ook maar enig aanknopingspunt te vinden voor de gedachte dat dat niet zo was. Ook in de eerder in het geding gebrachte stukken is hiervoor geen bewijs te vinden. Voor zover Marienstaete in haar conclusie na enquête het tegendeel heeft willen verdedigen heeft zij dat standpunt niet anders onderbouwd dan met verwijzing naar een oordeel in kort geding, hetgeen gelet op de voorlopige aard van een dergelijk oordeel onvoldoende is.

Beide getuigen hebben voorts verklaard dat er voor het schilderij door [gedaagde 1]. aan [persoon1] contant hfl. 10.000,= is betaald. Bewijsmiddelen die kunnen strekken tot het bewijs van verkrijging om niet ontbreken. Ook als de kwitantie wordt daargelaten is dus niet bewezen dat [gedaagde 1]. het schilderij om niet heeft verkregen.

2.4.1

Voor wat betreft het te bewijzen ontbreken van de vereiste goede trouw bij [gedaagde 1]. heeft [persoon1] verklaard:

“Ik heb jarenlang samen met mijn compagnon [persoon2] oud ijzer opgekocht bij Marienhave. Op een gegeven moment zag [persoon2] op de zolder waar ook het oud ijzer lag een schilderij. .. We hebben toen aan [persoon 3] gevraagd of we dat schilderij konden kopen. .. Hij zei ik beslis later, ik laat het je weten. Ongeveer 5 weken later belde [persoon 3] en zei mij je kunt het schilderij kopen voor Fl 5000,=. Mijn compagnon en ik zijn nog diezelfde avond naar Marienhave gereden. We hebben toen het geld aan [persoon 3] gegeven en het schilderij meegegeven… Niet zo lang daarna, hoe lang precies weet ik niet, ben ik gebeld door [persoon 3]. Hij zei dat er een taxatierapport van het schilderij boven water was gekomen en dat men hem dreigde met ontslag. Hij vroeg mij om het schilderij terug te geven. Ik heb toen gezegd dat dat niet ging en dat ik het al verkocht had. Ik kan mij niet herinneren of dat gesprek voor of na het krantenartikel in de Telegraaf is gevoerd. …Ik heb volgens mij nog voor dat krantenartikel uitkwam met mijn advocaat, mr.Westendorp, gesproken over de situatie. .. Volgens mij heeft mr. Westendorp ook met de Telegraaf gesproken… [persoon2] heeft geregeld, dat was nog voor [persoon 3] belde, dat er een taxateur... kwam kijken naar het schilderij. Die man heeft het schilderij in de kelder bekeken… Hij heeft geen waarde genoemd, maar ik begreep van hem dat hij niet veel zag in het schilderij en dat het in elk geval niet heel waardevol was…

Ik ken [g[gedaagde 1]g[gedaagde 1] al 40 jaar. … [gedaagde 1] is naar aanleiding van dat stukje in de krant komen informeren of hij het schilderij kon kopen. Iedereen in de branche wist dat ik de oud ijzerhandelaar van Marienhave was. Mijn compagnon, [persoon2], wilde snel van dat schilderij af en daar moest ik rekening mee houden. Voor mij was het krantenartikel geen reden om het schilderij snel te verkopen ... [persoon2] en ik hebben het dus kort daarna aan [gedaagde 1] verkocht. … Volgens mij is [gedaagde 1] dat schilderij komen halen.. [gedaagde 1] heeft ons toen ter plekke contant betaald. … Ik kan mij niet herinneren dat daar een bon van gemaakt is, ik maakte eigenlijk nooit bonnetjes van kopen en verkopen… U toont mij productie 3 bij de conclusie van antwoord van [gedaagde 4]. De inhoud van dat briefje en de datum zegt mij weinig, maar ik herken wel mijn handtekening meteen en na enig nader kijken ook mijn handschrift. Ik heb geen herinnering aan het opstellen van dit briefje en de datum, 30 april 1996, zegt mij ook niets…Ik heb op geen enkel moment met [gedaagde 1] besproken dat er gedoe over dat schilderij was, maar hij had natuurlijk dat artikel gelezen. ..”

2.4.2

[gedaagde 1]. heeft als getuige over dat onderwerp verklaard:”Ik ken [persoon1] al vele jaren .. [persoon1] wist dat ik wel eens antiek kocht. Op 30 april 1996 is [persoon1] naar het huis van mijn zoon gekomen. Ik was daar toen ook. Hij vertelde mij over het schilderij. Hij zei dat het veel waard was of dat het weinig waard was. Hij vertelde mij dat iemand van de veiling tegen hem had gezegd dat het weinig waard was. Hij vertelde mij dat hij het schilderij bij een instelling had gekocht. Hij vertelde mij dat hij daar vaker spullen kocht, dat er niks was, dat hij toen en daar op zolder is gaan kijken, daar het schilderij had gezien en tegen de directeur of zo iemand zei dat hij het wilde kopen. De prijs zou doorgegeven worden en hij is 14 dagen later gebeld dat hij het op kon komen halen. Hij heeft het schilderij toen ook meegekregen. Omdat ik wel interesse had ben ik met [persoon1] naar .. Den Haag gegaan. .. Ik heb toen 10.000 gulden geboden. Ik vond het dat waard. .. Ik ben geen kunstkenner. Ik vond het een mooi schilderij. Ik zag dat het oud, vies en vuil was...Ik kocht het schilderij met de intentie het te verkopen.. [persoon1] vertelde mij eerlijk en uit zichzelf dat hij er 5.000 gulden voor betaald had…Ik heb gevraagd om een kwitantie. [persoon1] had zo’n bonnenboekje en schreef een kwitantie uit…

Ik had niet het idee dat het schilderij een oneerlijke zaak was. Ik denk niet dat [persoon1] voor 5.000 gulden de gevangenis in wilde draaien Ik heb niet doorgevraagd over of hij een kwitantie had gekregen van de instelling…Dat ik door [persoon1] ben benaderd.. de koop is gesloten, ik heb betaald en [persoon1] een kwitantie uitschreef, was allemaal op een avond. Aan de hand van de datum op de kwitantie weet ik dat het 30 april 1996 moet zijn geweest.

…Ongeveer 2 a 3 weken nadat ik het had gekocht stond er een bericht over het schilderij in de krant. … U houdt mij voor dat [persoon1] heeft gezegd dat ik naar aanleiding van dat krantenbericht contact met hem heb gezocht voor de koop van het schilderij. Dat klopt dus niet…”

2.5

De verklaring van [persoon1], die geen rechtstreeks belang heeft bij de uitslag van deze procedure, acht de rechtbank in beginsel bruikbaar voor het bewijs. Dat [persoon1] heeft verklaard dat hij een ernstig ongeluk heeft gehad en als gevolg daarvan geheugenproblemen heeft is wel een reden om zijn verklaring met behoedzaamheid te gebruiken, maar het is geen reden om zijn verklaring buiten beschouwing te laten of zonder meer onbetrouwbaar te achten. Hij bleek zich immers in de loop van het verhoor een groot deel van de gebeurtenissen behoorlijk te kunnen herinneren, terwijl hij dat, waar zijn herinnering hem in de steek liet, ook expliciet vermeldde.

Ook de verklaring van [gedaagde 1]. is bruikbaar voor het bewijs. Anders dan Marienstaete kennelijk meent is de verklaring van [gedaagde 1]. niet de verklaring van een partijgetuige; de bewijslast lag immers bij Marienstaete. [gedaagde 1]. heeft echter wel een direct eigen belang bij de uitslag van deze procedure, hetgeen bij de weging uiteraard is meegenomen.

2.6

Voor wat het te bewijzen punt komt het aan op de vraag of [gedaagde 1]., toen hij het schilderij kocht, wist of behoorde te weten of tenminste te vermoeden dat [persoon1] niet beschikkingsbevoegd was. Nu vast staat dat het hier een transactie tussen twee handelaren in ongeregelde zaken betrof, terwijl het ging om een schilderij, dus een betrekkelijk weinig courant voorwerp, rustte in dat kader op [gedaagde 1]. een onderzoeksplicht. Als er geen andere bijzonderheden aan de transactie waren hield die onderzoeksplicht in elk geval in dat Steur sr. navraag moest doen naar de herkomst van het schilderij en moest onderzoeken of de prijs min of meer marktconform was. Uit de verklaring van [gedaagde 1]. blijkt, dat [persoon1] hem de herkomst heeft verteld, evenals de door hem betaalde prijs (hfl. 5.000,=). Deze mededelingen behoefden voor [gedaagde 1]. in redelijkheid geen aanleiding te geven tot twijfel aan de beschikkingsbevoegdheid van [persoon1]. Bovendien blijkt dat het schilderij is bekeken door een deskundig te achten derde, die van oordeel was dat de waarde gering was. In zoverre is zijn verklaring in overeenstemming met die van [persoon1]. In die situatie had [gedaagde 1] voldaan aan zijn onderzoeksplicht, terwijl mede gelet op de door hem betaalde prijs (hfl. 10.000,=), ook overigens geen objectief aanknopingspunt bestaat voor het ontbreken van goede trouw aan zijn zijde.

2.7

Dat zou echter anders zijn als [gedaagde 1]. tevoren al informatie had over de herkomst van het schilderij, die een zelfstandige reden opleverde voor twijfel aan de beschikkings-bevoegdheid van [persoon1]. In concreto zou het dan gaan om het artikel in de Telegraaf, genoemd in het tussenvonnis. Voor wat betreft het ontbreken van goede trouw komt het dus aan op de vraag, of de transactie heeft plaatsgehad nadat [gedaagde 1]. het krantenartikel had gelezen.

[gedaagde 1]. zelf verklaart dat hij het krantenartikel pas heeft gelezen na de transactie.

[persoon1] verklaart dat [gedaagde 1]. naar aanleiding van het krantenartikel bij hem kwam om het schilderij te kopen. Hij onderbouwt dat met de mededeling dat iedereen in de branche, dus ook [gedaagde 1]., wist dat hij de oudijzerhandelaar van Marienhave was, en dus degene die in het artikel werd genoemd. Ook bij de vraag of [gedaagde 1]. wist van het “gedoe” rond het schilderij verwijst hij weer naar het krantenartikel.

Zijn verklaring is echter voor wat betreft de volgorde van een en ander innerlijk tegenstrijdig in die zin, dat als dit inderdaad de volgorde der dingen is geweest, de datering van de kwitantie niet kan kloppen. Dat de kwitantie echt is in de zin dat deze daadwerkelijk door [persoon1] is opgesteld en getekend verklaren zowel [persoon1] als [gedaagde 1]., terwijl enig bewijs in andere zin ontbreekt en de inhoud voor wat betreft de prijs en de identiteit van koper en verkoper geheel in overeenstemming is met het anderszins beschikbare materiaal.

Bovendien geeft bij die volgorde de verklaring van [persoon1] ten aanzien van het telefoongesprek met [persoon 3] (waarin deze vraagt het schilderij terug te geven) reden tot twijfel aan de betrouwbaarheid van het geheugen van [persoon1] op dat punt. Uit de eerder overgelegde stukken, in het bijzonder het gespreksverslag d.d. 6 mei 1996 -dus opgemaakt voor het krantenartikel- blijkt, dat [persoon 3] volgens eigen zeggen eerder gebeld heeft, waarschijnlijk eind april, maar in ieder geval ruim voordat het artikel in de krant kwam. Dat [persoon1] het mogelijk acht dat dat telefoongesprek pas na het verschijnen van het krantenartikel heeft plaatsgevonden betekent, dat zijn herinnering over de juiste volgorde van de gebeurtenissen bepaald niet helder is.

In die situatie, mede in aanmerking genomen het ongeluk dat [persoon1] is overkomen, met gevolgen voor zijn geheugen, acht de rechtbank de verklaring van [persoon1] onvoldoende om het bewijs geleverd te achten.

Nu ander bewijs op dit punt ontbreekt betekent dat, dat de vordering moet worden afgewezen, zoals al was overwogen in 6.12 tot en met 6.13 van het tussenvonnis (met verbetering van de typefout zoals neergelegd in de bijlage bij het proces-verbaal van 16 april 2007).

2.8

Marienstaete zal, als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

In reconventie

2.9

De eis in reconventie was, door [gedaagde 3], [gedaagde 1]. en [gedaagde 2], voorwaardelijk ingesteld, te weten voor het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat Marienstaete als rechthebbende zou moeten worden beschouwd. Nu die voorwaarde niet is vervuld komt de rechtbank daaraan niet toe en behoeft deze vordering dus geen bespreking.

Omdat daaraan in de stukken bovendien nauwelijks aandacht is besteed heeft dit voor de kostenveroordeling geen consequenties.

3 De beslissing

De rechtbank,

wijst de vordering af;

veroordeelt Marienstaete in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 1]. en [gedaagde 2] tezamen bepaald op € 244,= aan vast recht en op € 1808,= aan salaris voor de procureur, aan de zijde van [gedaagde 3] bepaald op € 244,= aan vast recht en op € 1808,= aan salaris voor de procureur en aan de zijde van [gedaagde 4] bepaald op € 244,= aan vast recht, en op € 1808,= aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hofmeijer-Rutten

Uitgesproken in het openbaar.

106